Bijbel in Gewone Taal (BGT)
30

Vertrouw alleen op de Heer

Zoek geen hulp bij Egypte

301De Heer zegt: ‘Volk van Israël, het zal slecht met jullie aflopen! Want jullie zijn eigenwijs. Jullie bedenken plannen zonder mij om hulp te vragen. Jullie maken afspraken met andere volken, terwijl ik dat niet wil. En zo wordt jullie schuld steeds groter.

2Jullie gaan naar Egypte zonder mij om raad te vragen. Jullie denken dat je veilig bent in Egypte, jullie denken dat de farao jullie zal beschermen. 3Maar dat zal niet gebeuren. Want de farao kan jullie niet beschermen, en Egypte is niet veilig voor jullie. Dan zullen andere volken jullie uitlachen.

4-5Jullie leiders zullen geen hulp krijgen van Egypte. Ook al gaan ze zelf naar Egypte toe, naar de steden Soan of Chanes. De Egyptenaren zullen jullie niet helpen. Ze kunnen niets voor jullie doen. Jullie zullen teleurgesteld zijn en vernederd worden.

Egypte is een monster zonder tanden

6-7Jullie gaan op weg naar het zuiden, naar Egypte. Jullie reizen door een land vol gevaren, een land vol wilde dieren. Jullie ezels en kamelen dragen tassen met geschenken voor Egypte. Maar Egypte kan jullie niet helpen, ook al lijkt dat land heel sterk. Daarom noem ik Egypte een monster zonder tanden.’

Jesaja moet iets opschrijven

8-11De Heer zei tegen mij: ‘Jesaja, pak een bord en schrijf het volgende op: ‘Het volk van Israël is ongehoorzaam en niet te vertrouwen. Want ze willen niet luisteren naar de wetten van de Heer.’

Tegen hun profeten zeggen ze: ‘We hebben jullie dromen niet nodig. Vertel ons niet de waarheid, vertel ons alleen wat we graag willen horen. We willen dat jullie tegen ons liegen. Zeg toch niet steeds hetzelfde, praat niet steeds over die heilige God. Vertel ons eens wat nieuws!’

Schrijf die woorden duidelijk op, zodat ze voor altijd bewaard blijven.’

Israël vertrouwde op geweld en bedrog

12De heilige God van Israël zegt: ‘Volk van Israël, jullie hebben niet naar mij geluisterd. Jullie dachten dat je alles kon oplossen met geweld en bedrog. 13Daarom zijn jullie schuldig. En jullie schuld zal steeds groter worden. Het is net als met een scheur in een muur. Die wordt ook steeds groter, totdat de muur instort!

14Jullie schuld zal zo groot worden, dat er niets van jullie overblijft. Zoals er niets overblijft van een kruik die met veel kracht kapotgeslagen wordt. Van zo’n kruik blijven alleen kleine scherven over. Daar heb je helemaal niets meer aan.’

Israël wilde niet op God vertrouwen

15De Heer, de heilige God van Israël, zegt: ‘Stel dat jullie rustig gebleven waren. Stel dat jullie alleen op mij vertrouwd hadden. Stel dat jullie bij mij teruggekomen waren. Dan had ik jullie gered! Maar jullie wilden niet op mij vertrouwen. Jullie waren ongeduldig. 16Jullie zeiden: ‘Nee! We vluchten weg voor onze vijanden. Op onze paarden gaan we er zo snel mogelijk vandoor.’

Straks zullen jullie echt moeten vluchten! Maar dan zullen de vijanden jullie inhalen. 17En dan blijft er niets van jullie leger over. Als maar één vijand jullie bedreigt, zullen duizend van jullie soldaten vluchten. En als vijf vijanden jullie bedreigen, zal jullie hele leger vluchten!

Wat blijft er dan van jullie leger over? Alleen maar een vlag op de top van een berg.’

God zal weer goed zijn voor Israël

18Toch zal de Heer op jullie wachten. Hij wacht totdat hij weer goed voor jullie kan zijn. Hij wacht totdat hij weer van jullie kan houden. Want de Heer is een rechtvaardige God. En iedereen die op hem vertrouwt, zal gelukkig zijn.

19Jullie hoeven niet meer te huilen, inwoners van Jeruzalem! Want God zal weer goed voor jullie zijn. Als hij jullie hoort roepen om hulp, zal hij antwoord geven. 20Als jullie in gevaar zijn, zal hij jullie te eten en te drinken geven.

God vertelt hoe zijn volk moet leven

God zelf leert jullie hoe je moet leven. Hij zal zich niet langer verbergen. Nee, hij zal zich laten zien. Jullie zullen God met eigen ogen zien. 21Jullie zullen een stem horen die zegt: ‘Zo moet je leven. Nu moet je dit doen, en nu moet je dat doen.’

22Dan zullen jullie je leven veranderen. En jullie zullen zeggen: ‘Weg met die beelden van zilver en goud!’ Jullie zullen die godenbeelden weggooien als afval.

Het land zal weer vruchtbaar zijn

23Volk van Israël, als jullie je leven veranderd hebben, zal de Heer jullie regen geven. Dan zal hij regen geven voor het zaad dat jullie gezaaid hebben. Van jullie akkers zal heerlijk voedsel komen! Jullie schapen zullen overal gras kunnen vinden. 24En de koeien waarmee de boer op het land werkt, zullen het beste voer krijgen. Dat voer wordt speciaal voor ze uitgezocht.

25-28Op die dag zal er overal in het land weer water zijn. Het water zal van de bergen en heuvels door grote en kleine rivieren naar beneden stromen. De zon en de maan zullen sterker gaan schijnen. Het licht van de maan zal even sterk zijn als het licht van de zon. En het licht van de zon zal zeven keer zo sterk zijn als normaal. Dan is één dag net zo licht als zeven dagen bij elkaar.

Op die dag zal de Heer voor jullie zorgen. Dan zullen jullie geen pijn meer lijden.

De vijanden zullen gedood worden

Als de Heer komt, zullen jullie vijanden gedood worden. Hun hoge torens zullen omvallen. Let op, want de Heer zal zelf komen om de vijanden te straffen. Hij komt van ver, en hij is woedend! Als hij komt, is er overal rook. Als hij spreekt, is er overal vuur. Zijn stem maakt net zo veel lawaai als een wild stromende rivier.

Hij zal de andere volken bang maken met grote rampen. Door zijn woede zullen ze in paniek raken. De Heer zal die volken helemaal in de war brengen.

De Israëlieten zullen feestvieren

29Maar jullie, volk van Israël, zullen feestvieren. Jullie zullen liederen zingen, net als op de avond voordat er een groot feest is. Jullie zullen heel vrolijk zijn. Net zo vrolijk als wanneer jullie naar de berg van de Heer gaan. Daar maken jullie muziek voor de Heer, op wie jullie vertrouwen.

De Heer zal de vijanden doden

30-31De machtige Heer zal komen om de vijanden te straffen. Hij is woedend! Hij zal hen straffen met vuur, overstromingen en hagel. Alles zal verwoest worden. De Heer zal zijn stem laten horen.

De Assyriërs zullen schrikken als de Heer zijn stem laat horen. De Heer zal hen straffen. Hij zal ze slaan met een stok, 32hij zal ze steeds blijven slaan. En dan zullen de Israëlieten muziek maken, overal zul je trommels horen.

33De lichamen van de Assyriërs zullen verbrand worden, samen met het lichaam van hun koning. De plek waar ze verbrand zullen worden, is al klaar. Het is een grote, diepe kuil, met in het midden vuur en veel hout. En de Heer zelf zorgt voor het vuur, hij zorgt ervoor dat het hout blijft branden.

31

Israël mag Egypte niet om hulp vragen

311Het zal slecht aflopen met de Israëlieten die naar Egypte gaan. Want ze vertrouwen niet op de Heer. Ze zoeken geen hulp bij de heilige God van Israël. In plaats daarvan vragen ze de Egyptenaren om hulp. Ze denken dat die hun veel soldaten, paarden en wagens zullen geven.

2Maar de Heer weet wat hij doet, hij verandert zijn besluiten niet. Hij zal rampen brengen. Hij zal hen allemaal straffen: de Israëlieten die slechte plannen bedenken, en de mensen die hen daarbij helpen.

3De Israëlieten zoeken hulp bij de Egyptenaren. Maar de Egyptenaren zijn geen goden, het zijn maar mensen. Hun paarden zijn zwak, ze hebben geen kracht. Zodra de Heer zijn macht laat zien, zullen de Egyptenaren verslagen worden. Ook de Israëlieten die hun om hulp vroegen, zullen gedood worden. Ze zullen allemaal sterven, de helpers en de mensen die geholpen worden.

De Heer zal Jeruzalem beschermen

4-5De machtige Heer zegt tegen mij: ‘Jesaja, ik zal komen, en ik zal naar de berg Sion gaan. Daar zal ik strijden voor Jeruzalem. Ik zal de stad verdedigen, ik zal voor Jeruzalem vechten. Net zoals een leeuw vecht voor zijn prooi, om hem niet kwijt te raken. Een leeuw vlucht niet voor een groep schreeuwende herders, een leeuw wordt niet bang. Een leeuw vecht. Net zo zal ik vechten voor Jeruzalem. En ik zal de stad beschermen, zoals een vogel zijn nest beschermt. Ik zal zorgen dat Jeruzalem veilig is, en ik zal de inwoners redden.’

Assyrië zal verslagen worden

6Israëlieten, jullie moeten teruggaan naar de Heer. Jullie kennen hem niet meer. 7Maar eens zullen jullie hem weer dienen. En dan gooien jullie je zelfgemaakte goden weg, die beelden van zilver en goud.

8-9Straks zal Assyrië verslagen worden. Niet door mensen, maar door de Heer. De Assyriërs zullen vluchten. Hun legers zullen geen kracht meer hebben, hun legerleiders zullen wegvluchten. En dan moeten de soldaten als slaven werken in een ander land.

Dat heeft de Heer zelf gezegd. Hij is de God die Jeruzalem beschermt. Voor hem brandt er een heilig vuur op de berg Sion.

32

In Jeruzalem zal er vrede zijn

De mensen zullen veranderen

321Straks zal er een rechtvaardige koning zijn. Hij zal het land goed besturen, en de leiders zullen weer eerlijk zijn. 2De koning en de leiders zullen de mensen beschermen. Net zoals een huis mensen beschermt tegen de wind, net zoals een dak mensen beschermt tegen de regen, en net zoals schaduw mensen beschermt tegen de zon. De koning en de leiders zullen zorgen dat de mensen een goed leven hebben.

3De mensen zullen veranderen. Ze zullen met hun ogen weer echt kunnen zien en met hun oren weer echt kunnen horen. 4Ze zullen eerst goed nadenken voordat ze iets doen. En ze zullen duidelijk kunnen zeggen wat ze bedoelen, ze zullen niet meer naar woorden zoeken.

De mensen zullen verstandig zijn

5Als er weer vrede is, zullen de mensen niet meer vertrouwen op mensen zonder verstand. En ze zullen geen respect meer hebben voor bedriegers. Want dan weten ze:

6Iemand die geen verstand heeft, zegt domme dingen. En hij bedenkt dingen die slecht zijn. Hij doet niet wat God wil, maar beledigt hem. Hij geeft geen brood aan iemand die honger heeft, en geen water aan iemand die dorst heeft.

7Een bedrieger is oneerlijk en maakt slechte plannen. Hij vertelt leugens, en zorgt zo dat arme mensen in moeilijkheden komen. Ook als die arme mensen hem smeken om eerlijk te zijn.

8Maar iemand die wijs en verstandig is, denkt goed na. Hij maakt goede plannen, en hij neemt verstandige besluiten.

De vrouwen zullen bang worden

9Vrouwen van Jeruzalem! Jullie leven zonder zorgen, jullie denken dat alles goed komt. Maar luister naar mij. 10Nog even en jullie zullen bang worden. Want dan kunnen jullie geen druiven meer plukken. Jullie oogst zal helemaal mislukken. 11Nu hebben jullie nog geen zorgen. Maar dan zullen jullie bang zijn!

Doe daarom jullie kleren uit en trek rouwkleren aan! 12Laat zien hoe wanhopig jullie zijn. Huil om de wijngaard die geen vruchten meer zal krijgen. Huil om de prachtige akkers van Jeruzalem. 13Want straks groeit er onkruid op die akkers!

Dan is er geen feest meer in de stad, en geen vreugde meer in de huizen. 14Het zal helemaal stil zijn in Jeruzalem. Die sterke stad zal door iedereen verlaten zijn, de muren en torens zullen voor altijd verwoest zijn. Dan leven er alleen nog koeien en wilde ezels.

Eens zal er weer vrede zijn

15-16Maar zo zal het niet blijven. Want de Heer zal zijn geest aan de Israëlieten geven. Dan zal de woestijn weer een tuin vol bomen worden. En in het land zal weer eerlijk rechtgesproken worden. 17En als er weer eerlijkheid en recht is, zal er vrede komen. Overal in het land zal het rustig zijn, en de mensen zullen zich weer veilig voelen. 18-19Maar het land van Israëls vijanden zal door hagel verwoest worden. Hun steden zullen instorten.

Het volk van Israël zal veilig zijn in Jeruzalem. Ze zullen er rustig kunnen wonen, er zal vrede zijn. 20Dan zijn de Israëlieten gelukkig. Want ze kunnen zaaien in de buurt van water, en hun koeien en ezels vinden overal gras.