Bijbel in Gewone Taal (BGT)
5

De leiders van Israël bedriegen het volk

51-2De Heer zegt tegen de priesters, tegen de leiders van Israël en tegen de mensen in het paleis van de koning: ‘Jullie bedriegen de Israëlieten! Dat doen jullie in de tempels van de stad Mispa en de stad Sittim, en op de berg Tabor. Jullie laten mijn volk overal afgoden vereren. Daarom zal ik rechtspreken over jullie. Ik ga jullie allemaal straffen!’

Het volk is ontrouw aan de Heer

3De Heer zegt: ‘Ik ken het volk van Israël, ik weet heel goed wat ze doen. Ze zijn mij niet trouw gebleven. Ze zijn niet meer mijn heilige volk. 4En dat kunnen ze ook niet meer worden. Ze kunnen niet meer bij me terugkomen.

Want ze gedragen zich slecht. Ze vereren andere goden, ze willen mij niet meer kennen. 5Ze zijn trots, ze denken dat ze alles mogen. En daarmee maken ze hun schuld alleen maar groter! Het zal slecht met hen aflopen, en ook met het volk van Juda!

6Ze zullen mij weer zoeken, maar ze zullen me niet vinden. Ze zullen met offers naar de tempel komen om mij te vereren. Maar ik zal me voor hen verbergen. 7Want ze zijn mij ontrouw! Ze horen niet meer bij mij, en hun kinderen ook niet. Daarom zullen hun akkers verwoest worden, en zijzelf zullen worden gedood. Dat zal nog deze maand gebeuren!’

De Heer waarschuwt voor de straf

8De Heer zegt: ‘Volk van Israël, luister! Waarschuw de mensen in Gibea, Rama en Bet-Awen. Zeg tegen de inwoners van het gebied Benjamin: ‘Pas op, de vijand komt eraan!’ 9Het duurt niet lang meer of ik zal jullie straffen. Dan zal het hele land vernietigd worden. Mijn besluit staat vast. Ik maak het nu al aan jullie bekend.’

Niemand kan Israël en Juda redden

10De Heer zegt: ‘Ik ben woedend op de leiders van Juda! Want zij pakken land af van andere mensen. Ik zal hen daar zwaar voor straffen. 11Ook de Israëlieten zal ik straffen. Ik zal zorgen dat ze onderdrukt en mishandeld worden. Want ze hebben andere goden vereerd, goden waar je niets aan hebt.

12Ik maak het volk van Israël ziek. Ik zorg dat het volk van Juda niets meer kan. 13De mensen van Israël en Juda merken nu al dat het heel slecht met hen gaat. Ze hebben hulp gevraagd aan de koning van Assyrië. Maar die kan hen niet helpen, die kan niet zorgen dat het beter gaat.

14Ik val Israël en Juda aan als een leeuw. Een leeuw die een dier verscheurt en de resten ervan wegsleept. Ik zal niets van die volken overlaten. Niemand kan hen redden. 15Ik laat hen alleen achter, totdat ze begrijpen waarom ze gestraft zijn. Dan zullen ze mij weer zoeken. Als ze bang zijn, zullen ze weer naar mij verlangen.’

6

Israël denkt dat de Heer terugkomt

61De Israëlieten zeggen tegen elkaar: ‘Kom, laten we terugkeren naar de Heer. Hij heeft ons geslagen, hij heeft ons pijn gedaan. Maar hij zal onze wonden verzorgen en ons weer beter maken. 2Binnenkort geeft hij ons een nieuw leven. Dan zullen we veilig zijn bij hem.

3Laten we onderzoeken wat de Heer van ons wil, zo snel mogelijk. Want hij komt naar ons toe! Dat is zeker, net zo zeker als het ’s ochtends licht wordt. Als de Heer komt, is hij weer goed voor ons, zoals regen goed is voor droog land.’

God wil dat zijn volk hem liefheeft

4Maar de Heer zegt tegen de mensen van Israël en Juda: ‘Wat moet ik met jullie doen? Jullie liefde voor mij verdwijnt net zo snel als dauw in de ochtend. 5Daarom heb ik steeds mijn profeten naar jullie toe gestuurd. Zij waarschuwden jullie dat jullie zouden sterven.

Het is duidelijk wat ik van jullie wil. 6Ik wil geen offers, maar liefde. Ik wil dat jullie weten wie ik ben en wat ik van jullie vraag. Dat vind ik belangrijker dan offers.

Israël is geen heilig volk meer

7Volk van Israël, jullie hebben je niet gehouden aan mijn regels. Jullie zijn mij ontrouw geworden, net zoals de mensen in de stad Adam.

8Gilead is een stad vol misdadigers, je ziet er overal sporen van bloed. 9De priesters zijn rovers geworden. Ze beroven mensen langs de weg naar Sichem, en vermoorden hen. Het is verschrikkelijk!

10Volk van Israël, ik heb afschuwelijke dingen gezien in jullie land. Jullie zijn mij niet trouw gebleven. Jullie zijn niet meer mijn heilige volk.

11En volk van Juda, ook jullie zal ik straffen!

Gods volk kiest steeds voor het kwaad

Ik wil graag een nieuwe tijd laten komen voor mijn volk.

7

71Ik wil hen graag bevrijden van het kwaad. Maar steeds als ik dat wil gaan doen, zie ik weer hoe slecht ze zijn. Ze liegen en bedriegen. Ze stelen huizen leeg, ze beroven mensen op straat.

2Ze denken dat ik niet weet hoe slecht ze zijn. Maar overal waar ze zijn, daar zijn ook hun misdaden. Ik zie alles wat ze doen!’

Opstand tegen de koning

3De Heer zegt: ‘De dienaren in het paleis zijn verraders. Ze maken de koning vrolijk, maar intussen bedenken ze een plan om hem te doden. Ze maken de leiders aan het lachen, maar intussen liegen ze tegen hen. 4Ze zijn ontrouw aan de koning, omdat ze hem haten. Hun haat lijkt op een gloeiende oven. Een oven die blijft gloeien, zelfs als er geen hout meer op het vuur gegooid wordt.

5Op het jaarlijkse feest van de koning voeren de verraders hun plan uit. Dan zorgen ze ervoor dat alle leiders dronken worden. En de koning drinkt vrolijk mee! 6Intussen verbergen de verraders hun haat. Maar hun haat is als vuur in een oven, dat ’s nachts bijna dooft, maar in de ochtend weer fel begint te branden. 7Ja, na het feest begint hun haat te branden, en komt hun woede naar buiten. Dan vernietigen ze hun leiders, ze vermoorden hun koningen. En niemand van die leiders vraagt mij om hulp.’

Het volk vraagt de Heer niet om hulp

8De Heer zegt: ‘De Israëlieten hebben steun gezocht bij andere volken. Maar daar zijn ze alleen maar slechter van geworden. 9En zelf zien ze dat niet! Ze zien niet hoe zwak ze nu zijn. Ze zien niet dat die andere volken alles van hen afgepakt hebben.

10De Israëlieten zijn trots, ze denken dat ze alles mogen. Daardoor gaat het steeds slechter met hen. Maar toch komen ze niet terug bij mij, de Heer, hun God. Ze vragen mij niet om hulp. 11Ze gedragen zich als vogels die de weg kwijt zijn. De ene keer zoeken ze steun bij Egypte, de andere keer bij Assyrië. 12De volgende keer dat ze daar hulp zoeken, houd ik hen tegen! Dan neem ik hen gevangen, zoals vogels in een net. Dan zal ik hen straffen, zoals ik al tegen hen gezegd heb.’

Het loopt slecht af met het volk

13De Heer zegt: ‘Het zal slecht aflopen met de Israëlieten. Ze zullen vernietigd worden. Want ze hebben mij in de steek gelaten. Ze wilden niet naar mij luisteren. Toen ik hen wilde bevrijden, vertelden ze leugens over mij.

14De Israëlieten vragen mij om hulp. Ze liggen te huilen op hun bed. Maar ze bidden niet echt tot mij. Ze huilen alleen omdat het brood en de wijn op zijn. Ze doen alles om mijn aandacht te krijgen. Maar ze willen mij niet dienen! 15Terwijl ik hun zo veel geleerd heb! Ik heb hen sterk gemaakt. Door mij hebben ze hun vijanden verslagen. En toch bedenken ze steeds kwade plannen tegen mij.

16Soms lijkt het alsof ze naar mij terugkeren, maar dat is niet zo. Hun leiders blijven slechte dingen over mij zeggen, daarom zullen ze sterven in de oorlog. En in Egypte zal iedereen de Israëlieten bespotten.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]