Bijbel in Gewone Taal (BGT)
11

Er komt een koning die vrede brengt

Er zal een nieuwe koning komen

111Zoals uit een oude, omgehakte boom

een kleine, nieuwe tak kan groeien,

zo zal uit de oude familie van David

een nieuwe koning komen.

2-3De geest van God zal in hem zijn.

Die koning zal wijs zijn en verstandig,

hij zal sterk zijn en machtig.

Hij weet wat God van hem wil

en hij heeft eerbied voor de Heer.

Die koning is een goede rechter.

Hij luistert goed naar iedereen

voordat hij een oordeel geeft.

4Hij oordeelt eerlijk over zwakke mensen,

en arme mensen behandelt hij goed.

Die koning straft mensen streng voor hun fouten,

met zijn woorden doodt hij mensen die kwaad doen.

5Die koning is altijd rechtvaardig,

hij is eerlijk en trouw.

Er zal een tijd van vrede komen

6Als die koning komt, zal er vrede zijn.

Een wolf speelt met een lammetje,

en een panter ligt naast een bokje.

Een kalf eet samen met een leeuw,

en een klein kind past op beide dieren.

7Een koe en een beer lopen in één wei,

en hun jongen liggen bij elkaar.

Een leeuw eet gras,

net als een koe.

8En een kind speelt zonder angst

bij het nest van een gevaarlijke slang.

Niemand zal meer kwaad doen

9Als die koning komt, doet niemand meer kwaad.

Geen mens doet kwaad op de heilige berg van de Heer.

Want de aarde is vol met mensen die de Heer kennen,

zoals de zee overal gevuld is met water.

10De nieuwe koning zal een voorbeeld zijn.

Alle volken zullen naar hem toe gaan,

iedereen zal bij hem komen.

De stad waar hij woont, zal schitterend zijn.

De Israëlieten zullen terugkeren

11Als de nieuwe koning komt, zal de Heer de Israëlieten opnieuw helpen. Hij zal de Israëlieten die nog leven, terughalen uit verre landen. Hij zal ze terughalen uit Assyrië, Egypte, Patros, Nubië, Elam, Babylonië en Hamat. Hij zal ze terughalen van de eilanden in de Middellandse Zee.

12Als de nieuwe koning komt, zal de Heer alle volken een teken geven. Dan zullen ze alle Israëlieten laten gaan. De Heer zal de Israëlieten die eens gevlucht waren, weer bij elkaar brengen. Hij zal hen terughalen naar Israël en Juda, ook al wonen ze aan de andere kant van de wereld.

Israël en Juda zullen geen vijanden meer zijn

13Israël en Juda zullen dan geen vijanden van elkaar meer zijn. Israël is niet meer jaloers op Juda, en Juda maakt geen ruzie meer met Israël. 14Ze zullen samen hun gebied groter maken. Ze zullen het uitbreiden naar het westen, tot aan de kust waar de Filistijnen wonen. Ze zullen ook het gebied veroveren van de stammen in het oosten. En ze zullen de baas zijn in Edom en Moab, en in het gebied van de Ammonieten.

De Heer zal zijn volk terugbrengen

15Als de nieuwe koning komt, zal de Heer een pad maken door de zee van Egypte. En het water van de rivier de Eufraat zal hij door een hevige storm laten wegstromen. Die grote rivier zal veranderen in zeven kleine rivieren. De Israëlieten kunnen die rivieren met droge voeten oversteken.

16Zo kunnen de Israëlieten die nog leven, vluchten uit Assyrië. Net zoals de Israëlieten vroeger gevlucht zijn uit Egypte.

12

Een lied voor de Heer

De Heer zal zijn volk bevrijden

121Als de nieuwe koning komt, zal iemand van Gods volk zeggen:

‘Ik wil u danken, Heer.

U bent kwaad op mij geweest,

maar dat is nu voorbij.

U geeft mij weer moed.

2God, u bent mijn redder,

op u vertrouw ik.

Ik ben niet bang meer,

want u geeft mij kracht, Heer.

U beschermt me,

u hebt me bevrijd.’

Het volk zal blij zijn

3Het volk van de Heer zal blij zijn als de Heer hen bevrijd heeft. Dan genieten de mensen weer van het leven, zoals iemand geniet van fris water uit een bron. 4Als de nieuwe koning komt, zullen ze zeggen:

‘Dank de Heer!

Maak overal bekend wie hij is.

Vertel aan alle volken wat hij gedaan heeft.

5Zing een lied voor de Heer!

Want hij heeft grote dingen gedaan.

De hele aarde moet het weten.

6Inwoners van Jeruzalem, juich!

Want de God van Israël is machtig,

de heilige God die bij jullie woont.’

13

Babylonië verliest zijn macht

131Jesaja, de zoon van Amos, zag in een droom wat er met het land Babylonië zou gebeuren. Hij maakte de volgende boodschap bekend.

De Heer stuurt een leger naar Babel

Volk van Babylonië, luister. De Heer zegt: 2‘Soldaten van alle volken, zet een vlag neer op een kale berg! Geef zo het teken dat de strijd begint. Kom naar de poorten van Babel, de stad met haar machtige leiders!’

3De Heer heeft al zijn dappere soldaten bij elkaar geroepen. Zij moeten de stad Babel straffen. De Heer geeft bevelen, en zijn soldaten juichen over zijn macht! 4Er doen veel volken mee aan de strijd. Je hoort ze over de bergen komen, er komen steeds meer soldaten bij. Ze komen allemaal naar Babel, met veel lawaai komen ze dichterbij. De machtige Heer heeft zijn soldaten verzameld. 5Hij heeft ze overal vandaan gehaald, uit de verste landen. Daar komen ze al!

De Heer is woedend op de Babyloniërs. Daarom zullen zijn soldaten heel Babylonië verwoesten.

De dag dat de Heer komt, is dichtbij

6Iedereen moet huilen! Want de verschrikkelijke dag dat de Heer komt, is dichtbij. De machtige God brengt een tijd van grote rampen.

7De mensen zijn geschrokken en hun handen trillen. 8Ze zijn zo bang dat hun hele lichaam pijn doet! Ze kijken elkaar angstig aan, hun gezichten zijn wit van schrik.

9De dag dat de Heer komt, is dichtbij. Het zal een verschrikkelijke dag zijn, want de Heer is woedend. Hij zal alle slechte mensen doden. En hij zal het hele land veranderen in een woestijn. 10Dan geven de sterren aan de hemel geen licht meer. Overdag blijft de zon donker. En ’s nachts zal het licht van de maan verdwenen zijn.

De Heer zal de wereld straffen

11De Heer zegt: ‘Ik zal de wereld straffen, omdat de mensen slecht zijn en verkeerde dingen doen. Ik straf alle trotse leiders. Zij voelen zich groot en sterk, maar ik maak hen klein en zwak. 12Als ik de wereld gestraft heb, zal er bijna niemand meer leven. Er blijven zo weinig mensen over, dat je ze bijna niet kunt vinden. Je vindt nog eerder goud uit het land Ofir.

13Er komt een dag waarop ik mijn woede laat zien! Dan zal ik de aarde laten beven. Ik zal zelfs de hemel laten beven! Want ik ben de machtige Heer.’

Niemand is veilig als de Heer komt

14Op die dag zullen de mensen vluchten. Ze vluchten weg naar hun eigen land en naar hun eigen volk. Ze rennen weg als herten die op de vlucht zijn. Ze rennen door elkaar als schapen die opgejaagd worden. 15De meeste mensen worden gepakt en meteen gedood. Anderen worden eerst gevangengenomen. Maar ook zij zullen sterven.

16Op die dag zullen mensen zien hoe hun kinderen gedood worden. Ze zullen zien hoe hun huizen leeggehaald worden. En ze zullen zien hoe hun vrouwen verkracht worden.

De Meden zullen Babel aanvallen

17De Heer zegt: ‘Ik stuur het leger van de Meden naar de stad Babel. Dan hebben de inwoners van Babel niets meer aan hun rijkdom. Want de Meden laten zich niet omkopen, niet met zilver en niet met goud.

18De Meden zullen jonge mannen neerschieten met hun pijlen. Ze zullen geen medelijden hebben, zelfs niet met kinderen en baby’s.’

Babel wordt volledig verwoest

19Babel zal verwoest worden. Babel, de mooiste stad op aarde. De stad waar de Babyloniërs zo trots op zijn. God zal die stad volledig verwoesten, net zoals hij deed met de steden Sodom en Gomorra.

20In Babel zullen nooit meer mensen wonen, de stad blijft voor altijd leeg. Niemand zal er nog in de buurt komen, zelfs geen herder met zijn schapen. 21In de straten van de stad lopen dan dieren uit de woestijn. In de verwoeste huizen leven uilen en andere vogels. En overal springen bokken rond. 22In de lege huizen hoor je het gehuil van wilde honden. En in de paleizen die vroeger zo mooi waren, hoor je wolven huilen.

Zo zal er een eind komen aan Babel. Het is afgelopen met die stad!