Bijbel in Gewone Taal (BGT)
48

De zonen van Jozef

481Niet lang daarna kreeg Jozef het bericht dat zijn vader ziek was. Hij ging met zijn zonen Manasse en Efraïm naar hem toe.

2Toen Jakob hoorde dat Jozef gekomen was, ging hij met moeite rechtop in bed zitten. 3En hij zei tegen Jozef: ‘De machtige God heeft zich aan mij laten zien in de stad Luz in Kanaän. Hij heeft me daar gezegend. 4Hij zei dat ik heel veel nakomelingen zou krijgen. Dat er veel volken van mij zullen afstammen, en dat het land Kanaän voor altijd van mijn nakomelingen zal zijn.

5Nu wil ik dat jouw zonen, Efraïm en Manasse, als mijn eigen zonen gelden. Ze zijn net zo belangrijk voor me als Ruben en Simeon. 6Maar als je nog meer kinderen krijgt, dan gelden die als kinderen van jou alleen. Die krijgen geen eigen grond, maar alleen grond in het gebied van Efraïm en Manasse.

7Deze twee zonen van jou zijn heel belangrijk voor me. Dat komt doordat je moeder Rachel zo vroeg gestorven is. We waren toen onderweg van Paddan-Aram naar Kanaän. We waren dicht bij Efrat, en ik heb haar daar aan de weg naar Efrat begraven.’ De stad Efrat heet tegenwoordig Betlehem.

Jozef brengt zijn zonen bij Jakob

8-10Toen Jakob merkte dat Efraïm en Manasse er ook waren, vroeg hij: ‘Wie zijn dat?’ Jakob was oud en zijn ogen waren zo slecht dat hij niet veel meer kon zien.

Jozef zei: ‘Dat zijn de zonen die God mij in Egypte gegeven heeft.’ Jakob zei: ‘Breng ze bij me. Dan zal ik ze zegenen.’ Jozef liet zijn zonen dichterbij komen, en Jakob kuste hen en omhelsde hen.

11Toen zei Jakob tegen Jozef: ‘Ik had nooit kunnen denken dat ik jou terug zou zien. En nu heeft God ervoor gezorgd dat ik zelfs je kinderen zie!’

Jakob zegent de zonen van Jozef

12Manasse en Efraïm stonden vlak voor Jakob, bij zijn knieën. Maar Jozef liet hen wat opzij gaan en knielde voor zijn vader. 13-14Daarna pakte hij zijn zonen bij de hand en bracht ze weer dicht bij Jakob. Efraïm zette hij links van Jakob, want Efraïm was de jongste. En Manasse zette hij rechts van Jakob, want Manasse was de oudste.

Jakob kruiste zijn armen. Hij legde zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm. En hij legde zijn linkerhand op het hoofd van Manasse.

15Toen zegende Jakob eerst Jozef. Daarna zei hij: ‘God is de God van mijn voorouders Abraham en Isaak. Zij leefden zoals hij het wilde. En God heeft voor mij gezorgd, mijn leven lang. 16Hij heeft mij steeds weer uit moeilijkheden gered. Nu bid ik dat hij ook goed zal zijn voor deze jongens. Dan zullen ze veel nakomelingen krijgen op aarde. En zo zal mijn naam niet vergeten worden, en de naam van mijn voorouders Abraham en Isaak ook niet.’

De jongste zoon is de belangrijkste

17Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm gelegd had. Hij dacht: Dat is niet goed. Daarom pakte hij zijn vaders hand en legde die op het hoofd van Manasse. 18Hij zei: ‘Nee, vader, u doet het niet goed! Dit is de oudste. Leg uw rechterhand op zijn hoofd.’

19Maar zijn vader zei: ‘Dat weet ik, jongen. Dat weet ik. Ook Manasse zal veel nakomelingen krijgen en machtig worden. Maar Efraïm, de jongste, zal machtiger zijn dan hij. En er zullen heel veel volken van Efraïm afstammen.’

20Toen zegende Jakob Efraïm en Manasse. Hij zei: ‘Later zullen de Israëlieten zeggen: ‘Ik hoop dat je net zo machtig wordt als Efraïm en Manasse.’’ Zo maakte Jakob Efraïm de belangrijkste.

21Daarna zei Jakob tegen Jozef: ‘Ik zal gauw sterven, maar God zal bij jullie zijn. Hij zal ervoor zorgen dat jullie allemaal terug kunnen gaan naar het land van jullie voorouders. 22Aan jou geef ik meer dan aan je broers. Ik geef jou het berggebied dat ik veroverd heb in de strijd met de Amorieten.’

49

Jakob neemt afscheid van zijn zonen

491Toen liet Jakob al zijn zonen bij zich komen. Hij zei: ‘Kom allemaal hier. Ik zal jullie vertellen hoe het in de toekomst met jullie zal gaan. 2Kom hier bij me staan. En luister naar mij, naar jullie vader Jakob.

Jakobs woorden voor Ruben

3-4Ruben, jij bent mijn oudste zoon. Jij werd het eerst geboren, toen ik nog jong en sterk was. Jij zult niet de belangrijkste zijn. Want je bent wild, zo wild als een snel stromende rivier. En je hebt me beledigd door met één van mijn vrouwen te slapen.

Jakobs woorden voor Simeon en Levi

5Simeon en Levi, jullie zijn altijd samen, en jullie staan altijd klaar om te vechten. 6Ik wil jullie plannen niet horen, ik wil niet met jullie meedoen. Want jullie hebben mensen gedood, alleen maar omdat jullie kwaad waren. En jullie hebben stieren met messen gestoken, alleen maar omdat jullie daar zin in hadden.

7Maar jullie zullen gestraft worden voor jullie woede en voor dat harde geweld! Ik zal jullie grond verdelen en aan je broers geven. En jullie worden verspreid over het land.

Jakobs woorden voor Juda

8Juda, je broers zullen je bewonderen. Je zult je vijanden verslaan. En je eigen broers zullen voor je buigen. 9Juda, mijn zoon, je bent zo sterk als een leeuw. Een leeuw grijpt een dier, eet het op en gaat daarna rusten. En niemand durft hem dan wakker te maken!

10Jij zult altijd heersen, altijd zal één van jouw nakomelingen regeren. Totdat er iemand komt die belangrijker is dan jij. Een koning die over alle volken zal heersen.

11Je zult rijk zijn. Je zult zo veel druivenplanten hebben, dat je ezels ervan mogen eten. Je zult zo veel wijn maken dat je er je kleren in kunt wassen. 12Je ogen zijn donkerder dan wijn. Je tanden zijn witter dan melk.

Jakobs woorden voor Zebulon

13Zebulon, jij zult wonen bij de zee. Jouw gebied wordt een haven waar schepen komen. De grens van je gebied zal pas bij het land Sidon zijn.

Jakobs woorden voor Issachar

14Issachar, jij bent zo sterk als een ezel. Een ezel die tussen de bagage ligt te rusten. 15Maar hij moet alle bagage op zijn rug dragen.

Zo ben jij, Issachar. Je zult rustig wonen in een mooi land. Maar je zult slavenwerk doen, en zo moe worden als die ezel.

Jakobs woorden voor Dan

16Dan, jij zult je stam leiden, en de stammen van Israël zullen respect voor je hebben. 17Jij zult zo gevaarlijk zijn als een slang die over de weg kruipt. Hij bijt in de benen van een paard, zodat de ruiter eraf valt.’

Jakob bidt

18Toen zei Jakob: ‘Heer, ik hoop dat u mij zult helpen!’

Jakobs woorden voor Gad

19Jakob ging verder: ‘Gad, rovers zullen jou achtervolgen, maar daarna zul jij hen achtervolgen.

Jakobs woorden voor Aser

20Aser, op jouw grond zal goed voedsel groeien. Zelfs koningen zullen dat heerlijke voedsel eten.

Jakobs woorden voor Naftali

21Naftali, jij bent zo vlug als een hert. Een hert dat vrij in de bossen leeft en mooie jongen krijgt.

Jakobs woorden voor Jozef

22Jozef, jij bent zo vruchtbaar als een druivenplant. Een plant die groeit bij een bron, met veel druiven, en met takken hoog tegen de muur.

23Je vijanden haatten jou. Ze hebben je aangevallen en op je geschoten met hun pijl en boog. 24Maar jouw boog bleef sterk en je handen bleven sterk. Want de machtige God heeft je geholpen. De God die mij sterk gemaakt heeft, zorgde voor jou.

25Mijn God zal je helpen. De machtige God van je vader zal jou zegenen. Hij zal voor regen uit de hemel zorgen en voor water diep uit de grond. En hij zal kinderen en kleinkinderen aan je geven. 26Ik wens je veel geluk en rijkdom toe. Meer dan je ooit kunt vinden in de bergen en de heuvels. Dat alles wens ik jou toe, Jozef. Want jij bent voor mij de belangrijkste van al mijn zonen.

Jakobs woorden voor Benjamin

27Benjamin, jij bent zo hongerig als een wolf. Een wolf die elke dag op zoek is naar dieren die hij kan grijpen.’

Jakob sterft

28Dat waren de afscheidswoorden van Jakob voor zijn zonen. Voor elk van zijn zonen had hij een eigen wens. De twaalf stammen van Israël stammen af van de twaalf zonen van Jakob.

29Daarna zei Jakob tegen zijn zonen: ‘Binnenkort zal ik sterven. Jullie moeten me dan begraven bij mijn voorouders, in de grot op het land van de Hethiet Efron. 30-32Die grot is in Machpela, bij Mamre in Kanaän. Abraham heeft die grot en dat land gekocht van Efron. Zo had hij een eigen graf. Abraham en Sara zijn daar begraven, en ook Isaak en Rebekka. En ik heb ook Lea daar begraven.’

33Nadat Jakob dat gezegd had, ging hij weer op het bed liggen. Toen stierf hij.

50

Jozef regelt de begrafenis van Jakob

501Jozef boog zich over het lichaam van zijn vader heen. Hij kuste Jakobs gezicht en hij huilde. 2Daarna gaf hij zijn artsen opdracht om het lichaam van zijn vader klaar te maken voor de begrafenis. De artsen verzorgden Jakobs lichaam met geurige olie. 3Dat deden ze veertig dagen lang. Zo lang duurde het verzorgen van een dode in Egypte. En de Egyptenaren rouwden zeventig dagen lang.

4-5Toen het tijd was om Jakob te begraven, zei Jozef tegen de dienaren van de farao: ‘Mijn vader heeft voor zijn dood gevraagd of ik hem in zijn eigen graf in Kanaän wil begraven. Ik heb hem beloofd dat ik dat zou doen. Willen jullie alsjeblieft aan de farao vragen of ik mijn vader in Kanaän mag begraven? Daarna zal ik terugkomen.’

6De farao gaf Jozef toestemming om zijn vader in Kanaän te begraven, zoals hij beloofd had.

Jakob wordt in Kanaän begraven

7Toen ging Jozef op reis om zijn vader te begraven. Alle dienaren van de farao en andere belangrijke mensen uit Egypte gingen mee. 8Ook het gezin van Jozef, zijn broers en alle familieleden gingen mee. Alleen de kleine kinderen en de dieren bleven in Gosen. 9Er reisden ook paarden en wagens mee. Het was een heel grote groep.

10Ze stopten onderweg bij de plaats Goren-Haätad, aan de overkant van de rivier de Jordaan. Daar bleven ze zeven dagen rouwen en huilen. 11Toen de inwoners van Kanaän dat zagen, zeiden ze: ‘De Egyptenaren zijn heel verdrietig.’ Die plaats bij de Jordaan wordt ook Abel-Misraïm genoemd.

12De zonen van Jakob deden wat hun vader gezegd had. 13Ze brachten hem naar Kanaän en ze begroeven hem in Machpela, dicht bij Mamre. Daar was de grot met het graf van Abraham. Die grot en dat land had Abraham gekocht van de Hethiet Efron.

14Na de begrafenis ging Jozef terug naar Egypte, samen met zijn broers en iedereen die erbij geweest was.

De broers vragen Jozef om vergeving

15De broers van Jozef werden bang, nu hun vader er niet meer was. Ze zeiden: ‘Jozef is misschien nog kwaad op ons. Hij zal ons misschien straffen omdat we hem zo slecht behandeld hebben.’

16-17Daarom stuurden ze dit bericht naar Jozef: ‘We moeten van onze vader vragen of je ons wilt vergeven. Dat heeft hij voor zijn dood gezegd. We hebben je erg slecht behandeld en je veel kwaad gedaan. Maar onze vader wil dat je ons vergeeft. Want ook wij dienen de God van onze vader.’ Toen Jozef dat hoorde, moest hij huilen.

18Daarna gingen de broers zelf naar Jozef toe. Ze knielden voor hem en zeiden: ‘We zullen je slaven worden.’ 19Maar Jozef zei: ‘Waarom zijn jullie zo bang? Ik ben God niet. 20Jullie hebben mij heel slecht behandeld, maar God heeft het goedgemaakt. Hij heeft ervoor gezorgd dat een heel volk kon blijven leven. 21Wees niet bang. Ik zal voor jullie en voor jullie kinderen zorgen.’ Zo stelde hij hen gerust met vriendelijke woorden.

De dood van Jozef

22Jozef bleef met zijn hele familie in Egypte wonen. Hij werd 110 jaar oud. 23Hij leefde nog toen de kleinkinderen van Efraïm geboren werden. Hij maakte ook nog de geboorte mee van de kinderen van Machir, de zoon van Manasse.

24Jozef zei tegen zijn broers: ‘Binnenkort zal ik sterven. Maar God zal voor jullie zorgen. Hij zal jullie weer uit dit land weghalen. Hij zal jullie terugbrengen naar het land dat hij beloofd heeft aan Abraham, Isaak en Jakob. 25Jullie moeten me plechtig beloven dat jullie dan mijn lichaam meenemen.’

26Jozef stierf in Egypte toen hij 110 jaar oud was. Zijn lichaam werd verzorgd voor de begrafenis, en in een kist gelegd.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]