Bijbel in Gewone Taal (BGT)
37

Hizkia vraagt Jesaja om raad

371Toen koning Hizkia hoorde wat er gezegd was, scheurde hij van verdriet zijn kleren. Hij trok rouwkleren aan en ging naar de tempel van de Heer. 2Toen liet hij Eljakim en Sebna bij zich komen, samen met de belangrijkste priesters. En hij zei dat zij ook rouwkleren moesten aantrekken.

Daarna stuurde Hizkia hen naar de profeet Jesaja, de zoon van Amos, 3met het volgende bericht: ‘Jesaja, het gaat niet goed met mij en mijn volk. We worden bang gemaakt, vernederd en gestraft. En ik kan mijn volk niet redden, hoe graag ik dat ook wil. Ik voel me als een vrouw die moet bevallen, maar er niet de kracht voor heeft.

4Maar misschien heeft de Heer, de levende God, gehoord hoe Sanherib hem beledigd heeft. En misschien zal hij Sanherib daarom straffen. Bid daarom voor ons volk, Jesaja, bid voor de mensen die nog in leven zijn.’

5Met dat bericht kwamen de dienaren van Hizkia bij Jesaja. 6En Jesaja antwoordde: ‘Dit zegt de Heer tegen koning Hizkia: ‘U hoeft niet bang te zijn voor de koning van Assyrië, die mij beledigd heeft. 7Want ik zal hem bang maken. Ik zal hem zulk slecht nieuws brengen, dat hij teruggaat naar zijn eigen land. En ik zal ervoor zorgen dat hij daar gedood wordt.’’

Sanherib stuurt boodschappers naar Hizkia

8Intussen was de legerleider weer teruggegaan naar koning Sanherib. Die had de stad Lachis alweer verlaten. Hij was nu met zijn leger op weg naar de stad Libna.

9Maar toen kreeg Sanherib een bericht over Tirhaka, de koning van Nubië. Die was met zijn leger op weg gegaan om Sanherib aan te vallen. Daarom stuurde Sanherib opnieuw boodschappers met een brief naar Hizkia.

In die brief stond: 10‘Hizkia, u moet zich niet laten bedriegen door uw God. Hij heeft gezegd dat Jeruzalem niet door mij veroverd zal worden. En u vertrouwt op hem. 11Maar u weet toch wat er gebeurd is? Alle landen die door mijn volk aangevallen zijn, zijn verwoest. Waarom zou u dan wel gered worden?

12Mijn voorouders hebben de steden Gozan, Charan en Resef aangevallen. En ook Telassar, waar de mensen uit Eden woonden. Ze hebben die steden helemaal verwoest. De inwoners werden dus niet door hun goden gered. 13En ook de koningen van de steden Hamat, Arpad, Sefarwaïm, Hena en Iwwa zijn niet door hun goden gered.’

Hizkia leest de brief van Sanherib

14Koning Hizkia las de brief die de boodschappers van Sanherib aan hem gaven. Daarna ging hij naar de tempel van de Heer, en legde de brief neer bij het altaar. 15Toen begon Hizkia te bidden. Hij zei: 16‘Heer, machtige God, God van Israël! U zit op een troon die door engelen gedragen wordt. U alleen bent de God van alle koninkrijken op aarde. U hebt de hemel en de aarde gemaakt. 17Luister naar mij, Heer. Kijk wat er met ons gebeurt! En hoor wat koning Sanherib allemaal over u zegt! Hij beledigt u, de levende God.

18Heer, wat Sanherib gezegd heeft, dat is waar. De koningen van Assyrië hebben alle landen verwoest. 19En zij hebben ook de goden van die landen vernietigd. Maar dat waren geen echte goden. Het waren alleen maar beelden van hout en steen, die de mensen zelf gemaakt hadden.

20Maar u bent onze Heer, u bent onze God! Daarom vraag ik u om ons te beschermen tegen de koning van Assyrië. Heer, red ons! Want dan zullen alle volken op aarde weten dat u de enige God bent.’

God heeft een bericht voor Sanherib

21-22Toen stuurde Jesaja, de zoon van Amos, het volgende bericht naar koning Hizkia: ‘De Heer, de God van Israël, heeft naar uw gebed geluisterd. Hoor wat de Heer nu zegt tegen Sanherib, de koning van Assyrië: ‘Sanherib, de inwoners van Jeruzalem hebben helemaal geen respect voor jou. Ze lachen je uit. 23Weet je niet wie ik ben? Ik ben de heilige God van Israël! En jij hebt mij belachelijk gemaakt, jij hebt mij beledigd!

24Je hebt je dienaren gestuurd om mij te beledigen. Je hebt gezegd: ‘Ik ben machtiger dan iedereen. Ik kom met mijn paarden en wagens op de hoogste toppen van de Libanon-bergen. En daar hak ik de hoogste en sterkste bomen om. Ik kom op de hoogste toppen en in de donkerste bossen. 25Ik kan overal water uit de grond halen. En ik kan ook alle rivieren in Egypte laten opdrogen.’

26Maar, Sanherib, ik ben de Heer! Ik heb jou dat allemaal laten doen! Dat had ik lang geleden al besloten. En nu heb ik het allemaal laten gebeuren. Sterke steden zijn door jou volledig verwoest. 27Alle inwoners van die steden zijn machteloos en bang. En ze schamen zich dat ze zo zwak zijn. Ze zijn net zo zwak als jonge plantjes op een akker, die doodgaan door de hete zon.

28Maar ik ken jou, Sanherib. Ik weet wat je zegt en ik zie alles wat je doet. Ik weet hoe je tegen mij tekeergaat. 29Ik weet hoe je tegen mij schreeuwt, en ik weet hoe geweldig je jezelf vindt. Maar ik zal zorgen dat je daarmee stopt. Ik zal je dwingen om te doen wat ik wil. Je zult weer teruggaan langs dezelfde weg als waarlangs je gekomen bent.’

God belooft dat het volk zal groeien

30En Hizkia, dit zegt de Heer tegen u: ‘De komende twee jaar zul je weinig te eten hebben. Want dan zal er maar weinig groeien, en wat er groeit is vooral onkruid. Maar in het derde jaar kun je zaaien en oogsten. Dan zullen er wijngaarden geplant worden en kunnen jullie druiven eten.

31Hizkia, er is nog maar een klein deel van je volk in leven. Maar je volk zal snel gaan groeien, net als een plant met sterke wortels. 32Want je volk zal zich vanuit Jeruzalem en vanaf de berg Sion verspreiden over het hele land. Ik, de machtige Heer, zal zorgen dat dat gebeurt.’

Sanherib zal Jeruzalem niet veroveren

33En dit zegt de Heer over Sanherib, de koning van Assyrië: ‘Sanherib zal Jeruzalem niet binnengaan, en hij zal ook geen pijlen over de stadsmuur schieten. Nee, Sanherib zal de stad niet kunnen aanvallen. 34Hij zal weer teruggaan langs dezelfde weg als waarlangs hij gekomen is. Hij zal de stad niet binnenkomen.

35Want ik zal de stad beschermen en ik zal haar inwoners bevrijden. Dat doe ik voor mijzelf en ook voor mijn dienaar David.’’

Sanherib gaat terug naar Nineve

36Toen kwam er een engel van de Heer. De engel doodde 185.000 soldaten in het legerkamp van de Assyriërs. De volgende ochtend lagen er overal dode soldaten. 37Toen maakte koning Sanherib een eind aan de aanval. Hij ging met zijn leger terug naar zijn land, naar de stad Nineve.

38In Nineve ging Sanherib naar de tempel van zijn god Nisroch. Maar toen hij voor die god knielde, werd hij vermoord door twee van zijn zonen, Adrammelech en Sareser. Zij konden ontsnappen en vluchtten naar het land Ararat. Toen werd Esarhaddon, een andere zoon van Sanherib, de nieuwe koning van Assyrië.

38

De genezing van Hizkia

Koning Hizkia wordt ziek

381In die tijd werd koning Hizkia ernstig ziek. De profeet Jesaja, de zoon van Amos, ging naar hem toe en zei: ‘De Heer zegt dat u zult sterven. U zult niet meer beter worden. Regel alvast wat er na uw dood moet gebeuren.’

2Toen draaide Hizkia zijn gezicht naar de muur en hij bad tot de Heer. 3Hij zei: ‘Heer, denk toch aan mij. Ik heb altijd goed en eerlijk geleefd, en ik heb steeds gedaan wat u wilde.’ En Hizkia huilde van verdriet.

Hizkia mag nog vijftien jaar leven

4-5De Heer stuurde Jesaja opnieuw naar Hizkia, met dit bericht: ‘Hizkia, ik ben de Heer, de God van je voorvader David. Ik heb je gebed gehoord en ik heb je tranen gezien. Ik geef je daarom nog vijftien jaar te leven. 6Nu heeft de koning van Assyrië nog de macht over Jeruzalem. Maar ik zal jou en alle inwoners bevrijden. En ik zal de stad beschermen.’

7Jesaja zei ook nog: ‘De Heer zal laten zien dat hij zich aan zijn belofte houdt. Hij zal u een teken geven. 8U kent de zonnewijzer van koning Achaz. De schaduw op die zonnewijzer zal niet vooruit gaan, maar achteruit.’ En zo gebeurde het.

Hizkia bidt tot God

9Toen Hizkia zo ziek was en toch weer beter werd, schreef hij dit gebed op:

10‘Ik dacht dat ik te jong zou sterven.

Ik dacht dat ik dood zou gaan

in het midden van mijn leven.

11Heer, ik dacht:

Ik zal u niet meer zien.

En ook de mensen, hier op aarde,

zal ik niet meer zien.

12Ik had me al voorbereid op mijn dood.

Ik dacht: Mijn leven is voorbij,

u breekt mijn leven af,

zoals een herder zijn tent afbreekt.

Heer, dag en nacht bracht u mij dichter bij de dood.

13Ik schreeuwde om hulp,

ik schreeuwde tot vroeg in de ochtend.

Want u viel mij aan als een leeuw,

al mijn botten leken gebroken.

Heer, dag en nacht bracht u mij dichter bij de dood.

14Ik piepte als een bange zwaluw,

ik zuchtte als een duif.

Mijn ogen waren moe,

maar ik keek omhoog en riep:

‘Heer, ik ben doodsbang.

Help mij toch!’

15Meer kon ik niet zeggen. Ik dacht:

De rest van mijn leven moet ik lijden.

Want wat u zegt, dat zal gebeuren.

16Heer, maar toch laat u mij weer leven!

Ja, u geeft mij weer kracht,

u maakt mij weer beter.

17Nu ben ik niet meer somber,

nu ben ik gelukkig.

Door u lig ik niet in het graf.

Al mijn schuld hebt u weggenomen.

18In het land van de dood kan niemand voor u zingen.

Mensen die dood zijn,

kunnen niet op u vertrouwen.

19Maar de mensen die leven,

zij kunnen voor u zingen.

Zij kunnen u danken,

zoals ik u vandaag dank.

Ouders vertellen hun kinderen hoe trouw u bent!

20De Heer heeft mij geholpen.

Laten we muziek maken in zijn tempel,

alle dagen van ons leven!’

Hizkia wordt weer beter

21Jesaja had tegen de dienaren van koning Hizkia gezegd dat ze zijn wonden moesten verzorgen. Ze moesten er gedroogde vijgen op leggen. Toen ze dat gedaan hadden, voelde Hizkia zich weer beter. 22En hij vroeg aan Jesaja: ‘Krijg ik een teken van de Heer als ik weer naar de tempel mag gaan?’

39

Hizkia ontvangt mannen uit Babylonië

391De koning van Babylonië heette Merodach-Baladan. Hij had gehoord dat Hizkia ziek was geweest en weer beter was geworden. Daarom stuurde hij boodschappers naar hem toe met brieven en een geschenk.

2Hizkia ontving de boodschappers hartelijk. Hij liet hun zien wat er allemaal in zijn schatkamers lag: zilver, goud, parfums en geurige olie. Hij liet ook zijn voorraad wapens zien, en alles wat hij verder in zijn paleis bewaarde. Hij liet de boodschappers overal kijken, niet alleen in zijn paleis, maar in het hele land.

Jesaja vraagt wie die mannen zijn

3Korte tijd later ging Jesaja naar koning Hizkia en vroeg: ‘Wat hebben die mannen tegen u gezegd? Waar komen ze vandaan?’ Hizkia zei: ‘Ze komen uit een ver land, helemaal uit Babylonië.’ 4En Jesaja vroeg: ‘Wat hebben ze in uw paleis allemaal bekeken?’ ‘Ze hebben alles gezien wat er in het paleis is,’ zei Hizkia. ‘Ik heb alles laten zien.’

5-6Toen zei Jesaja tegen Hizkia: ‘Luister. Er komt een tijd dat alles uit uw paleis weggehaald zal worden. Alles wat uw voorouders verzameld hebben, wordt dan naar Babylonië gebracht. Er blijft helemaal niets over. Dat heeft de machtige Heer zelf gezegd. 7En de Babyloniërs zullen ook een paar van uw zonen meenemen. Die moeten dan werken in het paleis van de koning van Babylonië.’

8Hizkia dacht: Zolang ik leef, zal er hier nog rust en vrede zijn. Daarom zei hij tegen Jesaja: ‘Het is goed wat de Heer gezegd heeft.’