Bijbel in Gewone Taal (BGT)
31

Israël mag Egypte niet om hulp vragen

311Het zal slecht aflopen met de Israëlieten die naar Egypte gaan. Want ze vertrouwen niet op de Heer. Ze zoeken geen hulp bij de heilige God van Israël. In plaats daarvan vragen ze de Egyptenaren om hulp. Ze denken dat die hun veel soldaten, paarden en wagens zullen geven.

2Maar de Heer weet wat hij doet, hij verandert zijn besluiten niet. Hij zal rampen brengen. Hij zal hen allemaal straffen: de Israëlieten die slechte plannen bedenken, en de mensen die hen daarbij helpen.

3De Israëlieten zoeken hulp bij de Egyptenaren. Maar de Egyptenaren zijn geen goden, het zijn maar mensen. Hun paarden zijn zwak, ze hebben geen kracht. Zodra de Heer zijn macht laat zien, zullen de Egyptenaren verslagen worden. Ook de Israëlieten die hun om hulp vroegen, zullen gedood worden. Ze zullen allemaal sterven, de helpers en de mensen die geholpen worden.

De Heer zal Jeruzalem beschermen

4-5De machtige Heer zegt tegen mij: ‘Jesaja, ik zal komen, en ik zal naar de berg Sion gaan. Daar zal ik strijden voor Jeruzalem. Ik zal de stad verdedigen, ik zal voor Jeruzalem vechten. Net zoals een leeuw vecht voor zijn prooi, om hem niet kwijt te raken. Een leeuw vlucht niet voor een groep schreeuwende herders, een leeuw wordt niet bang. Een leeuw vecht. Net zo zal ik vechten voor Jeruzalem. En ik zal de stad beschermen, zoals een vogel zijn nest beschermt. Ik zal zorgen dat Jeruzalem veilig is, en ik zal de inwoners redden.’

Assyrië zal verslagen worden

6Israëlieten, jullie moeten teruggaan naar de Heer. Jullie kennen hem niet meer. 7Maar eens zullen jullie hem weer dienen. En dan gooien jullie je zelfgemaakte goden weg, die beelden van zilver en goud.

8-9Straks zal Assyrië verslagen worden. Niet door mensen, maar door de Heer. De Assyriërs zullen vluchten. Hun legers zullen geen kracht meer hebben, hun legerleiders zullen wegvluchten. En dan moeten de soldaten als slaven werken in een ander land.

Dat heeft de Heer zelf gezegd. Hij is de God die Jeruzalem beschermt. Voor hem brandt er een heilig vuur op de berg Sion.