Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

11Jesaja, de zoon van Amos, was een profeet. Hij zag in een droom wat er met het land Juda en met Jeruzalem zou gebeuren. Dat was in de tijd van de koningen Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia. Nu volgt wat Jesaja gezegd heeft.

Israël is ontrouw aan de Heer

Israël wil zijn Heer niet kennen

2Hemel en aarde, luister goed! Hoor wat de Heer zegt: ‘Ik heb altijd voor de Israëlieten gezorgd, maar zij zijn mij niet trouw gebleven. 3Koeien kennen hun baas, en ezels weten van wie ze voer krijgen. Maar de Israëlieten kennen hun Heer niet. Mijn volk wil niets van me weten.’

Israël verzet zich tegen de Heer

4Volk van Israël, het gaat niet goed met jullie. Jullie zijn slecht en doen steeds verkeerde dingen. Jullie zijn niet trouw aan de Heer. Jullie hebben geen eerbied meer voor de heilige God. Jullie zijn weggegaan bij de Heer, en jullie denken niet meer aan hem.

5-6Het gaat helemaal niet goed met jullie. Jullie lijken op iemand die zwaargewond is. Zijn hele lichaam doet pijn en overal zit bloed. Maar hij wil niet dat iemand zijn wonden verzorgt.

Waarom willen jullie geen hulp? Waarom blijven jullie je tegen de Heer verzetten? Zijn jullie nog niet genoeg gestraft?

Jeruzalem is verwoest

7Jullie land is verwoest, jullie steden zijn verbrand. Vijanden hebben de oogst van het land vernield. Jullie hebben zelf gezien hoe alles verwoest werd. 8-9Er is bijna niets over van de stad Jeruzalem. Er wonen nog maar weinig mensen. De stad is leeg, en de inwoners zijn bang.

Maar zonder de hulp van de machtige Heer zou er in Jeruzalem helemaal niemand meer in leven zijn! Dan zou iedereen gedood zijn, net als vroeger in de steden Sodom en Gomorra!

De Heer wil geen offers van moordenaars

10Leiders van Israël en inwoners van Jeruzalem, luister goed! Jullie zijn net zo slecht als de inwoners van Sodom en Gomorra! Hoor wat de Heer jullie leert.

11De Heer zegt: ‘Wat moet ik met al jullie offers? Ik heb genoeg van al die schapen. Ik heb genoeg van die vette koeien. Al die dieren, ik wil ze niet meer. 12Jullie komen steeds naar mijn tempel. Waarom doen jullie dat? 13Stop toch met die offers. Ik wil ze niet. Ik heb genoeg van jullie wierook en van al jullie feesten.

Als jullie feestvieren in de tempel, dan gedragen jullie je heel slecht. 14Ik vind jullie feesten vreselijk. Ik kan er niet meer tegen, ik wil ze niet meer. 15Hoe lang jullie ook bidden, ik luister niet. Als jullie je handen omhooghouden om te bidden, dan sluit ik mijn ogen. Want met die handen hebben jullie mensen vermoord!’

Israël moet luisteren naar de Heer

16De Heer zegt: ‘Volk van Israël, was het bloed van je handen, stop met al die misdaden. Ik kan er niet meer tegen. Maak een eind aan het kwaad. 17Leer hoe je goed moet doen, en zorg dat er eerlijk rechtgesproken wordt. Geef slechte leiders geen kans. Help weduwen, en bescherm kinderen zonder vader.

18Ik zal jullie vertellen wat jullie verkeerd gedaan hebben. Jullie zijn moordenaars, je handen zijn rood van het bloed. Toch kunnen ze weer zo wit worden als sneeuw, zo wit als witte wol. 19Want als jullie weer naar mij luisteren, dan zullen jullie een goed leven hebben. 20Maar als jullie niet naar mij luisteren, dan zullen jullie sterven in de oorlog.’

Jeruzalem is slecht geworden

21De Heer zegt: ‘Jeruzalem, het is verschrikkelijk! Je inwoners zijn mij niet trouw gebleven. Je was een stad van eerlijke mensen, maar nu ben je een stad vol moordenaars.

22Jeruzalem, je was zo mooi als zilver, maar je bent zwart en vies geworden. Je leek op goede wijn, maar nu lijk je op slechte wijn. 23Want je leiders zijn slecht. Ze doen zaken met dieven. Ze doen alles voor geld. Maar weduwen, die helpen ze niet. En kinderen zonder vader, die beschermen ze niet.

Jeruzalem zal gestraft worden

24Ik ben God, de machtige Heer, de sterke God van Israël. Ik zal mijn tegenstanders straffen. Ik zal mijn vijanden laten zien dat ik woedend ben.

25Jeruzalem, ook jou zal ik straffen. Maar door die straf zul je weer zo mooi worden als zilver. Al het vuil zal ik weghalen. 26Dan wordt alles weer zoals vroeger. Je rechters zullen weer rechtspreken en je raadgevers zullen weer goede raad geven. Dan zul je deze naam krijgen: Eerlijke Stad, Trouwe Stad.’

Jeruzalem, kom terug bij de Heer

27Inwoners van Jeruzalem, jullie stad wordt gered als er weer eerlijk rechtgesproken wordt en als jullie terugkomen bij de Heer. 28Maar als jullie de Heer verlaten en onrecht doen, zullen jullie sterven.

29Jullie hebben bomen vereerd, en offers gebracht in jullie tuinen. Maar jullie zullen je daarvoor schamen. 30Want die bomen en tuinen betekenen helemaal niets! Er zal niets van overblijven. 31En van jullie zal ook niets overblijven. Jullie rijkdom wordt afval. Alles wat jullie verzameld hebben, zal in het vuur verbrand worden. En niemand kan dat vuur doven.

2

Alles wordt anders

21Jesaja, de zoon van Amos, was een profeet. Hij zag in een droom wat er met het land Juda en met Jeruzalem zou gebeuren. Nu volgt wat Jesaja nog meer gezegd heeft.

Er komt een dag dat er vrede zal zijn

2-3Er komt een dag waarop alles anders wordt. Dan zal de tempel stevig staan, boven op de allerhoogste berg. Veel volken zullen zeggen: ‘Laten we naar de berg van de Heer gaan, naar de tempel van de God van Israël. Op de berg Sion zullen we de woorden van de Heer horen. Hij zal tegen ons spreken vanuit Jeruzalem. Hij zal ons leren wat we moeten doen. En wij zullen leven zoals hij het wil.’

Dan komen alle volken op die berg bij elkaar. 4Daar zal God als een rechter tegen hen spreken. Hij zal hun leren wat goed en slecht is. Dan zullen ze hun zwaarden en speren laten smelten in het vuur, en ze zullen er gereedschap van maken. Dan zullen de volken niet meer tegen elkaar strijden, ze zullen niet meer weten wat oorlog is.

5Volk van Israël, kom, ga mee! Laten we leven zoals de Heer het wil.

De Heer zal zijn volk straffen

De Israëlieten vereren afgoden

6God, u houdt niet meer van uw volk. Want de Israëlieten doen dezelfde slechte dingen als de andere volken. Ze hebben dezelfde vreemde gewoontes als de volken uit het oosten. En ze luisteren naar waarzeggers, net als de volken uit het westen.

7De Israëlieten worden steeds rijker. Hun land is vol zilver en goud. Hun stallen staan vol paarden, en er komen steeds meer wagens bij. 8En hun land staat vol beelden van afgoden. De Israëlieten buigen voor goden die ze zelf gemaakt hebben. 9Maar straks zullen ze moeten buigen voor hun vijanden! Want de Israëlieten moeten gestraft worden. Heer, u mag het hun niet vergeven!

De Heer zal trotse mensen straffen

10Volk van Israël, verberg je tussen de rotsen, verstop je onder de grond. Vlucht weg, want de Heer komt eraan!

Als de Heer komt, zullen alle mensen vluchten. Iedereen zal bang voor hem zijn. 11Ook trotse mensen zullen uit angst voor hem knielen en hun hoofd buigen. De dag dat de Heer komt, is dichtbij. Dan is de Heer de enige die groot en machtig is!

12De dag dat de machtige Heer komt, is dichtbij. Dan zal hij alle mensen die zichzelf geweldig vinden, hard treffen. Mensen die zichzelf groot maken, zal hij klein maken. 13Zijn woede zal alles treffen wat groot is. De hoge bomen op de Libanon-bergen. De eiken van Basan, die zo geweldig hoog zijn. 14De bergen en de hoge heuvels. 15Zijn woede zal alle hoge torens treffen, alle sterke muren van de stad. 16En de grote schepen uit Tarsis, met kostbare spullen aan boord.

De mensen zullen bang zijn

17De dag dat de Heer komt, is dichtbij! Dan is de Heer de enige die groot en machtig is! Trotse mensen worden vernederd, 18afgoden zullen verdwijnen. 19Op die dag verstoppen de mensen zich in de bergen. Of ze kruipen weg in een hol onder de grond. Ze vluchten weg. Want als de Heer zich laat zien, is iedereen bang. Bang voor zijn verschrikkelijke macht. Als hij komt, begint de aarde te beven!

20Als die dag komt, behandelen de mensen hun afgoden als afval. Die zelfgemaakte beelden van zilver en goud zijn dan voor de muizen en de ratten. De mensen zullen nooit meer voor die afgoden knielen.

21Op die dag verstoppen de mensen zich in de bergen, en ze kruipen weg in de rotsen. Ze vluchten weg. Want als de Heer zich laat zien, is iedereen bang. Bang voor zijn verschrikkelijke macht. Als hij komt, begint de aarde te beven!

Op mensen kun je niet vertrouwen

22Zoek maar geen hulp bij mensen. Want mensen betekenen helemaal niets. Zonder adem zijn ze niets meer.

3

Er zullen geen leiders meer zijn

31Inwoners van Jeruzalem en Juda, jullie zullen geen hulp meer krijgen. God, de machtige Heer, zal jullie niet meer helpen. Jullie zullen geen brood meer hebben om te eten. En jullie zullen geen water meer hebben om te drinken. 2Er zullen geen soldaten en sterke mannen meer zijn, geen rechters en profeten, geen waarzeggers, geen leiders van de stad. 3Er zullen geen officieren en hoge ambtenaren meer zijn, en ook geen raadgevers of wijze mannen.

4Kinderen zullen het land besturen. En iedereen doet wat hij zelf wil. 5De mensen zullen niets meer voor een ander doen. Kinderen hebben geen respect meer voor hun ouders. En gewone mensen hebben geen respect meer voor belangrijke mensen.

6Dan zal iemand thuis zijn broer vastpakken en tegen hem zeggen: ‘Jij hebt nog mooie kleren! Dus jij kunt de leider van ons volk zijn. Jij kunt ervoor zorgen dat er weer orde en rust komt.’ 7Maar die broer zal zeggen: ‘Denk maar niet dat ik jullie problemen kan oplossen. Ik heb zelf niet eens eten in huis. En ik heb helemaal geen mooie kleren. Je kunt mij echt geen leider van dit volk maken.’

De leiders onderdrukken het volk

8Inwoners van Jeruzalem en Juda, jullie leven niet meer zoals de Heer het wil. Jullie doen verkeerde dingen. Jullie verzetten je tegen de Heer, zelfs in het openbaar. Niet alleen met jullie woorden, maar ook met jullie daden! 9-11Eerlijke mensen leven gelukkig, met hen gaat het goed. Zij worden beloond voor hun goede daden. Maar met oneerlijke mensen gaat het niet goed. Zij worden gestraft voor hun slechte daden.

Jullie leiders behandelen de mensen niet eerlijk. Jullie leiders zijn zelfs trots op hun misdaden, net als vroeger de leiders van de stad Sodom. Maar uiteindelijk zal het slecht met hen aflopen. 12De leiders onderdrukken het volk van de Heer. Ze stelen van zijn volk, ze halen alles weg. Dit zegt de Heer tegen zijn volk: ‘Jullie leiders bedriegen jullie. Ze vertellen jullie verkeerde dingen.’

De Heer zal de leiders straffen

13-15De machtige Heer is klaar om recht te spreken. Hij zal de leiders van zijn volk straffen. Hij zegt tegen hen wat ze verkeerd gedaan hebben: ‘Leiders van Israël! Zoals brand een wijngaard totaal verwoest, zo hebben jullie mijn volk verwoest! Jullie hebben gestolen van arme mensen, en jullie bewaren hun spullen in je eigen huis. Hoe durven jullie dat te doen! Jullie onderdrukken mijn volk, en jullie mishandelen arme mensen.’

Trotse vrouwen in Jeruzalem

16-17De Heer zegt: ‘Kijk eens naar die trotse vrouwen in Jeruzalem. Kijk hoe deftig ze in de stad rondlopen. En hoe iedereen naar hen kijkt. Ze lopen rond met kleine pasjes en ze laten hun sieraden rinkelen. O, wat zijn ze trots op hun rijkdom! Maar ik zal hen straffen.

Ik zal de sluier voor het gezicht van die vrouwen wegtrekken, zodat ze zich schamen. 18-23En daarna haal ik al hun sieraden weg: alle ringen, armbanden, oorbellen en kettinkjes. Alles wat ze om hun handen, enkels of nek dragen, zal ik weghalen. En ook alle mooie kleren die ze dragen: hun dure jassen, tassen, jurken, hoofddoeken, hemdjes en sjaaltjes.’

De trotse vrouwen raken alles kwijt

24Dan ruikt er niemand meer lekker, maar stinkt het overal. De vrouwen dragen geen riem om hun middel, maar een touw. Ze hebben geen mooie haren, maar ze zijn kaal. Ze dragen geen feestkleren, maar rouwkleren. Dan is er niets meer over van hun schoonheid.

25De vrouwen van Jeruzalem zullen geen man meer hebben. Want hun mannen zullen sterven in de oorlog. 26Dan zullen de mensen huilen en rouwen in de poorten van de stad. Ze zullen bedroefd op de grond zitten.