Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

De slang praat met de vrouw

31De slang was een slim dier, het slimste van alle dieren die God, de Heer, gemaakt had. De slang vroeg aan de vrouw: ‘God heeft zeker gezegd dat je van geen enkele boom in de tuin mag eten?’

2‘Nee,’ zei de vrouw. ‘We mogen de vruchten eten van alle bomen, 3behalve van de boom in het midden van de tuin. Als we van die boom eten, of hem alleen maar aanraken, zullen we sterven. Dat heeft God gezegd.’

4‘Sterven?’ zei de slang. ‘Jullie zullen helemaal niet sterven! 5Maar God weet wat er gebeurt als jullie van die boom eten: Dan zullen jullie alles begrijpen. Jullie zullen dan net zo zijn als God. Net als hij zullen jullie weten wat goed en wat kwaad is.’

De vrouw en de man eten van de boom

6De vrouw keek naar de boom. De vruchten zagen er mooi en lekker uit, en de vrouw wilde graag alles weten. Ze pakte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf er ook één aan haar man, die bij haar was. En hij at er ook van.

7Toen begrepen ze dat ze naakt waren. Daarom pakten ze grote bladeren van een vijgenboom, en die bonden ze om hun heupen.

God loopt door de tuin

8Aan het eind van de middag begon er een frisse wind te waaien. God liep door de tuin. Toen de man en de vrouw hem hoorden, verstopten ze zich tussen de bomen.

9Maar God riep de mens: ‘Waar ben je?’ 10‘Ik heb me verstopt,’ antwoordde de man. ‘Toen ik u hoorde in de tuin, werd ik bang. Want ik ben naakt.’

11God vroeg: ‘Hoe weet je dat je naakt bent? Heb je gegeten van de boom waarvan je niet mocht eten?’ 12‘Het komt door de vrouw die u mij gegeven hebt,’ zei de man. ‘Zij gaf mij een vrucht en toen heb ik ervan gegeten.’

13‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg God, de Heer, aan de vrouw. ‘Het komt door de slang,’ zei ze. ‘Die heeft tegen me gelogen en toen heb ik van de boom gegeten.’

God straft de slang

14Toen zei God, de Heer, tegen de slang: ‘Omdat je dat gedaan hebt, zal het slecht met je gaan. De andere dieren willen niets meer met je te maken hebben. Je zult op je buik over de aarde kruipen en van de grond eten, je hele leven lang. 15Jij en de vrouw zullen vijanden van elkaar zijn, en jullie nakomelingen ook. Mensen zullen jou op je kop trappen en jij zult in hun voet bijten.’

God straft de vrouw

16God zei tegen de vrouw: ‘Als je zwanger bent, zul je het moeilijk hebben. Je zult pijn hebben als je kinderen geboren worden. Je zult verlangen naar je man, en hij zal de baas over jou zijn.’

God straft de man

17God zei tegen de man: ‘Je hebt gedaan wat je vrouw vroeg. Je hebt gegeten van de boom waarvan je niet mocht eten. Daarom zal het slecht gaan met de grond waarop je werkt. Je hele leven lang zul je hard moeten werken om genoeg te eten te hebben. 18Je zult koren zaaien om te eten, maar er zal ook veel onkruid groeien. 19Je zult hard moeten werken voor je eten, je leven lang. Daarna keer je terug naar de aarde waarvan je gemaakt bent. Je was aarde en je zult weer aarde worden.’

God stuurt de man en de vrouw weg

20De man noemde zijn vrouw Eva. Zij is de moeder van iedereen die na haar leefde. 21God, de Heer, maakte voor de man en zijn vrouw kleren van dierenvellen. Die kleren moesten ze aantrekken.

22God dacht: Nu zijn de mensen net zoals ik. Ze weten nu wat goed is en wat kwaad is. Maar ik wil niet dat ze ook eten van de boom van het leven. Als ze vruchten van die boom eten, blijven ze altijd leven. 23Daarom stuurde God de mensen weg uit de tuin van Eden. Hij had de mens gemaakt van aarde. Nu moesten de mensen voortaan op die aarde gaan werken.

24Toen God de mensen weggejaagd had, zette hij engelen bij de ingang van de tuin. Er was ook een brandend zwaard dat heen en weer ging. De engelen en het zwaard moesten de weg naar de boom van het leven bewaken.

4

De kinderen van Adam en Eva

Adam en Eva krijgen kinderen

41De man heette Adam. Hij sliep met zijn vrouw Eva. Eva werd zwanger en kreeg een zoon, Kaïn. Eva zei: ‘De Heer heeft mij geholpen. En nu heb ik een zoon op de wereld gezet.’ 2Daarna kreeg ze nog een zoon, Abel. Dat was Kaïns broer.

Later ging Abel voor de schapen en de geiten zorgen, en Kaïn ging op het land werken.

Kaïn doodt Abel

3Op een keer nam Kaïn wat graan, en dat gaf hij als offer aan de Heer. 4Ook Abel bracht een offer. Hij slachtte een mooi jong schaap. De Heer keek naar Abel en naar het offer van Abel, 5maar niet naar Kaïn en naar het offer van Kaïn.

Toen werd Kaïn woedend, zijn ogen werden donker. 6‘Waarom kijk je zo boos?’ vroeg de Heer. 7‘Als je doet wat goed is, dan kun je iedereen aankijken. Als je doet wat slecht is, dan zal het kwaad je te pakken krijgen. Het kwaad wil de baas over je zijn. Maar jij moet sterker zijn dan het kwaad.’

8Toen zei Kaïn tegen Abel: ‘Laten we het veld in gaan.’ Daar sloeg Kaïn zijn broer Abel dood.

De Heer straft Kaïn

9Toen vroeg de Heer aan Kaïn: ‘Waar is je broer Abel?’ ‘Dat weet ik niet,’ zei Kaïn. ‘Ik hoef toch niet op mijn broer te passen?’

10De Heer zei: ‘Wat heb je gedaan? Kijk, je ziet het bloed van je broer hier op de grond! Jouw misdaad moet gestraft worden. 11Daarom zal het voortaan slecht met je gaan. Je moet weg van deze plek waar je je broer gedood hebt. Weg van de grond die rood is van het bloed van je broer. 12Ook al werk je hard op het land, er zal niets meer voor jou groeien. Voortaan moet je over de aarde zwerven!’

De Heer beschermt Kaïn ook

13Kaïn zei: ‘Die straf is te zwaar! 14U jaagt me weg van deze grond. U wilt niets meer met me te maken hebben. En als ik dan alleen over de aarde zwerf, kan iedereen me zomaar doden.’

15Maar de Heer zei tegen Kaïn: ‘Als iemand jou doodt, zal ik hem zeven keer straffen.’ En hij maakte een teken op het lichaam van Kaïn om hem te beschermen. Dan zou niemand hem doden.

16Toen ging Kaïn weg bij de Heer. Hij ging in het land Nod wonen. Dat ligt ten oosten van Eden.

De kinderen van Kaïn

17Later kreeg de vrouw van Kaïn een zoon, Henoch. Kaïn was in die tijd een stad aan het bouwen. Hij noemde die stad ook Henoch, net zoals zijn zoon heette.

18Henoch kreeg een zoon, Irad. Dat was de vader van Mechujaël, en die was de vader van Metusaël, en die was weer de vader van Lamech.

19Lamech had twee vrouwen. De ene heette Ada, de andere heette Silla. 20-21Ada kreeg twee zonen: Jabal en Jubal. Jabal was de eerste mens die rondtrok met zijn kudde. Jubal was de eerste mens die op de harp en de fluit speelde. 22Silla kreeg een zoon, Tubal-Kaïn. Hij werd de eerste smid: hij maakte dingen van ijzer en brons. Silla kreeg ook een dochter, Naäma.

23Op een keer zei Lamech tegen zijn vrouwen: ‘Luister goed, Ada en Silla! Als iemand mij aanvalt, dan sla ik hem dood. 24Iemand die Kaïn wil doden, wordt zeven keer gestraft. Maar iemand die mij wil doden, wordt 77 keer gestraft!’

Adam en Eva krijgen nog een zoon

25Adam en Eva kregen nog een zoon. Eva noemde hem Set. Ze zei: ‘Kaïn heeft mijn zoon Abel gedood. Maar God heeft me een ander kind gegeven.’

26Later kreeg Set ook een zoon. Die werd Enos genoemd. Vanaf die tijd gaven de mensen God de naam ‘Heer’.

5

De nakomelingen van Adam

De mensen die van Adam afstammen

51Nu volgt een lijst van Adams kinderen en de mensen die daarna leefden. 2Toen God de mensen maakte, maakte hij ze zo dat ze op hem leken. God maakte ze als man en als vrouw. Hij zegende ze en hij noemde ze ‘mens’.

3Toen Adam 130 jaar oud was, kreeg hij een zoon die precies op hem leek. 4Hij noemde zijn zoon Set. Na de geboorte van Set leefde Adam nog 800 jaar. Hij kreeg nog meer kinderen. 5In totaal leefde Adam 930 jaar. Toen stierf hij.

6Toen Set 105 jaar oud was, kreeg hij Enos. 7Daarna leefde hij nog 807 jaar en kreeg hij nog meer kinderen. 8In totaal leefde hij 912 jaar. Toen stierf hij. 9Toen Enos 90 jaar oud was, kreeg hij Kenan. 10Daarna leefde hij nog 815 jaar en kreeg hij nog meer kinderen. 11In totaal leefde hij 905 jaar. Toen stierf hij. 12Toen Kenan 70 jaar oud was, kreeg hij Mahalalel. 13Daarna leefde hij nog 840 jaar en kreeg hij nog meer kinderen. 14In totaal leefde hij 910 jaar. Toen stierf hij. 15Toen Mahalalel 65 jaar oud was, kreeg hij Jered. 16Daarna leefde hij nog 830 jaar en kreeg hij nog meer kinderen. 17In totaal leefde hij 895 jaar. Toen stierf hij. 18Toen Jered 162 jaar oud was, kreeg hij Henoch. 19Daarna leefde hij nog 800 jaar en kreeg hij nog meer kinderen. 20In totaal leefde hij 962 jaar. Toen stierf hij.

21Toen Henoch 65 jaar oud was, kreeg hij Metuselach. 22Daarna leefde hij nog 300 jaar. Henoch leefde als een vriend van God. Hij kreeg nog meer kinderen. 23In totaal leefde Henoch 365 jaar. 24Toen nam God hem weg. Henoch had geleefd als een vriend van God.

25Toen Metuselach 187 jaar oud was kreeg hij Lamech. 26Daarna leefde hij nog 782 jaar en kreeg hij nog meer kinderen. 27In totaal leefde hij 969 jaar. Toen stierf hij.

28Toen Lamech 182 jaar oud was, kreeg hij een zoon, 29die hij Noach noemde. Lamech zei: ‘We moeten heel hard werken op het land. Want de Heer heeft ervoor gezorgd dat het slecht gaat met de grond. Maar deze zoon zal ons troosten in ons harde leven.’ 30Na de geboorte van Noach leefde Lamech nog 595 jaar. Hij kreeg nog meer kinderen. 31In totaal leefde Lamech 777 jaar. Toen stierf hij.

32Toen Noach 500 jaar oud was, kreeg hij drie zonen: Sem, Cham en Jafet.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]