Bijbel in Gewone Taal (BGT)
13

De stam EfraĆÆm blijft ontrouw

131De Heer zegt: ā€˜Vroeger was EfraĆÆm de belangrijkste stam in IsraĆ«l. Niemand durfde tegen hun leiders in te gaan. Maar toen de mensen van EfraĆÆm de god BaƤl gingen vereren, liep het slecht met hen af!

2Toch bleven de mensen verkeerde dingen doen. Ze maakten stieren van zilver, beelden die ze zelf mooi vonden. Ze kusten die beelden en zeiden: ā€˜Aan deze beelden moet je offers brengen.ā€™ Maar die beelden zijn gewoon gemaakt door mensen!

3Daarom zal de hele stam EfraĆÆm verdwijnen, er blijft niets van ze over. Ze verdwijnen net zo snel als dauw in de ochtend, net zo snel als rook in de wind.ā€™

De Heer is Israƫls vijand geworden

4De Heer zegt: ā€˜Volk van IsraĆ«l, ik ben de Heer, jullie God. Dat ben ik al sinds jullie weggingen uit Egypte. Ik ben de enige God die jullie mogen dienen. Er is geen andere god die jullie kan redden. 5Ik zorgde voor jullie in de droge, hete woestijn. 6En daarna heb ik jullie naar dit mooie land gebracht. Ik gaf jullie meer dan genoeg te eten. Jullie hadden alles wat je nodig had.

Maar toen werden jullie trots, en jullie vergaten mij. 7Daarom ben ik jullie vijand geworden. Ik jaag op jullie als een leeuw. Als een hongerig roofdier kom ik op jullie af. 8Ik zal jullie aanvallen als een berin waarvan de jongen weggehaald zijn. Als een leeuw zal ik jullie verscheuren en opeten. Er zal niets van jullie overblijven!

9Het is afgelopen met jullie, Israƫlieten. Van mij hoeven jullie geen hulp meer te verwachten. 10-11En ook van jullie koning niet! Waar is toch de koning die jullie steden zou beschermen? En waar zijn de leiders die het land zouden regeren?

Woedend gaf ik jullie de koning waar jullie om vroegen. En woedend heb ik hem ook weer bij jullie weggehaald.ā€™

Het einde komt zeker

12De Heer zegt: ā€˜Ik zal de misdaden van de IsraĆ«lieten niet vergeten. Ik zal altijd onthouden wat ze verkeerd deden.

13De Israƫlieten zijn dom. Ook al kunnen ze kiezen voor een nieuw begin, toch doen ze dat niet. Zo kiezen ze zelf voor hun einde. 14Moet ik hen dan bevrijden? Moet ik hen dan redden uit het graf? Nee! Ik heb geen medelijden meer. Laat ze maar ziek worden. Laat de dood maar komen!

15Nu gaat het nog goed met de Israƫlieten. Maar ik zal hen straffen. Al hun waterbronnen zullen opdrogen door de verschrikkelijke hitte uit het oosten. En al hun bezittingen zullen meegenomen worden door de Assyriƫrs.