Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

God geeft Jezus alle eer

Door Jezus weten we wie God is

11Vroeger sprak God op allerlei manieren tegen onze voorouders, via de profeten. 2Maar nu Gods nieuwe tijd begonnen is, heeft hij tegen ons gesproken via zijn Zoon.

Gods Zoon was er al in het begin. God liet hem de hemel en de aarde maken. En nu heeft God alles wat er bestaat, aan hem gegeven. 3Door Gods Zoon weten we hoe machtig God is. Door hem weten we wie God is. Alleen door de machtige woorden van Gods Zoon kunnen de hemel en de aarde bestaan. En hij heeft ervoor gezorgd dat onze zonden vergeven zijn. Daarom zit hij nu naast God in de hemel, aan Gods rechterkant.

Jezus is belangrijker dan de engelen

4Gods Zoon is veel belangrijker dan de engelen. Alleen aan hem heeft God de naam ‘Zoon van God’ gegeven. Dat weten we uit de heilige boeken. 5Alleen tegen hem heeft God gezegd: «Vanaf vandaag ben jij mijn Zoon, vanaf vandaag ben ik jouw Vader.» En ook: «Ik zal voor jou een Vader zijn. En jij zult voor mij een Zoon zijn.» Die dingen heeft hij nooit tegen een engel gezegd.

6Verder heeft God gezegd: «Ik wil dat mijn engelen mijn Zoon eren.» En dat is gebeurd toen God zijn enige Zoon terughaalde naar de hemel.

7Over de engelen heeft God gezegd: «De engelen, mijn dienaren, heb ik gemaakt van wind en vuur.» 8-9Maar tegen zijn Zoon heeft hij gezegd: «Jij bent God. Je bent voor altijd koning. Je bent een goede en rechtvaardige heerser. Je wilt eerlijkheid, je haat het kwaad. Daarom heb ik aan jou eeuwige vreugde gegeven in de hemel, en aan niemand anders.»

10-12God heeft ook tegen zijn Zoon gezegd: «Jij bent de Heer. Je zult er altijd zijn. Jij hebt in het begin de hemel en de aarde gemaakt. Die zullen verdwijnen, net zoals oude kleren verslijten en weggegooid worden. Niets blijft ervan over. Maar jij zult voor altijd dezelfde blijven, jij zult voor altijd leven.»

13Alleen tegen zijn Zoon heeft God gezegd: «Ga naast mij zitten, aan de rechterkant. Ik zal je vijanden diep voor jou laten buigen.» Dat heeft hij nooit tegen een engel gezegd. 14Want de engelen zijn alleen maar geesten die God dienen. God stuurt ze om de mensen te helpen die gered zullen worden.

2

Blijf naar Jezus luisteren

21-3De engelen hebben aan de mensen verteld wat Gods regels en wetten zijn. Iedereen die niet naar hun woorden luistert, wordt gestraft. Maar mensen die niet luisteren naar de woorden van de Heer Jezus, worden nog veel zwaarder gestraft. Want Jezus heeft ons iets veel belangrijkers verteld: God wil ons redden. De leerlingen van Jezus hebben zijn woorden gehoord. Zij hebben ze aan ons doorgegeven. Laten we blijven doen wat Jezus gezegd heeft!

4God zelf bewijst dat de woorden van Jezus waar zijn, door allerlei wonderen en bijzondere dingen te doen. En hij geeft de heilige Geest aan gelovigen.

Jezus heerst over alles

5Als we spreken over onze redding, dan gaat het over Gods nieuwe wereld. Jezus heerst over die nieuwe wereld, niet de engelen.

6Er staat ergens in de heilige boeken: «De mens is niet belangrijk, God, en toch denkt u aan hem. De mens is maar klein, en toch vergeet u hem niet. 7Voor een korte tijd hebt u hem minder belangrijk gemaakt dan de engelen. Maar daarna hebt u hem alle eer gegeven, 8en hem over alles laten heersen.»

Die woorden gaan over Jezus. God laat Jezus heersen over alles en iedereen. Maar nu zien we dat nog niet.

9Wel zien we wat er met Jezus gebeurd is. God heeft hem voor een korte tijd minder belangrijk gemaakt dan de engelen. Jezus was toen mens, en hij heeft moeten lijden en sterven. Maar juist daarom heeft God hem alle eer gegeven in de hemel.

Gods Zoon heeft zijn leven gegeven voor alle mensen. Zo laat God zien hoe goed hij voor ons is. 10Omdat Jezus zijn lijden tot het einde toe heeft volgehouden, heeft God hem alle eer gegeven in de hemel. Zo is hij de redder van veel mensen geworden. Zo moest het gebeuren. Zo wilde God, die alles gemaakt heeft, de mensen redden.

Wij zijn Gods kinderen

11Net als Jezus zijn wij kinderen van God, de Vader. Want in de heilige boeken heeft Jezus zelf gezegd dat wij zijn broers en zussen zijn. 12Hij zegt daar: «God, ik zal aan mijn broers en zussen over u vertellen. Samen met hen zal ik u prijzen.» 13Verder zegt Jezus: «God, op u zal ik vertrouwen.» En hij zegt ook over ons: «God, hier ben ik, samen met de kinderen die u mij hebt gegeven.»

14Wij zijn dus Gods kinderen. Toch zijn we zwakke en sterfelijke mensen. Jezus werd mens zoals wij, en hij is gestorven. Alleen zo kon hij de duivel vernietigen, die de macht had over de dood. 15Wij waren ons hele leven bang voor de dood. Maar Jezus heeft ons van die angst bevrijd.

16Het is duidelijk: Jezus is gekomen om de mensen te redden, niet om de engelen te redden. Hij redt ons, de nakomelingen van Abraham. 17En daarom moest hij een mens worden, precies zoals wij. Want alleen zo kon hij hogepriester worden bij God in de hemel. Nu is hij onze hogepriester, op wie we kunnen vertrouwen en die medelijden met ons heeft. Hij zorgt ervoor dat God onze zonden vergeeft.

18Als wij in moeilijkheden komen, kan Jezus ons helpen. Juist omdat hij zelf zo veel heeft moeten lijden.