Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

11Habakuk was een profeet. God liet hem in een droom weten wat er zou gebeuren.

Habakuk stelt vragen aan God

Habakuk begrijpt niet wat God doet

2Habakuk zei: ‘Heer, hoe lang moet ik nog om hulp roepen? U luistert niet! Er is zo veel geweld, ik schreeuw het uit. U helpt niet! 3Waarom moet ik zo veel ellende meemaken? Uw volk heeft het moeilijk. Er is overal onrecht, ruzie en onderdrukking. Mensen doen verschrikkelijke dingen.

En u laat ze maar hun gang gaan! 4Daarom trekken ze zich niets meer aan van uw wetten. Het lijkt wel of er geen recht meer bestaat. Misdadigers onderdrukken eerlijke mensen, zij bepalen nu de wet!’

God stuurt de Babyloniërs naar Juda

5De Heer antwoordde: ‘Luister, Habakuk! Kijk eens naar de volken om je heen. Je zult stomverbaasd zijn over wat je daar ziet. Nog tijdens je leven zal ik iets verschrikkelijks doen. Als iemand erover vertelt, zal niemand het geloven.

6Ik laat de Babyloniërs komen. Ze komen snel, en ze zijn wreed. Ze trekken over de hele aarde om andere landen te veroveren. 7Ze doen alleen maar wat ze zelf willen! Iedereen is doodsbang voor dat trotse, machtige volk.

8Hun paarden zijn sneller dan panters, wilder dan hongerige wolven. Hun ruiters komen van ver, maar zijn in een paar tellen hier. Hun leger valt plotseling aan, als een roofvogel die grijpt naar zijn prooi.

9De Babyloniërs zijn snel, en ze gebruiken veel geweld. Ze zorgen overal voor angst. Ze nemen ontelbaar veel mensen gevangen. 10Koningen en leiders, daar lachen ze om! Een stad met hoge muren, die hebben ze snel veroverd! Ze klimmen zonder moeite over de muren heen. 11Daarna zijn ze meteen weer vertrokken, om een volgende stad te gaan verwoesten.

De Babyloniërs vereren hun eigen kracht, alsof die kracht hun god is. Maar daar zullen ze voor gestraft worden.’

De Babyloniërs zijn verschrikkelijk

12Habakuk zei: ‘U bent altijd onze God geweest, onze heilige God. Laat ons niet sterven, bescherm ons! U gebruikt de Babyloniërs om ons te straffen. Die macht hebt u hun gegeven.

13Heer, u kunt geen kwaad verdragen, u vindt het verschrikkelijk om onrecht te zien. Waarom doet u dan niets tegen het geweld? Waarom laat u de Babyloniërs hun gang gaan? Waarom zwijgt u als zij eerlijke mensen doden? 14Waarom maakt u de mensen zo zwak? Ze laten zich vangen als vissen in de zee, er is niemand die hen beschermt.

15-16De Babyloniërs nemen al die mensen gevangen. Ze zijn zo blij als vissers die veel vis gevangen hebben. Van blijdschap danken ze hun wapens, en ze vereren die alsof het goden zijn. 17Heer, hoe lang zullen ze daarmee doorgaan? Stoppen ze dan nooit met het vermoorden van al die volken?’

2

De Heer geeft Habakuk antwoord

21Habakuk zei: ‘Ik ga boven op een toren staan, zodat ik ver kan kijken. Misschien kom ik te weten wat de Heer tegen mij wil zeggen. Misschien geeft hij antwoord op mijn vragen.’

2Dit was het antwoord van de Heer: ‘Habakuk, schrijf op wat ik je ga vertellen. Schrijf het met duidelijke letters op een grote platte steen. Dan is het makkelijk te lezen. 3Schrijf alles op, want het duurt nog een tijd voordat het gebeurt. Zolang het niet gebeurt, moet je wachten. Ook al duurt het lang, het gaat gebeuren. Dat is zeker!’

De Babyloniërs zullen toch verliezen

4Dit moest Habakuk opschrijven: ‘Het loopt slecht af met mensen die kwaad doen. Maar mensen die goed doen en trouw zijn aan God, zullen in leven blijven.

5De Babyloniërs zijn onderdrukkers en bedriegers. Ze zijn trots. Ze stelen wat ze kunnen, ze hebben nooit genoeg. Ze willen alle landen veroveren, en alle volken gevangennemen. Maar dat zal hun nooit lukken!’

Alle volken zullen wraak nemen

6Daarna zei de Heer tegen Habakuk: ‘Op een dag zullen alle volken lachen om de Babyloniërs.

Ze zullen zeggen: ‘Babyloniërs, het loopt slecht met jullie af! Nu beroven jullie nog andere volken. Jullie pakken alles van ze af. Maar daar komt binnenkort een eind aan. 7Want die volken zullen plotseling in opstand komen. En dan zullen jullie beven van angst! Dan beroven die volken jullie, 8dan pakken zij alles af van jullie! Dat is de straf voor alles wat jullie die volken hebben aangedaan. Dat is de straf voor al dat geweld, de straf voor alle moorden die jullie gepleegd hebben.’

De Babyloniërs zijn slecht

9Alle volken zullen zeggen: ‘Babyloniërs, het loopt slecht met jullie af! Want jullie stelen van andere volken om zelf rijk en machtig te worden. En met dat gestolen geld bouwen jullie paleizen met hoge, sterke muren. Jullie denken dat jullie daar veilig zijn voor elk gevaar.

10-11Om zo machtig en rijk te worden, hebben jullie verschrikkelijk veel volken vernietigd. Jullie hebben mensen gedwongen om paleizen voor jullie te bouwen. Jullie moeten je schamen! Het zal slecht met jullie aflopen, en dat is je eigen schuld.’

God is sterker dan de Babyloniërs

12Alle volken zullen zeggen: ‘Het loopt slecht met jullie af! Want jullie hebben misdaden gepleegd om sterke steden te bouwen. Jullie hebben mensen onderdrukt en gedood. 13En jullie laten andere volken als slaven voor je werken. Maar dat werk zal allemaal voor niets zijn. Want alles zal door vuur verwoest worden. De machtige Heer zal daarvoor zorgen. 14De aarde zal vol zijn met mensen die hem kennen, zoals de zee overal gevuld is met water.’

Iedereen zal lachen om de Babyloniërs

15Alle volken zullen zeggen: ‘Het loopt slecht met jullie af! Jullie zorgen ervoor dat de andere volken doen wat jullie willen. Het lijkt wel alsof jullie die volken dronken voeren, en zij zich moeten uitkleden! 16Dan zullen ze zich vernederd voelen, en daar genieten jullie van. Jullie hebben totaal geen respect voor hen.

Maar nog even, dan zullen jullie zelf vernederd worden! Dan lijken jullie dronken, dan lijken jullie naakt! Daar zal de Heer voor zorgen. Hij zal jullie zwaar straffen. De mensen die respect voor jullie hadden, zullen jullie bespotten.

17Het is vreselijk wat jullie allemaal doen! In de Libanon-bergen hebben jullie bossen vernietigd en dieren gedood. Met veel geweld hebben jullie landen en steden veroverd. Jullie hebben veel mensen vermoord. Maar straks zijn jullie zelf het slachtoffer!’

De goden helpen de Babyloniërs niet

18-19Alle volken zullen zeggen: ‘Het loopt slecht met jullie af! Jullie vertrouwen op jullie goden, maar zij kunnen je niet helpen. Jullie zeggen tegen die goden: ‘Word wakker, sta op!’ Maar zij doen helemaal niets. Want ze zijn gemaakt door mensen. Het zijn gewoon beelden van hout, metaal of steen. Ook al zijn ze prachtig versierd met goud en zilver, er zit geen leven in. De beelden zeggen niets terug. Uit hun mond komt geen waarheid!

20Maar de Heer is anders. Hij is in zijn heilige tempel, en iedereen op aarde moet stil zijn voor hem.’’

3

Het lied van Habakuk

31Hier volgt een lied van de profeet Habakuk. Het is een gebed.

Heer, wacht niet te lang

2‘Heer, ik heb eerbied voor alles wat u doet.

Ik heb gehoord wat u wilt doen.

Doe het snel, wacht niet te lang,

laat vandaag zien wie u bent.

Heer, heb medelijden, denk aan ons,

ook al bent u kwaad.

Habakuk ziet God in een droom

3De heilige God komt uit het verre zuiden,

hij is de God van de Paran-bergen.

Het licht van zijn macht straalt aan de hemel,

zijn glans verlicht de hele aarde.

4Licht is rondom hem, zo fel als de zon.

Bliksemstralen schieten weg,

ze komen uit zijn sterke hand.

5De pest gaat voor God uit,

de dood volgt hem, waar hij ook gaat.

6Als God stil blijft staan, schudt de aarde.

Als hij rondkijkt, vluchten de volken.

Eeuwenoude bergen storten in

bij elke voetstap die hij zet.

God komt dichterbij,

7hij is al in Kusan, in Midjan.

Iedereen beeft van angst.

Habakuk ziet hoe kwaad God is

8Heer, u bent woedend.

Bent u misschien kwaad op de rivieren,

of op het water van de zee?

U komt met uw paarden en wagens.

9U spant uw boog met pijlen.

U schiet ze weg wanneer u maar wilt.

U scheurt de aarde open

met stromende rivieren.

10De bergen beven als u komt.

De regen stort naar beneden.

De zee klinkt wild en woest,

en duwt de golven omhoog.

11De zon en de maan worden donker.

U schiet uw pijlen af,

uw speren vliegen weg.

Uw bliksem verlicht de wereld.

12Woedend gaat u over de aarde,

woedend vertrapt u de volken.

De Heer komt zijn volk redden

13U komt uw volk bevrijden,

u wilt uw koning beschermen.

U vernietigt de vijanden,

hun leider wordt gedood.

14Eerst jaagden de vijanden ons weg.

Schreeuwend kwamen ze op ons af,

angstig kropen we weg.

Maar u zult hen doden met hun eigen pijlen.

15Met uw paarden rijdt u over de zee,

u gaat dwars door de woedende golven.

Habakuk vertrouwt op de Heer

16Toen de Heer mij zijn plannen liet weten,

beefde ik, mijn lippen trilden.

Ik voelde me slap, ik kon niet meer staan.

Nu wacht ik af totdat hij komt.

Hij komt onze vijanden verslaan.

17Misschien zijn er straks geen vijgen meer,

misschien geen olijven of druiven.

Misschien mislukt de graanoogst,

of gaan de schapen dood, of de koeien.

18Toch zal ik dan juichen van blijdschap.

Want ik weet dat de Heer mij redt!

19De Heer is God, hij geeft mij kracht.

Hij redt me als er gevaar dreigt,

hij helpt me als ik in nood ben.’

Voor de zangleider. Bij dit lied wordt op een harp gespeeld.