Bijbel in Gewone Taal (BGT)
46

Jakob gaat naar Egypte

Jakob gaat op reis

461Jakob ging op reis. Hij nam alles mee wat hij had. Onderweg stopte hij in Berseba en daar bracht hij offers aan de God van zijn vader Isaak.

2Toen sprak God ’s nachts tegen hem in een droom. God zei: ‘Jakob! Jakob!’ Jakob antwoordde: ‘Ja, ik luister.’ 3God zei: ‘Ik ben God, de God van je vader. Wees niet bang om naar Egypte te gaan. Want ik zal je daar zo veel nakomelingen geven dat ze een groot volk worden. 4Ik zal zelf met je meegaan naar Egypte, en ik zal je ook weer terugbrengen. En als je sterft, zal Jozef bij je zijn.’

5Jakob ging weg uit Berseba. Zijn zonen zetten hem in één van de wagens die de farao meegegeven had. Ook hun vrouwen en de kleine kinderen reisden in de wagens. 6-7En zo ging Jakob naar Egypte met al zijn nakomelingen: zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters. Ze namen hun vee en al hun bezittingen uit Kanaän mee.

De nakomelingen van Jakob en Lea

8Nu volgen de namen van de zonen van Jakob die meegingen naar Egypte.

Ruben, de oudste zoon, 9ging mee, met zijn zonen Chanoch, Pallu, Chesron en Karmi. 10En Simeon ging mee, met zijn zonen Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Sochar en Saül. Saül was de zoon van Simeon en een vrouw uit Kanaän. 11En ook Levi ging mee, met zijn zonen Gerson, Kehat en Merari.

12Verder ging Juda mee. Juda had vijf zonen: Er, Onan, Sela, Peres en Zerach. Maar Er en Onan waren al gestorven in Kanaän. Peres had twee zonen, Chesron en Chamul.

13Ook Issachar ging mee, met zijn zonen Tola, Pua, Job en Simron. 14En Zebulon ging mee, met zijn zonen Sered, Elon en Jachleël.

15Al die zonen van Jakob, en zijn dochter Dina, waren nakomelingen van Jakob en Lea. Ze waren in Paddan-Aram geboren.

In totaal hadden Jakob en Lea 33 kinderen en kleinkinderen.

De nakomelingen van Jakob en Zilpa

16Ook Gad ging mee naar Egypte, met zijn zonen Sifjon, Chaggi, Suni, Esbon, Eri, Arodi en Areli. 17En Aser ging mee, met zijn zonen Jimna, Jiswa, Jiswi en Beria, en zijn dochter Serach. Beria had twee zonen, Cheber en Malkiël.

18Gad en Aser waren de kinderen van Jakob en Zilpa. Zilpa was de slavin die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had. In totaal hadden Jakob en Zilpa zestien kinderen en kleinkinderen.

De nakomelingen van Jakob en Rachel

19De zonen van Jakobs vrouw Rachel waren Jozef en Benjamin. 20Jozefs vrouw was Asnat, de dochter van Potifera, de priester van de stad On. Jozef en Asnat kregen in Egypte twee zonen, Manasse en Efraïm. 21De zonen van Benjamin waren Bela, Becher, Asbel, Gera, Naäman, Echi, Ros, Muppim, Chuppim en Ard.

22Jozef en Benjamin waren de kinderen van Jakob en Rachel. In totaal hadden Jakob en Rachel veertien kinderen en kleinkinderen.

De nakomelingen van Jakob en Bilha

23Ook Dan ging mee naar Egypte, met zijn zoon Chusim. 24En Naftali ging mee, met zijn zonen Jachseël, Guni, Jeser en Sillem.

25Dan en Naftali waren de kinderen van Jakob en Bilha, die de slavin van Rachel was. In totaal hadden Jakob en Bilha zeven kinderen en kleinkinderen.

Alle nakomelingen in totaal

26Alles bij elkaar gingen er 66 nakomelingen van Jakob mee naar Egypte. De vrouwen van zijn zonen zijn niet meegeteld. 27In Egypte was Jozef met twee zonen. Alles bij elkaar telde de familie van Jakob in Egypte zeventig personen, met hemzelf en Jozef erbij.

Jakob ontmoet Jozef

28Jakob stuurde Juda alvast vooruit. Hij moest aan Jozef de weg vragen naar het gebied Gosen. Toen Jakob en zijn familie in Gosen aangekomen waren, 29liet Jozef zijn wagen klaarmaken. Hij reed direct naar Gosen, naar zijn vader.

Toen Jozef zijn vader zag, omhelsde hij hem en hij huilde een hele tijd. 30Jakob zei tegen Jozef: ‘Nu kan ik rustig sterven. Want nu heb ik zelf gezien dat je nog leeft!’

31Jozef zei tegen zijn broers en de rest van de familie: ‘Ik ga nu naar de farao. Ik ga hem vertellen dat mijn familie uit Kanaän aangekomen is. 32Ik zal zeggen dat jullie herders zijn, en dat jullie al jullie vee meegebracht hebben: schapen, geiten en koeien.

33-34Maar jullie moeten wel weten dat de Egyptenaren een hekel hebben aan herders. Als jullie de farao ontmoeten, zal hij vragen naar jullie beroep. Jullie moeten dan heel beleefd zeggen dat jullie altijd al herders geweest zijn, net als jullie voorouders. Dan zullen jullie wel in Gosen mogen wonen.’

47

Jozefs broers ontmoeten de farao

471-2Toen ging Jozef met vijf van zijn broers naar de farao. Hij zei: ‘Mijn vader en mijn broers uit het land Kanaän zijn aangekomen. Ze zijn nu in Gosen. Ze hebben hun schapen, geiten en koeien, en al hun bezittingen bij zich.’ Daarna stelde Jozef zijn broers aan de farao voor.

3De farao vroeg aan de broers: ‘Wat is jullie beroep?’ Ze antwoordden beleefd: ‘Wij zijn herders, net als onze voorouders. 4We zijn hiernaartoe gekomen omdat de hongersnood in Kanaän heel groot is. Ook voor ons vee is er niets meer te eten. We zouden heel graag een tijd in Gosen willen wonen.’

5Toen zei de farao tegen Jozef: ‘Je vader en je broers 6mogen hier blijven. Ze mogen in Egypte wonen waar ze maar willen. Laat ze in het beste deel van het land gaan wonen, in Gosen. En als er goede herders bij zijn, laat die dan voor mijn vee zorgen.’

Jakob ontmoet de farao

7Jozef stelde zijn vader Jakob aan de farao voor. Jakob wenste de farao een lang en gelukkig leven. 8De farao vroeg aan Jakob hoe oud hij was. 9‘Ik ben 130,’ zei Jakob. ‘Dat is nog niet zo oud. Want veel van mijn voorouders zijn nog ouder geworden. Mijn hele leven heb ik rondgetrokken, en mijn leven is moeilijk geweest.’ 10Toen wenste Jakob de farao nog een keer een lang en gelukkig leven. Daarna ging hij weg.

11Jozef liet zijn vader en zijn broers wonen in het beste gedeelte van Egypte, zoals de farao gezegd had. Hij gaf hun een stuk grond in de omgeving van de stad Rameses. 12Hij zorgde ervoor dat er genoeg te eten was voor zijn vader, zijn broers en al hun kinderen.

Jozef koopt het vee in het land

13Intussen was de hongersnood in Egypte en Kanaän zo erg geworden dat er geen eten meer was. Door de honger werden de mensen steeds zwakker. 14Iedereen kocht graan bij Jozef, zodat al het geld van Egypte en Kanaän bij hem terechtkwam. En hij bracht dat geld naar de farao.

15Toen was er geen geld meer in Egypte en Kanaän. Toch kwamen de Egyptenaren bij Jozef. ‘Geef ons te eten!’ zeiden ze. ‘We hebben geen geld meer. Laat ons toch niet sterven van de honger!’ 16Jozef zei: ‘Als jullie geen geld meer hebben, geef me dan jullie vee. Dan krijgen jullie in ruil daarvoor eten.’

17Toen brachten de mensen hun vee naar Jozef. En Jozef gaf iedereen eten, in ruil voor paarden, schapen, geiten, koeien en ezels. Zo ging dat een heel jaar lang.

Jozef koopt alle grond in het land

18Een jaar later kwamen de mensen weer naar Jozef. Ze zeiden: ‘U begrijpt dat we nu niets meer hebben. Al ons geld en al ons vee hebben we aan u gegeven. We hebben alleen nog onze grond en onszelf. 19Laat ons toch niet sterven van de honger! Want dan is er niemand meer om voor de grond te zorgen. Koop ons en onze grond in ruil voor eten. Dan zullen we als slaven voor de farao werken. En geef ons ook zaad om te zaaien, want dan kunnen we toch voor de grond blijven zorgen.’

20Toen kocht Jozef alle grond van de Egyptenaren. Iedereen in Egypte verkocht zijn land, omdat er zo’n grote hongersnood was. Al het land kwam in het bezit van de farao, 21en alle mensen werden zijn slaven. 22Alleen de priesters verkochten hun land niet. Priesters werden door de farao betaald. Zij hoefden hun land niet te verkopen.

Een deel van de oogst is voor de farao

23Jozef zei tegen de mensen: ‘Jullie krijgen zaad om te zaaien. Maar jullie grond hebben jullie aan de farao verkocht. 24Dus als jullie straks koren van het land halen, moeten jullie één vijfde deel aan de farao geven. De rest mogen jullie zelf houden. Dan hebben jullie eten voor je kinderen en je familie. En dan hebben jullie ook zaad om opnieuw te zaaien.’

25De mensen zeiden: ‘U hebt ons leven gered. We zijn u dankbaar, en we zullen slaven worden van de farao.’

26Vanaf die tijd was één vijfde van de oogst in Egypte voor de farao. Dat liet Jozef in een wet opschrijven. Alleen de grond van de priesters was niet van de farao.

Het einde van Jakobs leven

Jakob wil geen graf in Egypte

27Jakob en zijn nakomelingen bleven in Egypte wonen, in Gosen. Zij kregen daar steeds meer bezit, en ze kregen ook steeds meer nakomelingen.

28Jakob leefde nog zeventien jaar in Egypte. Toen was hij 147 jaar oud. 29Hij wist dat hij niet lang meer zou leven. Daarom liet hij Jozef bij zich komen. Hij zei tegen hem: ‘Doe alsjeblieft wat ik je ga vragen. Als je van me houdt en als je een trouwe zoon bent, dan moet je het volgende plechtig beloven. Binnenkort zal ik sterven. Maar ik wil niet in Egypte begraven worden. 30Breng mij weg uit Egypte en begraaf me bij mijn voorouders.’

Jozef zei: ‘Ik zal doen wat u vraagt.’ 31Jakob zei: ‘Je moet het me plechtig beloven.’ En Jozef beloofde het. Toen maakte Jakob vanaf zijn bed een buiging.

48

De zonen van Jozef

481Niet lang daarna kreeg Jozef het bericht dat zijn vader ziek was. Hij ging met zijn zonen Manasse en Efraïm naar hem toe.

2Toen Jakob hoorde dat Jozef gekomen was, ging hij met moeite rechtop in bed zitten. 3En hij zei tegen Jozef: ‘De machtige God heeft zich aan mij laten zien in de stad Luz in Kanaän. Hij heeft me daar gezegend. 4Hij zei dat ik heel veel nakomelingen zou krijgen. Dat er veel volken van mij zullen afstammen, en dat het land Kanaän voor altijd van mijn nakomelingen zal zijn.

5Nu wil ik dat jouw zonen, Efraïm en Manasse, als mijn eigen zonen gelden. Ze zijn net zo belangrijk voor me als Ruben en Simeon. 6Maar als je nog meer kinderen krijgt, dan gelden die als kinderen van jou alleen. Die krijgen geen eigen grond, maar alleen grond in het gebied van Efraïm en Manasse.

7Deze twee zonen van jou zijn heel belangrijk voor me. Dat komt doordat je moeder Rachel zo vroeg gestorven is. We waren toen onderweg van Paddan-Aram naar Kanaän. We waren dicht bij Efrat, en ik heb haar daar aan de weg naar Efrat begraven.’ De stad Efrat heet tegenwoordig Betlehem.

Jozef brengt zijn zonen bij Jakob

8-10Toen Jakob merkte dat Efraïm en Manasse er ook waren, vroeg hij: ‘Wie zijn dat?’ Jakob was oud en zijn ogen waren zo slecht dat hij niet veel meer kon zien.

Jozef zei: ‘Dat zijn de zonen die God mij in Egypte gegeven heeft.’ Jakob zei: ‘Breng ze bij me. Dan zal ik ze zegenen.’ Jozef liet zijn zonen dichterbij komen, en Jakob kuste hen en omhelsde hen.

11Toen zei Jakob tegen Jozef: ‘Ik had nooit kunnen denken dat ik jou terug zou zien. En nu heeft God ervoor gezorgd dat ik zelfs je kinderen zie!’

Jakob zegent de zonen van Jozef

12Manasse en Efraïm stonden vlak voor Jakob, bij zijn knieën. Maar Jozef liet hen wat opzij gaan en knielde voor zijn vader. 13-14Daarna pakte hij zijn zonen bij de hand en bracht ze weer dicht bij Jakob. Efraïm zette hij links van Jakob, want Efraïm was de jongste. En Manasse zette hij rechts van Jakob, want Manasse was de oudste.

Jakob kruiste zijn armen. Hij legde zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm. En hij legde zijn linkerhand op het hoofd van Manasse.

15Toen zegende Jakob eerst Jozef. Daarna zei hij: ‘God is de God van mijn voorouders Abraham en Isaak. Zij leefden zoals hij het wilde. En God heeft voor mij gezorgd, mijn leven lang. 16Hij heeft mij steeds weer uit moeilijkheden gered. Nu bid ik dat hij ook goed zal zijn voor deze jongens. Dan zullen ze veel nakomelingen krijgen op aarde. En zo zal mijn naam niet vergeten worden, en de naam van mijn voorouders Abraham en Isaak ook niet.’

De jongste zoon is de belangrijkste

17Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm gelegd had. Hij dacht: Dat is niet goed. Daarom pakte hij zijn vaders hand en legde die op het hoofd van Manasse. 18Hij zei: ‘Nee, vader, u doet het niet goed! Dit is de oudste. Leg uw rechterhand op zijn hoofd.’

19Maar zijn vader zei: ‘Dat weet ik, jongen. Dat weet ik. Ook Manasse zal veel nakomelingen krijgen en machtig worden. Maar Efraïm, de jongste, zal machtiger zijn dan hij. En er zullen heel veel volken van Efraïm afstammen.’

20Toen zegende Jakob Efraïm en Manasse. Hij zei: ‘Later zullen de Israëlieten zeggen: ‘Ik hoop dat je net zo machtig wordt als Efraïm en Manasse.’’ Zo maakte Jakob Efraïm de belangrijkste.

21Daarna zei Jakob tegen Jozef: ‘Ik zal gauw sterven, maar God zal bij jullie zijn. Hij zal ervoor zorgen dat jullie allemaal terug kunnen gaan naar het land van jullie voorouders. 22Aan jou geef ik meer dan aan je broers. Ik geef jou het berggebied dat ik veroverd heb in de strijd met de Amorieten.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]