Bijbel in Gewone Taal (BGT)
5

De gewone hogepriester

51De gewone hogepriester is een mens die God om hulp mag vragen voor andere mensen. Hij brengt offers voor wat zij verkeerd gedaan hebben.

2De hogepriester weet hoe moeilijk het is om te leven zoals God het wil. Want hij leeft ook zelf niet altijd zoals God het wil. 3Daarom moet hij ook offers brengen voor wat hij zelf verkeerd gedaan heeft.

4Niemand kan zichzelf hogepriester maken. God kiest iemand uit om hogepriester te worden. Dat deed hij al bij Aäron, de eerste hogepriester.

De hogepriester in de hemel

5Ook Christus heeft zich niet zelf hogepriester gemaakt. Dat heeft God gedaan. Want in de heilige boeken heeft God tegen Christus gezegd: «Vanaf vandaag ben jij mijn Zoon en ben ik jouw Vader.» 6En God heeft ook gezegd: «Jij zult priester voor altijd zijn, net als Melchisedek.»

7Toen Christus als mens op aarde leefde, heeft hij met luide stem tot God gebeden. Vol verdriet heeft hij God gesmeekt om hem te redden van de dood. En omdat Christus veel eerbied had voor God, heeft God naar zijn gebeden geluisterd.

8Als je gehoorzaam wilt zijn aan God, dan hoort ook het lijden erbij. Zelfs Christus heeft dat moeten leren. Terwijl hij de Zoon van God is!

9-10Toen Christus gestorven was, kreeg hij alle eer in de hemel. God heeft hem daar hogepriester voor altijd gemaakt. Dankzij Christus kunnen alle mensen die hem gehoorzaam zijn, voor altijd gered worden.

Waarschuwingen

Wees volwassen in je geloof

11Ik zou jullie nog veel meer willen vertellen over Christus, die onze hogepriester voor altijd is. Maar dat is allemaal moeilijk aan jullie uit te leggen. Want ik heb gemerkt dat jullie niet goed meer luisteren.

12-14Als het gaat om het geloof, lijken jullie steeds meer op kleine kinderen die nog melk drinken bij hun moeder. Zulke kinderen kunnen nog niet vertellen wat goed en kwaad is. Volwassenen kennen het verschil tussen goed en kwaad wel. Dat hebben ze geleerd.

Jullie zouden allang volwassen moeten zijn in je geloof. Jullie horen al zo lang bij Christus, dat jullie zelf uitleg over hem zouden moeten geven. Maar zo is het niet. Ik moet bij jullie eigenlijk helemaal opnieuw beginnen met mijn lessen over Christus!

6

61Vrienden, wees toch volwassen in je geloof in Christus! Dan hoef ik niet weer bij de eerste lessen te beginnen.

Jullie weten al dat je in God moet geloven. En dat je je leven helemaal moet veranderen. 2En jullie weten ook hoe iemand bij de kerk kan gaan horen: Hij moet gedoopt worden. En als jullie daarbij je handen op zijn hoofd leggen, krijgt hij de heilige Geest. Ook weten jullie wat er aan het einde van de tijd gaat gebeuren: de doden zullen weer levend worden, en God zal rechtspreken over de wereld.

3We zullen die eerste lessen dus overslaan, als God het goedvindt.

Je krijgt maar één kans

4-6Als je bij Christus gaat horen, merk je hoe goed God voor je is. Je krijgt de heilige Geest, en je hoort het goede nieuws dat God aan de mensen vertelt. Ook maak je de wonderen mee die horen bij Gods nieuwe wereld.

Maar als je daarna je geloof opgeeft, dan spot je met de Zoon van God. Dan is het net alsof je hem zelf aan het kruis hangt. En dan zul je nooit meer bij Christus horen. Want je kunt maar één keer in hem gaan geloven.

7-8Stel dat er veel regen valt op een stuk land. Alleen als dat land het regenwater ook opneemt, kunnen er planten en bomen groeien om van te eten. Dan zegent God dat land. Maar als het land het water niet opneemt, groeien er alleen maar doornstruiken. Dan heeft niemand iets aan dat land. Het wordt door God vervloekt, en uiteindelijk wordt het platgebrand.

Zo is het ook met mensen die gemerkt hebben hoe goed God voor hen is. Als zij hun geloof opgeven, zal God hen niet zegenen.

Word niet lui in je geloof

9Beste vrienden, jullie merken dat ik jullie streng toespreek. Maar toch weet ik zeker dat jullie een goede toekomst krijgen. Jullie zullen door God gered worden. 10Want God is rechtvaardig. Hij vergeet niet hoeveel goede dingen jullie gedaan hebben. Jullie hebben andere christenen geholpen, en dat doen jullie nog steeds. Zo hebben jullie laten zien hoeveel je van God houdt.

11Ik wil heel graag dat jullie je best blijven doen, tot het moment dat God ons zal redden. We vertrouwen erop dat dat zal gebeuren. 12Word dus niet lui. Volg het goede voorbeeld van mensen die geloven en geduld hebben. Want dan krijg je wat God beloofd heeft.

God heeft beloofd dat hij ons redt

13-16Zo ging het ook met Abraham. God deed een plechtige belofte aan hem. Hij zei: «Zo zeker als ik leef, ik zal je zegenen en je heel veel nakomelingen geven.» Abraham heeft geduldig gewacht. Daarom kreeg hij wat God hem beloofd had.

Ook mensen kunnen een plechtige belofte doen. Ze noemen daarbij dan iemand die belangrijker is dan zijzelf: God. Dan weet iedereen dat ze zullen doen wat ze beloven. Toen God zijn plechtige belofte aan Abraham deed, zei God erbij: ‘Zo zeker als ik leef’. Hij noemde dus zichzelf. Hij kon ook niemand anders noemen, want niemand is belangrijker dan hij.

17God wilde ons voor altijd duidelijk maken dat zijn plan met ons niet zal veranderen. Dat deed hij met een plechtige belofte. En hij zei erbij: ‘Zo zeker als ik leef’. 18God spreekt altijd de waarheid. Dankzij zijn belofte en zijn plechtige woorden weten we dus zeker dat we gered zullen worden. Laten we daarop blijven vertrouwen!

19-20Dankzij Jezus is ons vertrouwen heel groot. Het lijkt op een anker, waarmee een schip veilig vastligt. Want Jezus is voor ons uit gegaan naar de hemel. Daar is hij Gods heilige tent binnengegaan en onze hogepriester voor altijd geworden, een priester net als Melchisedek.

7

Jezus, priester voor altijd

Melchisedek is priester voor altijd

71Dit staat over Melchisedek in de heilige boeken: «Melchisedek was koning van Salem en priester van de allerhoogste God. Abraham had eens een aantal koningen verslagen. Toen hij op de terugweg was, kwam Melchisedek hem tegemoet en zegende hem. 2En Abraham gaf hem een tiende deel van alles wat hij meegenomen had uit de oorlog.»

De naam Melchisedek betekent: rechtvaardige koning. En de naam Salem betekent: vrede. Melchisedek is dus een rechtvaardige koning en een koning van de vrede. 3Melchisedek heeft geen voorouders en geen vader of moeder. Hij is niet geboren en niet gestorven. Hij blijft dus priester voor altijd, en daarin lijkt hij op de Zoon van God.

De belangrijkste priester

4Melchisedek is erg belangrijk. Dat kun je zien aan wat Abraham, de voorvader van de Israëlieten, deed. Abraham gaf aan Melchisedek namelijk een tiende deel van alles wat hij uit de oorlog meegenomen had.

5De Israëlieten moeten volgens de wet belasting betalen, een tiende deel van hun bezit. De priesters hebben de opdracht om dat op te halen. Zij stammen af van Levi. Maar ze stammen uiteindelijk af van Abraham, net als de andere Israëlieten. De priesters halen dus belasting op bij de mensen van hun eigen volk.

6Maar Melchisedek stamde niet van Abraham af. Toch kreeg hij van Abraham een tiende deel. Melchisedek was dus belangrijker dan Abraham.

Dat zien we ook nog op een andere manier. Abraham had Gods belofte gekregen, maar Melchisedek zegende Abraham. 7En we weten allemaal: je kunt iemand alleen zegenen als je belangrijker bent dan hij.

8De Levieten die een tiende deel komen ophalen bij de Israëlieten, zijn sterfelijk. Maar Melchisedek, die van Abraham een tiende deel kreeg, blijft altijd leven. Dat staat in de heilige boeken.

9-10Die Levieten komen dus een tiende deel ophalen. Maar zelf hebben ze eigenlijk ook een tiende deel betaald. Want hun voorvader Levi stamt af van Abraham. Toen Abraham aan Melchisedek een tiende deel gaf, was Levi nog niet geboren. Hij was eigenlijk nog deel van Abraham. Je kunt daarom zeggen dat ook Levi een tiende deel aan Melchisedek betaald heeft.

Zo zien we dus dat Melchisedek een veel belangrijkere priester is dan de priesters die afstammen van Levi.

Er is een nieuw soort priester nodig

11Het volk van Israël kreeg de wet. En de belangrijkste regels van de wet gaan over het werk van de priesters. De priesters uit de stam Levi hadden ervoor moeten zorgen dat de mensen gered werden. Maar dat konden ze niet. Daarom moest er een nieuw soort priester komen. Niet iemand uit de stam Levi, maar iemand die priester voor altijd zou zijn, net als Melchisedek.

12-14Die nieuwe priester is Jezus. Onze Heer Jezus kwam niet uit de stam Levi, hij kwam uit de stam Juda. En mannen uit de stam Juda werken niet in de tempel. In de Joodse wet staat ook niet dat ze priester mogen worden. Omdat er een nieuw soort priester kwam, moest er dus ook een nieuwe wet komen.

15Het was dus al duidelijk dat er een nieuwe priester en een nieuwe wet moesten komen. En het werd nog veel duidelijker toen die nieuwe priester kwam: Jezus, een priester zoals Melchisedek. 16Volgens de Joodse wet worden mannen priester omdat ze uit een bepaalde stam komen. Maar Jezus is een heel ander soort priester. Hij is priester omdat hij voor altijd zal leven. 17Want over Jezus heeft God in de heilige boeken gezegd: «Jij zult priester voor altijd zijn, net als Melchisedek.»

18Oude regels moeten verdwijnen als ze geen nut meer hebben en zinloos zijn. 19En dat geldt ook voor de Joodse wet. Die wet heeft er namelijk niet voor gezorgd dat mensen gered kunnen worden.

Maar dankzij Jezus is er in plaats van de wet iets beters gekomen: wij mogen erop vertrouwen dat God ons zal redden. En omdat we daarop vertrouwen, leven we dichter bij God.

Jezus is priester voor altijd

20-21De Levieten werden priester zonder dat God een plechtige belofte aan hen deed. Toen Jezus priester werd, deed God wel zo’n belofte. Want in de heilige boeken staat: «De Heer heeft een plechtige belofte gedaan, waar hij zich aan zal houden: Jij zult priester voor altijd zijn.» 22Daaraan zien we dat Jezus een ander soort priester is dan de Levieten. Dankzij hem geldt nu Gods nieuwe afspraak met de mensen, en mogen wij bij Gods nieuwe wereld horen.

23De Levieten zijn sterfelijk, dus er moeten steeds weer nieuwe priesters komen. 24-25Maar Jezus leeft voor altijd. Hij blijft dus ook voor altijd priester. Daarom kan hij mensen die via hem bij God komen, voor altijd redden. Want Jezus laat ons niet in de steek.

Eén offer van Jezus was genoeg

26Jezus is de hogepriester die wij nodig hebben. Want hij hoort bij God, en hij heeft nooit iets verkeerds gedaan. Hij is volmaakt goed. En hij woont niet tussen zondige mensen, maar bij God in de hemel.

27-28De hogepriesters worden priester volgens de regels van de Joodse wet. Ze zijn mensen zoals iedereen. Daarom moeten ze elke dag offers brengen voor wat ze zelf verkeerd gedaan hebben. Pas dan kunnen ze offers brengen voor de fouten van andere mensen.

Jezus, onze hogepriester, hoeft niet elke dag te offeren. Hij hoefde maar één offer te brengen. Hij heeft namelijk zichzelf geofferd, toen hij voor de mensen stierf aan het kruis. God zelf heeft hem daarna in de hemel hogepriester voor altijd gemaakt. Dat deed God met een plechtige belofte. Die belofte zorgde ervoor dat de wet niet meer nodig was.