Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

11Haggai was een profeet. De Heer sprak tegen hem in het tweede jaar dat Darius koning van Perzië was. Dat gebeurde op de eerste dag van de zesde maand.

Er moet een nieuwe tempel komen

Haggai spreekt namens de Heer

De Heer gaf Haggai een boodschap voor Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en voor Jozua, de zoon van Josadak. Zerubbabel bestuurde de provincie Juda. Jozua was hogepriester.

Haggai moest het volgende zeggen: 2‘De machtige Heer zegt: ‘Volgens de mensen hier in Juda is het nog te vroeg om een nieuwe tempel te bouwen. 3Maar tegen die mensen zeg ik, de Heer: 4Mijn tempel is verwoest. Er is bijna niets meer van over. Maar jullie hebben wel mooie huizen gebouwd voor jezelf! Was het daar dan niet te vroeg voor?’

De Heer zegt dat het volk moet nadenken

5De machtige Heer zegt: ‘Denk toch eens na! Waar zijn jullie eigenlijk mee bezig? 6Jullie hebben veel gezaaid, maar de oogst is klein. Jullie eten wel, maar jullie hebben niet genoeg. Jullie drinken wel wijn, maar jullie hebben nog steeds dorst. Jullie trekken wel kleren aan, maar jullie krijgen het niet warm. Jullie krijgen wel geld voor je werk, maar het is niet genoeg om van te leven.

7Denk toch eens na! Waar zijn jullie eigenlijk mee bezig? 8Ga de bergen in, haal hout uit het bos en bouw mijn tempel weer op. Dat zal me plezier doen. Want dan kan ik daar weer worden vereerd.

9Jullie dachten dat jullie veel graan zouden oogsten. Maar jullie hebben maar weinig binnengehaald. En dat beetje graan heb ik ook nog vernietigd. Weten jullie waarom ik dat gedaan heb? Omdat er van mijn huis niets meer over is, en jullie alleen maar bezig zijn met je eigen dingen.

10Daarom komt er geen regen, daarom wil er niets groeien op het land. 11Ik zorg ervoor dat het steeds maar droog blijft. Het land en de bergen drogen uit. Er is niet genoeg te eten, er is geen graan, geen wijn en geen olijfolie. Het werk op het land levert niets op. Alle mensen en dieren hebben het moeilijk.’

Dat zegt de machtige Heer.’

Het werk aan de tempel begint

12Bestuurder Zerubbabel, hogepriester Jozua en de andere mensen in het land luisterden naar de profeet Haggai. Ze luisterden naar de dingen die hij tegen hen zei namens de Heer, hun God.

Ze schrokken ervan en ze werden bang voor de Heer. 13Maar Haggai zei dat de Heer hen niet in de steek zou laten. Ook dat zei hij namens de Heer.

14Toen begonnen Zerubbabel, Jozua en de andere mensen in het land weer te bouwen aan de tempel van God, de machtige Heer. Dat kwam door alles wat Haggai namens de Heer gezegd had. 15Ze begonnen met het werk op de 24ste dag van de zesde maand, in het tweede jaar dat Darius koning was.

2

De Heer zegt dat het volk moet volhouden

21In datzelfde jaar gaf de Heer opnieuw een opdracht aan de profeet Haggai, op de 21ste dag van de zevende maand.

2Hij moest zeggen tegen bestuurder Zerubbabel en hogepriester Jozua, en tegen de andere mensen: 3‘De machtige Heer zegt: ‘Wie van jullie heeft nog gezien hoe mooi deze tempel vroeger was? Nu ziet hij er wel anders uit! Jullie denken zeker dat hij nooit meer zo mooi kan worden als vroeger?

4Maar jullie moeten volhouden. Houd vol, Zerubbabel! Houd vol, Jozua! Iedereen moet volhouden! Ga door met het werk, want ik, de machtige Heer, zal jullie helpen. 5Dat heb ik beloofd toen jullie voorouders weggingen uit Egypte. Wees niet bang, want ik zal altijd bij jullie zijn.

6Over korte tijd, ja, al heel snel, zal ik de hele wereld laten beven. Ik zal de hemel, de aarde, de zee en het land laten beven! 7Alle volken zullen schrikken. Ze zullen hierheen komen met al hun schatten. Dan zal ik mijn tempel vullen met hun rijkdom. 8Al hun zilver en goud is dan voor mij.

9Deze tempel zal heel mooi worden, nog mooier dan vroeger. En ik zal zorgen dat jullie hier in vrede kunnen leven.’ Dat zegt de machtige Heer.’

De Heer wil de offers van het volk niet

10In het tweede jaar dat Darius koning was, op de 24ste dag van de negende maand, gaf de Heer opnieuw een opdracht aan de profeet Haggai.

11Haggai moest een vraag stellen aan de priesters. Hij zei: 12‘Soms blijft er vlees over van een offer. Gewone mensen mogen daar niet van eten, want het is heilig. Stel dat iemand in de zak van zijn jas zulk vlees bij zich heeft. En dat hij met die jas brood of gekookt eten aanraakt, of wijn of olie of zoiets. Worden die dingen dan ook heilig?’ ‘Nee,’ zeiden de priesters.

13Toen vroeg Haggai: ‘Soms raakt iemand een dood mens aan, en dan wordt hij onrein. Als hij dan brood of wijn of zoiets aanraakt, worden die dingen dan ook onrein?’ ‘Ja,’ antwoordden de priesters. ‘Dan worden die dingen onrein.’

14Toen zei Haggai: ‘Het hele volk hier is onrein. Ze doen niet wat de Heer wil. Daarom is alles wat ze oogsten onrein, en ook alles wat ze offeren. De Heer wil hun offers niet.’

De Heer doet een belofte aan het volk

15-18‘Maar let op!’ zei Haggai. ‘Vanaf vandaag zal alles anders worden. De Heer zegt: ‘Jullie wilden niet bouwen aan mijn tempel. Daarom ging het slecht met jullie.

Toen jullie graan uit de schuren wilden halen, lag er veel minder dan jullie dachten. En toen jullie wijn uit de vaten wilden halen, waren die nog niet eens halfvol. Ik zorgde ervoor dat jullie koren ziek werd. Ik liet het hagelen op jullie akkers. Maar toch deden jullie niet wat ik wilde.

Maar nu zijn jullie eindelijk begonnen met het werk aan mijn tempel! Vandaag, op de 24ste dag van de negende maand. Let op! Vanaf vandaag zal alles beter gaan, dat zullen jullie zien. 19Jullie hebben nog niet gezaaid. En er zijn nog geen olijven, geen druiven en geen andere vruchten. Maar vanaf vandaag zal ik zorgen dat alles weer goed gaat.’’

Een belofte aan Zerubbabel

20-21Op diezelfde dag gaf de Heer nog een opdracht aan Haggai. Hij moest naar Zerubbabel toe gaan, de bestuurder van Juda. En hij moest tegen hem zeggen:

‘De machtige Heer zegt: ‘Ik zal de hemel en de aarde laten beven. 22Alle koningen zullen verdwijnen, alle volken raken hun macht kwijt. Hun legers worden vernietigd. Paarden en wagens vallen om, soldaten zullen elkaar doden.

23Maar jij, Zerubbabel, zoon van Sealtiël, jij bent mijn dienaar. Ik heb jou uitgekozen om koning te zijn. Jij zult namens mij regeren.’ Dat zegt de machtige Heer.’