Bijbel in Gewone Taal (BGT)
40

Goed nieuws voor Jeruzalem

Gods volk wordt niet meer onderdrukt

401God zegt: ‘Ga mijn volk troosten, ga het troosten. 2Zeg tegen de inwoners van Jeruzalem dat ze de moed niet mogen opgeven. Vertel hun dat ze niet langer onderdrukt worden. Ik, de Heer, zal hen niet langer straffen voor hun fouten. Ik heb hen nu genoeg gestraft.’

Jesaja hoort een stem

3Ik hoor een stem die roept: ‘Maak in de woestijn een weg voor de Heer. Maak de weg vrij voor onze God. 4Maak de bergen minder hoog en de dalen minder diep. Maak het land vlak, en zorg dat de rotsen verdwijnen. 5Want de machtige Heer zal komen. Alle mensen zullen hem zien. Dat heeft hij zelf beloofd!’

6Ik hoor nog een stem, die zegt: ‘Jij moet dit bekendmaken!’ ‘Wat moet ik bekendmaken?’ vraag ik. En de stem antwoordt: ‘Je moet zeggen dat de mensen zo zwak zijn als bloemen in het gras. 7-8Als de Heer met zijn adem over het gras blaast, dan verdroogt het, en de bloemen gaan dood. Gras verdroogt, bloemen gaan dood, en de mensen zullen sterven. Maar de woorden van onze God verliezen nooit hun kracht.’

God brengt zijn volk terug

9Inwoners van Jeruzalem, maak het goede nieuws bekend! Klim een hoge berg op, zodat iedereen jullie kan horen. Aarzel niet, maar laat je stem duidelijk horen. Roep naar alle steden van Juda: ‘Jullie God is er!’

10Kijk, daar is hij. God, de machtige Heer, komt eraan. Hij zal zijn macht laten zien, hij komt om te heersen. En hij heeft zijn volk bij zich. Hij heeft hen bevrijd, ze zijn van hem.

11God brengt zijn volk weer terug naar hun land, en hij zorgt goed voor hen. Net als een herder die zorgt voor zijn kudde. Een herder brengt zijn schapen bij elkaar en draagt de lammetjes in zijn armen. Zo brengt hij zijn kudde rustig naar een veilig gebied.

God is met niemand te vergelijken

God hoeft niemand om raad te vragen

12Niemand kan al het water van de zee in zijn hand nemen. Niemand kan meten hoe groot de hemel is. Niemand weet hoeveel zand er op de aarde is. En niemand kan bergen op een weegschaal wegen. Niemand, behalve God!

13Niemand kent Gods plannen. Niemand heeft hem raad gegeven. 14God hoeft niemand om raad te vragen, en niemand hoeft hem iets uit te leggen. Niemand kan hem leren wat wijsheid is, en niemand kan hem vertellen wat rechtvaardig is.

De volken betekenen niets voor God

15-17De volken betekenen niets voor God. Ze zijn net zo onbelangrijk als een druppel in een emmer water, of als een stofje op een weegschaal. De eilanden betekenen voor hem niet meer dan een paar korrels zand.

De mensen kunnen God nooit genoeg offers brengen. Zelfs op de Libanon-bergen zijn te weinig bomen en dieren voor zo veel offers.

Geen enkel beeld kan op God lijken

18Je kunt God met niemand vergelijken. Er is niets dat op hem lijkt. 19Een godenbeeld lijkt niet op hem, want zo’n beeld wordt door mensen gemaakt. Een smid maakt het van metaal en bedekt het met een laagje goud of zilver. 20Ook een beeld op een bergtop kan niet op God lijken. Want dat is gewoon een stuk hout. Een timmerman heeft het gemaakt van stevig hout, zodat het niet omvalt.

God is met niemand te vergelijken

21Inwoners van Jeruzalem, weten jullie dan niet hoe God is? Hebben jullie het niet gehoord? Dat is jullie toch al lang geleden verteld! Dat was al duidelijk toen de aarde gemaakt werd! 22De troon van God staat boven de aarde. God woont in de hemel, ver boven de aarde. Hij heeft de hemel gemaakt als een tent waarin hij kan wonen. Daar staat zijn troon. En vanaf die troon ziet hij de mensen, zo klein als sprinkhanen.

23Koningen en leiders betekenen niets voor God. Ze hebben geen enkele macht. 24Ze zijn zomaar weer verdwenen. Als de ene koning net op de troon zit, wordt hij alweer vervangen door de volgende.

25Je kunt de heilige God met niemand vergelijken. Hij is aan niemand gelijk. 26Kijk maar eens omhoog. Wie heeft al die sterren gemaakt? God zelf! Hij laat alle sterren aan de hemel verschijnen. Hij roept ze één voor één bij hun naam. Er ontbreekt niet één ster.

God geeft mensen kracht

27Volk van Israël, jullie zeggen: ‘De Heer let niet op ons, hij ziet niet dat we slecht behandeld worden.’ Maar waarom zeggen jullie dat? 28Jullie weten toch dat de Heer voor altijd regeert?

Hij heeft de hele aarde gemaakt. Hij wordt nooit moe, hij blijft altijd sterk. Niemand is zo wijs als hij. 29Aan mensen die moe zijn, geeft hij kracht. Mensen die zwak zijn, maakt hij weer sterk.

30Sterke soldaten kunnen moe worden en struikelen. Zelfs dappere helden kunnen in elkaar zakken. 31Maar mensen die op de Heer vertrouwen, krijgen nieuwe kracht. Zij lopen zonder moe te worden. Zij rennen zonder te struikelen. Ze zijn zo sterk als een adelaar, die vertrouwt op zijn krachtige vleugels.

41

God bepaalt wat er gebeurt

411God zegt: ‘Volken van de wereld, wees stil en luister naar mij! Kom hierheen en luister. Jullie moeten goed nadenken voordat je iets zegt. We moeten samen overleggen en zien wie er gelijk heeft.

2Wie heeft er een koning laten komen uit het oosten? En wie heeft die koning zo veel macht gegeven? Dat ben ik! Ik heb ervoor gezorgd dat hij macht heeft over andere volken en hun koningen. Zijn leger jaagt ze allemaal weg, ze verdwijnen als stof dat wegwaait in de wind. 3Want die koning en zijn leger zijn enorm snel. Niemand houdt ze tegen.

4Wie heeft dat allemaal laten gebeuren? Dat ben ik, de Heer! En wie bepaalt steeds wat er gaat gebeuren? Dat ben ik! Ik was er al in het begin, en ik zal er ook aan het einde zijn.’

De volken van de wereld zijn bang

5De volken van de wereld schrikken als ze die nieuwe koning zien komen. Ze zijn heel bang. 6Ze komen bij elkaar en ze willen elkaar helpen. Ze zeggen tegen elkaar: ‘We moeten sterk zijn!’

7Ze zoeken hulp bij hun goden. Ze maken een beeld en bedekken het met een laagje goud. Ze bekijken het beeld en zeggen tegen elkaar: ‘Dat hebben we goed gedaan!’ Dan zetten ze het beeld stevig vast, zodat het niet omvalt.

Israël is Gods dienaar

God heeft Israël uitgekozen

8God zegt tegen zijn volk: ‘Israël, jij bent mijn dienaar. Ik heb jou uitgekozen. Je stamt af van mijn vriend Abraham. 9Ik heb je geroepen, ik heb je weggehaald uit verre landen. Volk van Israël, jij bent mijn dienaar. Ik heb jou uitgekozen, ik heb je nooit in de steek gelaten.

10Je hoeft niet bang te zijn, want ik ben bij je. Je hoeft geen angst te hebben, want ik ben jouw God. Ik zal je helpen, ik zal je sterk maken. Met mijn hulp zul je de vijanden overwinnen.

11Alle vijanden die jou haten, zullen spijt krijgen. Al je tegenstanders zullen diep vernederd worden, al je vijanden zullen verdwijnen. 12Je kunt ze wel gaan zoeken, maar je vindt ze niet meer. Want er blijft niets van hen over. Er blijft helemaal niets over van de vijanden die tegen je gevochten hebben.

God helpt het kleine volk van Israël

13Ik ben de Heer, je God. Ik houd je vast, en ik zeg: Israël, je hoeft niet bang te zijn. Ik zal je helpen. 14Ook al ben je maar klein, je hoeft niet bang te zijn. Ik zal je helpen. Ik, de heilige God van Israël, zal je bevrijden.

15Ik zal ervoor zorgen dat jij je vijanden verslaat. Ook al zijn ze sterk en machtig, jij zult ze overwinnen. 16Je zult je vijanden wegjagen. Ze zullen verdwijnen als stof dat wegwaait in de wind.

Als dat gebeurt, zul je juichen en zingen voor mij, de heilige God van Israël.’

God zorgt voor water in de woestijn

17De Heer zegt: ‘De arme mensen van mijn volk zoeken overal naar water, maar ze vinden het niet. Ze hebben zo’n dorst dat ze geen kracht meer hebben. Maar ik, de God van Israël, zal hen helpen. Ik laat hen niet in de steek.

18Uit kale heuvels zal ik rivieren laten stromen. En in het dal laat ik waterbronnen ontstaan. Ik zal zorgen dat er meren komen in de woestijn. En dat er water omhoogkomt uit de droge grond. 19Ik zorg voor bomen en planten in de woestijn, ze zullen groeien en bloeien.

20Alle mensen zullen het zien. En ze zullen weten dat ik, de Heer, dat allemaal gedaan heb. Ze zullen begrijpen dat ik, de heilige God van Israël, dat allemaal gemaakt heb.’

De goden kunnen helemaal niets

21De Heer, de koning van Israël, zegt: ‘Goden van de volken, kom hierheen en bewijs dat jullie gelijk hebben. 22Kom dichterbij, en vertel mij en mijn volk wat er zal gebeuren. Vertel ook maar wat er vroeger gebeurd is. Misschien kunnen ik en mijn volk er iets van leren. 23Als jullie iets over de toekomst kunnen vertellen, dan weten we dat jullie echte goden zijn. Doe iets, iets goeds of iets slechts. Doe iets waarvan we onder de indruk zijn.

24Maar nee, jullie kunnen helemaal niets. Jullie hebben geen enkele macht. Het is verschrikkelijk als mensen op jullie vertrouwen.’

Alleen God bepaalt de toekomst

25God zegt tegen de goden: ‘Vanuit het oosten, waar de zon opkomt, liet ik een koning komen. Die koning heeft laten zien hoe machtig ik ben. Hij heeft veel volken verslagen, en hun leiders heeft hij gedood.

26Hebben jullie dat lang geleden al voorspeld? Hebben jullie gezegd dat die koning zou komen? Kunnen de mensen nu zeggen: ‘Ja, de goden hadden gelijk’? Nee! Niemand van jullie heeft voorspeld dat die koning zou komen. Niemand van jullie heeft mij en mijn volk iets verteld. Jullie lieten niets van je horen!

27Ik was de eerste die het in Jeruzalem bekendmaakte. Ik stuurde een boodschapper naar de stad die zei: ‘Let op, de koning komt eraan!’

28Goden, ik kijk naar jullie. Maar niemand van jullie kan mij en mijn volk raad geven. Niemand kan mijn vragen beantwoorden. 29Jullie kunnen niets, jullie hebben geen enkele macht. Jullie zijn maar beelden die helemaal niets betekenen.’

42

Gods dienaar is eerlijk

421God zegt: ‘Volken van de wereld, kijk! Dit is mijn dienaar, hem zal ik steunen. Hij is de dienaar die ik uitgekozen heb. Mijn liefde voor hem is groot, aan hem heb ik mijn geest gegeven. Hij zal alle volken leren om goed en eerlijk te zijn.

2Mijn dienaar schreeuwt niet, hij gaat niet roepend de straat op. 3Zwakke mensen zal hij niet nog zwakker maken. Mensen zonder kracht zal hij niet kapotmaken. Hij zal zorgen dat iedereen eerlijk behandeld wordt. 4Hij zal niet aarzelen. Hij gaat door met zijn werk totdat er overal op aarde eerlijke rechters zijn.

Alle volken verlangen naar de lessen en regels van mijn dienaar.’

Gods dienaar zal een voorbeeld zijn

5-9God, de Heer, zegt tegen zijn volk: ‘Israël, ik heb jou geroepen, jij moet mijn opdracht uitvoeren. Ik zal je helpen en beschermen. Ik zal zorgen dat jij de mensen vrede brengt. Ik maak jou een redder voor alle volken. Jij zult alles veranderen. Blinde mensen zullen weer zien, gevangenen zullen uit het donker bevrijd worden.

Ik ben de Heer, dat is mijn naam. Ik deel mijn macht met niemand. Ik wil niet dat andere goden ook vereerd worden. Alles wat ik vroeger over de toekomst zei, dat is gebeurd. En nu vertel ik iets nieuws over de toekomst. Ik vertel het je nu al, voordat het begint.’

Dat zegt God, de Heer, die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Hij heeft de hemel als een koepel boven de aarde gemaakt. En hij heeft alles gemaakt wat op de aarde groeit. Hij heeft de mensen op aarde adem gegeven om te kunnen leven.

Iedereen moet zingen voor de Heer

10Volken op aarde, zing een nieuw lied voor de Heer. Juich voor de Heer, overal op aarde! Alle mensen op aarde moeten voor hem zingen. Zing voor de Heer, iedereen die woont op de eilanden of aan de kust. Juich, zeemannen, en alles wat leeft in de zee!

11Zing, inwoners van de steden en de dorpen. Juich, jullie die in de woestijn of tussen de rotsen wonen. Roep vanaf de hoogste bergen. 12Juich voor de Heer! Vertel overal op aarde hoe machtig hij is.

De Heer zal zijn vijanden verslaan

13De Heer zal strijden als een held. Hij gaat op weg met zijn legers, en hij geeft bevel om de vijanden te verslaan. Hij laat trompetten klinken, hij schreeuwt: ‘Val aan!’ En dapper verslaat hij zijn vijanden.

De Heer zal Israël bevrijden

De Heer zal niet langer zwijgen

14De Heer zegt: ‘Ik heb al heel lang niets gezegd. Ik zweeg, ik hield me in. Maar nu schreeuw ik! Ik schreeuw het uit als een vrouw die een kind krijgt.

15-16Er zal niets meer groeien op de bergen en de heuvels. Rivieren laat ik verdwijnen, meren zullen opdrogen.

Zo zal ik voor mijn volk een weg maken. Ze weten niet waar ze heen moeten, maar ik zal hun de weg wijzen. Ik zal met hen meegaan over onbekende paden. Overal waar het donker is, zal ik zorgen voor licht. En als een pad te steil is, zal ik het vlak maken.

Dat zal ik allemaal doen! 17En dan zullen de mensen zich schamen, omdat ze godenbeelden vereerden en daarop vertrouwden.’

Israël lijkt wel doof en blind

18De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, je lijkt wel doof. Luister toch eens goed! Je lijkt wel blind. Doe je ogen toch eens open! 19Niemand is zo doof en blind als jij, mijn dienaar Israël. Nee, niemand is zo doof als de dienaar die ik gestuurd heb. Niemand is zo blind als het volk dat ik gestraft heb. Niemand is zo blind als jij, mijn dienaar Israël. 20Je ogen zien veel, maar je onthoudt niets. Je oren zijn open, maar je hoort niets.’

Israël wil niet luisteren

21De Heer wilde zijn volk iets leren. Hij wilde dat ze naar zijn wetten en lessen zouden luisteren. Dan zouden ze bevrijd kunnen worden.

22Maar zijn volk wilde niet luisteren. Nu zijn ze alles kwijt, hun land is leeggeroofd door hun vijanden. De Israëlieten zitten gevangen. Ze zijn door vijanden meegenomen en opgesloten. Maar niemand haalt hen terug, niemand wil hen bevrijden.

Jesaja wil dat Israël nadenkt

23Volk van Israël, denk hier goed over na, en leer ervan! 24Wie heeft ervoor gezorgd dat jullie meegenomen werden? En dat de steden leeggeroofd zijn? Dat was de Heer. Dat deed hij omdat jullie je tegen hem verzet hadden. Jullie deden niet wat hij zei. Jullie wilden niet luisteren naar zijn lessen.

25De Heer was woedend, daarom heeft hij jullie gestraft. Er kwam oorlog en geweld, jullie werden bedreigd door vuur en vlammen. Maar jullie begrepen niet waarom. Jullie hebben er niets van geleerd.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]