Bijbel in Gewone Taal (BGT)
43

De broers opnieuw in Egypte

De broers moeten weer naar Egypte

431De honger in Kanaän werd steeds erger. 2De zonen van Jakob hadden wel graan meegebracht uit Egypte, maar dat graan was op. Daarom zei Jakob tegen hen: ‘Jullie moeten weer naar Egypte gaan om eten te kopen.’

3Maar Juda zei: ‘We mogen alleen terugkomen als we Benjamin meebrengen. Dat heeft die man heel streng tegen ons gezegd. 4Als u Benjamin met ons mee laat gaan, zullen we eten voor u gaan kopen. 5Maar als u hem niet mee laat gaan, gaan we niet. We moeten onze broer meenemen. Anders mogen we echt niet terugkomen. Dat heeft die man gezegd.’

Jakob wil niet dat Benjamin meegaat

6Jakob zei: ‘Wat hebben jullie me aangedaan? Waarom hebben jullie die man verteld dat je nog een broer had?’

7Zijn zonen zeiden: ‘Die man wilde van alles weten over ons en onze familie. Hij vroeg: ‘Leeft jullie vader nog? Hebben jullie nog een broer?’ En wij hebben antwoord gegeven. We konden toch niet weten dat we dan Benjamin mee moesten brengen?’

8-9Toen zei Juda: ‘Laat Benjamin nu maar met mij meegaan. Ik zal ervoor zorgen dat er niets met hem gebeurt. Als hij niet terugkomt, is het mijn schuld. Dan mag u mij dat kwalijk nemen, mijn hele leven. En laten we nu maar meteen vertrekken. Anders zullen we allemaal sterven: wij, u en onze kinderen. 10Als we niet zo lang gewacht hadden, hadden we al twee keer naar Egypte kunnen gaan!’

Benjamin mag toch mee

11Toen zei Jakob: ‘Dan moeten jullie maar gaan. Neem wel geschenken mee voor die man. Doe de beste producten van het land in jullie zakken: geurige olie, kruiden, honing en noten. 12En neem twee keer zo veel geld mee als nodig is. Jullie moeten het geld teruggeven dat de vorige keer in de zakken met graan lag. Misschien was dat er per ongeluk in gelegd.

13Ga nu maar terug naar die man. En neem Benjamin maar mee. 14Ik hoop dat God zorgt dat die man medelijden met jullie heeft. Dan zal hij Simeon vrijlaten en Benjamin terug laten gaan. En als mijn kinderen niet terugkomen, dan moet dat maar.’

15Zo gingen de broers naar Egypte, met de geschenken en het geld. En met Benjamin.

De broers komen in het paleis

In Egypte gingen de broers naar Jozef. 16Jozef zag dat Benjamin er ook bij was. Hij zei tegen zijn belangrijkste dienaar: ‘Breng deze mannen naar mijn paleis. Slacht een dier en maak een lekkere maaltijd klaar. Want deze mannen eten vanmiddag bij mij.’

17De dienaar nam de broers mee. 18Maar de broers werden bang, omdat ze naar het paleis gebracht werden. Ze zeiden: ‘Het gaat natuurlijk om het geld dat de vorige keer in onze zakken lag. Daarom nemen ze ons mee. Straks grijpen ze ons. Dan pakken ze onze ezels af en dan moeten we slaven worden.’

19Daarom zeiden de broers bij de ingang van het paleis tegen de dienaar: 20‘Neem ons niet kwalijk, heer. Wij zijn hier al een keer eerder geweest om graan te kopen. 21-22Op de terugweg stopten we om te gaan slapen. Toen vonden we ons geld weer in de zakken met graan. Het was precies zo veel als we voor ons graan betaald hadden. We weten niet wie dat geld erin gedaan heeft. Maar we hebben het nu weer bij ons. En we hebben ook geld om nog een keer graan te kopen.’

23De dienaar zei: ‘Het is goed. Wees maar niet bang. Want ik heb het geld wel gekregen. Waarschijnlijk heeft jullie God een schat in jullie zakken gedaan.’

Toen liet de dienaar Simeon halen. 24En hij liet de broers binnen in het paleis. Hij gaf hun water om hun voeten te wassen. En hij gaf de ezels te eten. 25De broers legden hun geschenken voor Jozef klaar. Want ze hadden gehoord dat ze ’s middags met Jozef zouden eten.

Jozef huilt als hij Benjamin ziet

26Toen Jozef thuiskwam, gaven de broers hun geschenken aan hem. Ze maakten een diepe buiging.

27Jozef vroeg: ‘Hoe gaat het met jullie? De vorige keer hebben jullie verteld over jullie oude vader. Hoe gaat het nu met hem? Leeft hij nog?’ 28De broers antwoordden: ‘Onze vader leeft nog. Het gaat goed met hem.’ En ze maakten nog een keer een diepe buiging.

29Toen zag Jozef zijn broer Benjamin staan. Hij vroeg: ‘Is dat jullie jongste broer, over wie jullie verteld hebben?’ En hij zei tegen Benjamin: ‘God zal goed voor je zijn, jongen.’

30Jozef was erg ontroerd toen hij Benjamin zag. Hij voelde dat hij moest huilen. Hij liep vlug weg, naar een andere kamer. Daar huilde hij. 31Daarna waste hij zijn gezicht en ging hij weer terug.

Jozef eet met zijn broers

Jozef was nu weer rustig. Hij zei tegen zijn dienaren dat ze het eten binnen moesten brengen. 32De dienaren brachten Jozef eten aan zijn eigen tafel. De broers zaten aan een andere tafel. Er waren ook Egyptenaren bij de maaltijd, maar die hadden ook een eigen tafel. Want Egyptenaren vonden het afschuwelijk om aan één tafel te zitten met Hebreeërs.

33De tafel van de broers stond tegenover die van Jozef. De broers kregen een plaats precies in de volgorde van hun leeftijd, van de oudste tot de jongste. Ze waren daar erg verbaasd over.

34De dienaren brachten eten van Jozefs tafel naar de broers. Benjamin kreeg steeds vijf keer zo veel als de anderen. Ze dronken ook wijn, samen met Jozef. En ze werden allemaal dronken.

44

Jozef heeft een plan

441Jozef zei tegen zijn belangrijkste dienaar: ‘Vul de zakken van die mannen met graan. Doe er zo veel mogelijk in. Doe ook hun geld er weer in. 2En in de zak van de jongste broer moet je niet alleen het geld leggen, maar ook mijn zilveren beker.’ De dienaar deed wat Jozef gezegd had.

3De volgende ochtend vroeg mochten de broers met hun ezels vertrekken. 4Toen de broers de stad uit waren, zei Jozef tegen de dienaar: ‘Ga die mannen snel achterna. Als je ze ingehaald hebt, moet je zeggen: ‘Mijn meester is heel goed voor jullie geweest. Maar jullie hebben hem slecht behandeld! Waarom hebben jullie zijn zilveren beker meegenomen? 5Mijn meester drinkt altijd uit die beker. En hij kan er de toekomst mee voorspellen. Wat jullie gedaan hebben, is heel erg!’’

Benjamin heeft Jozefs beker

6De dienaar ging achter de broers aan, en zei tegen hen wat Jozef gezegd had. 7De broers zeiden: ‘Hoe kunt u dat nu zeggen? Zoiets zouden wij nooit doen! 8De vorige keer lag ons geld in onze zakken met graan. Dat geld hebben we weer meegebracht uit ons land. Waarom zouden we dan nu goud of zilver uit het huis van uw meester stelen? 9Als u die beker toch bij iemand vindt, dan moet die sterven. En de anderen worden dan uw slaven.’

10De dienaar zei: ‘Goed. Als ik de beker bij iemand vind, dan wordt die mijn slaaf. De anderen zullen vrij zijn.’

11Ze zetten allemaal hun zakken met graan op de grond en maakten ze open. 12De dienaar ging zoeken. Hij begon bij de oudste en hij eindigde bij de jongste. Hij vond de beker in de zak van Benjamin.

13Toen schrokken de broers heel erg. Ze zetten de zakken weer op hun ezels en ze gingen allemaal weer terug naar de stad.

Benjamin moet slaaf worden

14Juda en de andere broers kwamen weer bij Jozef in het paleis. Ze maakten een diepe buiging voor hem. 15Jozef zei: ‘Waarom hebben jullie dat gedaan? Jullie wisten toch wel dat ik het zou ontdekken? Want ik weet dingen die niemand weet.’

16Juda zei: ‘Wat moeten we zeggen, heer? Hoe moeten we bewijzen dat we onschuldig zijn? God heeft laten zien dat we schuldig zijn. Nu zullen we uw slaven worden, heer, degene bij wie de beker gevonden is, en wij allemaal.’

17Maar Jozef zei: ‘Nee, beslist niet! Alleen de man bij wie de beker gevonden is, wordt mijn slaaf. De anderen kunnen teruggaan naar hun vader.’

Juda vertelt over Jakobs verdriet

18Toen stapte Juda naar voren. Hij zei: ‘Neem me niet kwalijk, heer. U bent net zo machtig als de farao. Maar wilt u niet boos op mij worden? Ik wil graag nog iets zeggen.

19U hebt ons de eerste keer gevraagd of we nog een vader of een broer hadden. 20Toen hebben wij gezegd: ‘We hebben nog een oude vader en een jonge broer. Die broer is geboren toen onze vader al oud was. Hij is de enige zoon van de lievelingsvrouw van onze vader, want haar andere zoon is gestorven. Daarom houdt onze vader heel veel van onze jongste broer.’

21Toen zei u dat we onze jongste broer mee moesten nemen en dat u hem wilde zien. 22Maar wij zeiden dat hij bij zijn vader moest blijven. Want zonder hem zou onze vader sterven. 23En toen zei u dat we echt onze broer mee moesten nemen. Anders mochten we niet meer bij u komen.

24Wij zijn naar onze vader teruggegaan en we hebben hem verteld wat u gezegd had. 25Op een dag zei onze vader dat we weer graan moesten gaan kopen. 26Maar wij zeiden: ‘We gaan alleen als onze jongste broer meegaat. Alleen als we hem meenemen, wil die man ons zien.’

27Toen zei onze vader: ‘Jullie weten dat ik maar twee zonen van mijn lievelingsvrouw gekregen heb. 28De ene is verdwenen. Hij is vast en zeker door de wilde dieren opgegeten. Ik heb hem nooit meer gezien. 29Nu nemen jullie ook de andere mee. Als er iets met hem gebeurt, zal ik sterven van verdriet.’

Juda wil slaaf worden

30Mijn vader houdt zo veel van mijn jongste broer, heer. Als ik zonder hem terugkom, 31zal hij sterven. Hij is al oud. Hij zal sterven van verdriet. 32Ik heb hem beloofd dat ik voor mijn broer zou zorgen. Ik zei: ‘Als ik hem niet terugbreng, mag u mij dat kwalijk nemen, mijn hele leven lang.’

33Ach, heer, laat mij toch slaaf bij u worden in plaats van mijn broer. Laat hem weer met mijn andere broers meegaan. 34Ik kan niet naar mijn vader terug zonder mijn jongste broer. Hij zou zo verdrietig zijn! Dat kan ik niet verdragen.’

45

Jozef vertelt zijn broers wie hij is

451Jozef kon zich niet langer inhouden. Hij stuurde alle Egyptenaren die bij hem waren, weg. Toen hij alleen was met zijn broers, vertelde hij wie hij was. 2Hij begon te huilen. Hij huilde zo hard dat de dienaren buiten het hoorden. En ook in het paleis van de farao was het te horen.

3Jozef zei tegen zijn broers: ‘Ik ben Jozef! Leeft mijn vader nog?’ Maar de broers zeiden niets, want ze waren vreselijk geschrokken.

4‘Kom toch dichterbij!’ zei Jozef. Dat deden ze. Toen zei hij: ‘Ik ben Jozef! Ik ben de broer die jullie verkocht hebben. Daarna ben ik naar Egypte gebracht. 5Maar jullie hoeven niet bang te zijn. En jullie moeten ook niet boos op jezelf zijn, omdat jullie mij verkocht hebben. Want God heeft mij hierheen gestuurd. Hij heeft mij eerder dan jullie hierheen gestuurd om jullie leven te redden.

6Er is nu al twee jaar hongersnood. En er zal nog vijf jaar geen koren op het land groeien. 7Daarom heeft God mij eerder dan jullie hierheen gestuurd. Zo kan ik zorgen dat jullie blijven leven. Zo kunnen er veel mensen gered worden. 8Ik ben dus niet door jullie hierheen gestuurd, maar door God. Hij heeft ervoor gezorgd dat ik nu de belangrijkste raadgever van de farao ben. Ik heb de leiding over het paleis, en over heel Egypte.’

Jozef wil dat Jakob bij hem komt

9Jozef ging verder: ‘Jullie moeten nu meteen teruggaan naar onze vader. Jullie moeten tegen hem zeggen dat God mij de leiding gegeven heeft in Egypte. Hij moet zo snel mogelijk naar mij toe komen. 10Hij kan in het gebied Gosen wonen. Dat is dicht bij mij. Hij kan al zijn kinderen en kleinkinderen meenemen, en ook zijn schapen en geiten, zijn koeien en alles wat hij heeft. 11Er zal nog vijf jaar honger zijn. Maar ik zal voor hem zorgen. Dan zal hij het goed hebben, en ook de hele familie en alle dieren.’

12Jozef zei nog eens: ‘Jullie zien toch wel dat ik het ben? Benjamin, jij ziet het toch ook? 13Vertel maar aan onze vader hoe belangrijk ik ben in Egypte. Vertel alles wat jullie gezien hebben. En breng hem dan vlug hierheen.’

14Daarna omhelsde Jozef zijn broer Benjamin, en hij huilde. Ook Benjamin moest huilen. 15Huilend kuste Jozef al zijn broers. Pas daarna durfden de broers met hem te praten.

Ook de farao wil dat Jakob komt

16Ook in het paleis van de farao hoorden ze dat de broers van Jozef gekomen waren. De farao en zijn dienaren waren erg blij. 17De farao zei tegen Jozef: ‘Zeg tegen je broers dat ze de zakken met graan weer op hun ezels moeten zetten. En dat ze terug moeten gaan naar het land Kanaän. 18Ze moeten hun vader en hun gezinnen ophalen, en dan hierheen komen. Ik zal ze het beste stuk land van Egypte geven, zodat ze genoeg te eten hebben.

19Je moet ook zeggen dat ze wagens uit Egypte mee moeten nemen. Dan kunnen hun vader en hun vrouwen en kinderen hiernaartoe komen in die wagens. 20En het is niet erg als ze niet al hun spullen mee kunnen nemen. Want ze krijgen hier het beste dat er in Egypte te vinden is.’

Jozef geeft zijn broers geschenken

21Het gebeurde zoals de farao gezegd had. Jozef gaf zijn broers wagens mee en eten voor onderweg. 22Hij gaf ze ook nieuwe kleren. Benjamin kreeg vijf keer zo veel nieuwe kleren als de anderen, en ook nog 300 zilverstukken. 23Voor zijn vader gaf Jozef twintig ezels mee met de beste producten van Egypte, en graan en brood. De ezels droegen ook eten voor onderweg.

24Toen Jozef afscheid nam, zei hij: ‘Wees maar niet bang onderweg.’

De broers vertellen Jakob over Jozef

25De broers gingen weg uit Egypte. Ze kwamen weer in Kanaän, bij hun vader Jakob. 26‘Jozef leeft nog!’ zeiden ze tegen Jakob. ‘Hij regeert over heel Egypte!’ Maar Jakob werd niet blij, want hij geloofde het niet.

27Maar de broers vertelden alles wat Jozef gezegd had. En Jakob zag ook de wagens die Jozef meegegeven had. Toen pas reageerde hij. 28Hij zei: ‘Ik weet genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog! Ik wil naar hem toe. Ik wil hem zien voordat ik sterf.’