Bijbel in Gewone Taal (BGT)
39

Jozef bij Potifar

Jozef wordt verkocht aan Potifar

391Jozef was naar Egypte gebracht. Daar hadden de handelaars hem verkocht aan een Egyptenaar die Potifar heette. Potifar had de leiding over de lijfwacht van de farao. 2De Heer hielp Jozef, zodat het goed met hem ging. Hij mocht in het huis van Potifar werken.

3Potifar begreep dat de Heer Jozef hielp. Want alles wat Jozef deed, ging goed. 4Daarom had hij vertrouwen in Jozef. Jozef werd zijn persoonlijke dienaar. Potifar gaf hem ook de leiding over alles wat er in zijn huis gebeurde. Jozef zorgde voor al zijn bezittingen.

5Vanaf die tijd ging het goed met al het bezit van Potifar, in zijn huis en op het land. Daar zorgde de Heer voor, omdat Jozef bij Potifar in dienst was. 6Potifar liet alles aan Jozef over. Hij bepaalde zelf alleen nog maar wat hij elke dag wilde eten. Verder hoefde hij nergens meer aan te denken.

De vrouw van Potifar wil met Jozef naar bed

Jozef was heel knap en hij zag er goed uit. 7De vrouw van Potifar wilde met Jozef naar bed. Ze zei: ‘Kom bij me liggen.’

8Maar Jozef wilde niet. Hij zei tegen haar: ‘Mijn meester bemoeit zich hier in huis nergens mee. Hij laat mij overal voor zorgen. 9Er is hier niemand die zo belangrijk is als ik. Alles heeft mijn meester mij gegeven. Behalve u, want u bent zijn vrouw. Wat u vraagt, kan ik niet doen. Want dan zou ik iets doen wat God verschrikkelijk vindt.’

10Elke dag vroeg ze weer of Jozef met haar naar bed wilde. Maar hij deed het niet.

De vrouw van Potifar vertelt leugens

11Op een dag was Jozef in huis aan het werk. Er was verder niemand. 12Toen pakte de vrouw van Potifar Jozef bij zijn kleren en zei: ‘Kom hier, kom bij me liggen!’ Maar Jozef rukte zich los en vluchtte naar buiten. Zijn jas bleef achter bij de vrouw van Potifar.

13De vrouw zag dat Jozef zijn jas had laten liggen, en ze begreep dat hij gevlucht was. 14Ze riep haar dienaren en zei: ‘Mijn man heeft die Hebreeër in huis gehaald. En kijk nou hoe die ons beledigt! Hij kwam bij me en wilde met me naar bed! Maar ik begon hard te roepen. 15Toen liet hij zijn jas liggen en vluchtte naar buiten.’

16Ze liet de jas van Jozef naast zich liggen totdat haar man thuiskwam. 17Toen vertelde ze hem hetzelfde verhaal: ‘Die Hebreeuwse slaaf van je is bij mij geweest. Hij heeft me beledigd. Hij wilde met me naar bed! 18Maar ik begon hard te roepen. Toen liet hij zijn jas liggen en vluchtte naar buiten.’

19Toen Potifar het verhaal van zijn vrouw hoorde, werd hij woedend. 20Hij liet Jozef oppakken en naar de gevangenis van de farao brengen.

Jozef in de gevangenis

Jozef komt in de gevangenis

Zo kwam Jozef in de gevangenis terecht. 21Maar de Heer hielp hem. Hij zorgde ervoor dat de bewaker van de gevangenis vertrouwen had in Jozef. 22De bewaker gaf hem de leiding over de andere gevangenen en over het werk dat zij deden. 23Hij liet Jozef alles doen. De bewaker hoefde zelf nergens meer aan te denken. Want de Heer hielp Jozef, en daardoor ging alles goed wat Jozef deed.

40

Er komen nog twee gevangenen

401Een tijd later maakten twee dienaren van de farao een ernstige fout. Het waren de belangrijkste wijnschenker en de belangrijkste bakker van de farao. 2De farao was woedend op hen. 3Hij stuurde hen naar de gevangenis van het hoofd van de lijfwacht. Daar zat ook Jozef gevangen. 4Het hoofd van de lijfwacht gaf Jozef opdracht om voor hen te zorgen.

De dienaren van de farao dromen

Toen de wijnschenker en de bakker al een tijd in de gevangenis zaten, 5kregen ze op een nacht allebei een droom. Hun dromen waren allebei heel bijzonder.

6De volgende ochtend kwam Jozef bij hen. Hij vond dat ze er slecht uitzagen. 7Hij vroeg: ‘Waarom kijken jullie vandaag zo somber?’

8Ze zeiden: ‘Wij hebben allebei gedroomd. Maar er is hier niemand die onze dromen kan uitleggen.’

Toen zei Jozef: ‘Alleen God weet wat dromen betekenen. Maar vertel mij jullie dromen eens.’

Jozef legt de ene droom uit

9De wijnschenker vertelde zijn droom aan Jozef. Hij zei: ‘In mijn droom zag ik een druivenplant. 10Het was een plant met drie takken. Terwijl de takken nog groeiden, bloeide de plant al. En meteen hingen er ook rijpe druiven aan. 11Ik had de beker van de farao in mijn hand. Ik plukte de druiven, en ik perste ze uit in de beker. Daarna gaf ik de beker aan de farao.’

12Jozef zei: ‘Die droom betekent het volgende. Die drie takken zijn drie dagen. 13Binnen drie dagen zal de farao je uit de gevangenis halen. Hij zal je weer in dienst nemen. En je zult weer wijn voor hem inschenken, net als vroeger.

14Ik hoop dat je later aan mij denkt. Als het goed met je gaat, help mij dan. Vertel de farao over mij. En zorg dat ik uit de gevangenis kom. 15Want ik ben ontvoerd uit het land van de Hebreeërs en daarna ben ik in de gevangenis gezet. Maar ik heb helemaal niets verkeerds gedaan!’

Jozef legt de andere droom uit

16De bakker hoorde dat de droom van de wijnschenker iets goeds betekende. Hij zei tegen Jozef: ‘Ik droomde ook zoiets! Ik had drie manden met brood op mijn hoofd. 17In de bovenste mand zat het lekkerste brood. Dat was voor de farao. Maar er kwamen vogels en die aten alles op.’

18Toen zei Jozef: ‘Die droom betekent het volgende. Die drie manden zijn drie dagen. 19Binnen drie dagen zal de farao je uit de gevangenis halen. Hij zal je laten onthoofden en je lichaam ophangen aan een paal. Dan zullen de vogels het vlees van je lichaam eten.’

Alles gaat zoals Jozef gezegd heeft

20Drie dagen later was de farao jarig. Hij gaf een feest voor al zijn dienaren. Hij liet de wijnschenker en de bakker uit de gevangenis halen. 21De wijnschenker werd weer de belangrijkste schenker. Voortaan schonk hij weer wijn in voor de farao. 22Maar de bakker werd opgehangen.

Zo gebeurde er precies wat Jozef gezegd had. 23Maar de schenker dacht niet meer aan Jozef. Hij was hem vergeten.

41

De dromen van de farao

De farao droomt twee keer

411Er gingen twee jaren voorbij. Toen kreeg de farao een droom. Hij droomde dat hij bij de rivier de Nijl stond. 2Hij zag zeven koeien uit de rivier komen. Het waren mooie, vette koeien. Ze begonnen gras te eten aan de kant van de rivier.

3Daarna kwamen er nog zeven koeien uit het water. Dat waren lelijke, magere koeien. Ze liepen naar de plek waar de andere koeien stonden. 4En de magere koeien aten de zeven mooie, vette koeien op. Toen werd de farao wakker.

5Maar hij viel weer in slaap, en hij kreeg nog een droom. Er kwamen zeven mooie, dikke stengels koren uit een plant. 6Daarna kwamen er nog zeven stengels uit. Die waren dun, en verdord in de hete oostenwind. 7De dunne stengels aten de zeven dikke stengels op.

Toen werd de farao weer wakker. Hij begreep dat hij gedroomd had.

De schenker denkt aan Jozef

8De volgende ochtend liet de farao alle wijze mannen van Egypte bij zich komen. Hij vertelde hun wat hij gedroomd had. Want hij maakte zich zorgen over die dromen. Maar niemand kon hem vertellen wat de dromen betekenden.

9Toen zei de wijnschenker: ‘U weet dat ik een tijd geleden een fout gemaakt heb. 10U was toen woedend op mij en op de bakker. En u stuurde ons naar de gevangenis. 11Daar hadden wij op een keer allebei een droom. Het waren bijzondere dromen, maar ze waren heel verschillend. 12Er was in de gevangenis ook een jonge Hebreeuwse man. Hij was slaaf geweest bij de man die de leiding heeft over de lijfwacht. Toen we aan hem onze dromen vertelden, heeft hij ze uitgelegd.

13En daarna gebeurde er precies wat hij gezegd had. Ik mocht weer schenker zijn en de bakker werd opgehangen.’

De farao laat Jozef halen

14Toen liet de farao snel Jozef uit de gevangenis halen. Jozef werd geschoren en hij kreeg schone kleren aan. Daarna ging hij naar de farao.

15De farao zei: ‘Ik heb gedroomd. En niemand kan me vertellen wat die droom betekent. Maar ik heb gehoord dat jij elke droom kunt uitleggen.’

16‘O nee,’ zei Jozef. ‘Dat kan alleen God. Ik hoop dat hij een goede boodschap voor u heeft.’

De farao vertelt zijn dromen

17De farao vertelde zijn dromen aan Jozef. Hij zei: ‘Ik stond aan de kant van de rivier de Nijl. 18Toen kwamen er zeven koeien uit de rivier. Het waren mooie, vette koeien. Ze begonnen gras te eten aan de kant van de rivier.

19Maar daarna kwamen er zeven andere koeien uit het water. Lelijke, magere koeien. Ik had in Egypte nog nooit zulke lelijke koeien gezien! 20Toen aten de magere, lelijke koeien de zeven vette koeien op. 21Maar de magere koeien werden niet vetter. En ze bleven lelijk. Toen werd ik wakker.

22Even later droomde ik weer. Ik zag uit één plant zeven dikke, mooie stengels koren komen. 23Maar daarna zeven dunne stengels, die verdord waren door de hete oostenwind. 24De dunne stengels aten de dikke stengels op.

Ik heb die dromen aan de wijze mannen verteld. Maar niemand kon ze uitleggen.’

Jozef legt de dromen uit

25Jozef zei tegen de farao: ‘Uw dromen betekenen allebei hetzelfde. Met die dromen vertelt God u wat hij gaat doen. 26De zeven mooie koeien zijn zeven jaren, net als de zeven mooie stengels. 27De zeven magere, lelijke koeien zijn ook zeven jaren, net als de zeven dunne, droge stengels. Dat zijn zeven jaren waarin iedereen honger zal lijden.

28Het is zoals ik u zei, farao. God heeft u laten zien wat hij gaat doen. 29Er komen eerst zeven goede jaren. Dan zal er in het hele land heel veel koren groeien. 30Daarna komen er zeven slechte jaren. Dan zal iedereen honger lijden. Alle rijkdom is dan vergeten. De honger zal verschrikkelijk zijn. 31Niemand merkt dan nog iets van de rijkdom van vroeger.

32U hebt twee keer hetzelfde gedroomd. Dat betekent dat Gods besluit vaststaat. En dat hij het snel laat gebeuren.’

Jozef heeft een plan voor Egypte

33Jozef ging verder: ‘Farao, u kunt het beste iemand zoeken die wijs en verstandig is. Geef hem de leiding over het land.

34-35Verder moet u ervoor zorgen dat alle mensen in de zeven goede jaren een vijfde deel van hun oogst inleveren. In alle steden van Egypte moet graan bewaard worden. 36Dat graan is voor de zeven slechte jaren. Dan zullen de mensen in Egypte niet sterven van de honger.’

Jozef krijgt de leiding over het land

37De farao en zijn dienaren vonden dat Jozef een goed plan had. 38De farao zei tegen zijn dienaren: ‘De geest van God is in deze man. Nergens zullen we iemand vinden zoals hij.’

39Toen zei de farao tegen Jozef: ‘God heeft ervoor gezorgd dat je dit allemaal weet. Niemand is zo wijs en verstandig als jij. 40Daarom krijg jij de leiding over mijn paleis en over mijn volk. Iedereen zal doen wat jij wilt. Ik zal de enige zijn die meer macht heeft dan jij. 41Ik geef je de leiding over heel Egypte.’

42Toen deed de farao zijn koninklijke ring af. Hij deed hem aan Jozefs hand. Hij gaf Jozef ook mooie kleren, en hij hing hem een gouden ketting om. 43Daarna liet hij Jozef rondrijden in één van de mooiste wagens van het land. Voor de wagen liepen dienaren. Die riepen tegen de mensen: ‘Buigen! Buigen!’

Zo kreeg Jozef de leiding over heel Egypte. 44De farao zei: ‘Ik ben de farao. Maar iedereen in Egypte heeft jouw toestemming nodig om iets te doen.’

45-46De farao gaf Jozef een Egyptische naam: Safenat-Paneach. En hij liet hem trouwen met Asnat. Dat was een dochter van Potifera, de priester van de stad On.

Jozef was dertig jaar oud toen hij in dienst kwam van de farao. Hij ging weg uit het paleis om door het land te reizen. Hij kwam in heel Egypte.

Er komen zeven goede jaren

47Er kwamen zeven goede jaren. In die jaren groeide er heel veel koren in het land. 48Jozef verzamelde alles. In alle steden bewaarde hij graan. In elke stad werd het graan bewaard van de akkers eromheen. 49Jozef verzamelde veel graan, zo veel als het zand bij de zee. Er was zo veel, dat ze niet meer konden uitrekenen hoeveel het was.

50Voordat de slechte jaren begonnen, kregen Jozef en Asnat twee zonen. 51Jozef noemde de eerste Manasse. Hij zei: ‘Ik ben al mijn verdriet vergeten. En ik mis mijn familie niet meer. Daar heeft God voor gezorgd.’ 52De tweede zoon noemde hij Efraïm. Hij zei: ‘God heeft mij kinderen gegeven in dit land, waar ik eerst zo ongelukkig was.’

Er komen zeven arme jaren

53Na de zeven goede jaren in Egypte 54begonnen de zeven slechte jaren. Het ging precies zoals Jozef gezegd had. Overal was hongersnood. Alleen in Egypte was er genoeg te eten.

55Toen de mensen daar ook honger kregen, gingen ze naar de farao. Ze schreeuwden dat ze eten wilden. De farao zei: ‘Ga maar naar Jozef, en doe wat hij zegt.’ 56In het hele land was hongersnood, en de honger werd steeds erger. Maar er was overal graan bewaard, en Jozef verkocht dat nu aan de mensen.

57Niet alleen in Egypte was hongersnood, maar ook in andere landen. En uit alle landen kwamen de mensen naar Egypte om graan te kopen bij Jozef.