Bijbel in Gewone Taal (BGT)
34

Dina wordt verkracht

341Op een dag ging Dina, de dochter van Lea en Jakob, naar meisjes die in de buurt woonden. 2Onderweg werd ze gezien door Sichem. Dat was een zoon van Chamor, de Chiwwiet die de baas was over dat gebied. Sichem greep Dina en verkrachtte haar.

3Maar Sichem vond Dina heel aardig en hij werd verliefd op haar. Hij deed zijn best om indruk op haar te maken. 4En hij zei tegen zijn vader: ‘Zorg ervoor dat ik met dat meisje kan trouwen.’

5Jakob hoorde dat Dina verkracht was. Maar hij deed niets. Want al zijn zonen waren op dat moment op het veld bij de schapen. 6-7Maar toen ook zij hoorden wat er gebeurd was, kwamen ze direct naar huis. Ze waren beledigd en woedend, omdat Sichem hun zus verkracht had. Zoiets verschrikkelijks was bij hun volk absoluut verboden.

Sichem wil met Dina trouwen

Intussen was Chamor, de vader van Sichem, bij Jakob en zijn zonen gekomen om over Dina te praten. 8Hij zei: ‘Mijn zoon Sichem houdt echt van Dina. Willen jullie haar als vrouw aan hem geven? 9Laten we één volk worden. Dan kunnen jullie meisjes met onze mannen trouwen, en onze meisjes met jullie mannen. 10Jullie kunnen dan in dit land blijven. Jullie kunnen gaan wonen waar je wilt. Jullie kunnen rondtrekken met de dieren en land kopen.’

11Sichem zelf zei tegen Jakob en tegen de broers van Dina: ‘Zeg maar wat jullie voor Dina willen hebben. 12Ook als jullie veel geld willen en veel geschenken, dan zal ik die geven. Als jullie mij dit meisje maar als vrouw geven.’

De zonen van Jakob bedenken een plan

13Maar de zonen van Jakob bedachten een plan waarmee ze Sichem en zijn familie konden bedriegen. Want Sichem had hun zus verkracht. 14Ze zeiden tegen Chamor en Sichem: ‘We kunnen onze zus niet geven aan een man die niet besneden is. Dat zou een schande voor ons zijn. 15We kunnen het alleen goedvinden als jullie net zo worden als wij. Daarom moeten alle mannen bij jullie besneden worden. 16Dan kunnen onze meisjes met jullie mannen trouwen. Dan blijven we bij jullie wonen en kunnen jullie en wij één volk worden. 17Maar als jullie dat niet doen, dan nemen we Dina mee en gaan we hier weg.’

18Chamor en Sichem vonden dat een goed voorstel.

De mannen van Sichem worden besneden

19Sichem hield zo veel van Dina dat hij het plan meteen wilde uitvoeren. Iedereen luisterde altijd naar Sichem. 20Dus Chamor en Sichem gingen naar de mannen van hun stad en zeiden: 21‘Deze mensen hebben goede bedoelingen. Laat ze maar hier wonen en rondtrekken met hun dieren. Er is land genoeg. Hun meisjes kunnen dan met onze mannen trouwen, en onze meisjes met hun mannen. 22Zij willen wel samen met ons één volk worden. Maar alleen als alle mannen bij ons besneden worden, net zoals zij.

23Stel je voor! Al hun dieren, al hun bezit, dat wordt dan ook allemaal van ons! Laten we doen wat zij willen.’

24Iedereen die het hoorde, vond het een goed idee. Toen werden alle mannen van de stad Sichem besneden.

De mannen van Sichem worden vermoord

25Twee dagen later hadden de mannen in Sichem nog heel veel pijn van de besnijdenis. Toen pakten Simeon en Levi, twee broers van Dina, hun zwaard, en gingen de stad in. Niemand hield hen tegen. Ze doodden alle mannen in de stad, 26ook Chamor en Sichem. Daarna haalden ze Dina uit het huis van Sichem en gingen ze weg.

27-29Ook de andere zonen van Jakob gingen de stad in. Ze waren woedend omdat hun zus verkracht was. Ze roofden de hele stad leeg. Alle bezittingen namen ze mee, alles wat in de huizen te vinden was. Ook alle schapen en geiten, koeien en ezels en alles wat op het veld te vinden was, namen ze mee. En alle vrouwen en kinderen namen ze gevangen.

30Toen zei Jakob tegen Simeon en Levi: ‘Wat een ellende! Door jullie zullen de Kanaänieten en de Perizzieten die hier wonen, slecht over mij gaan denken. En wij zijn maar met weinig. Dus als zij ons aanvallen, zullen ze ons allemaal vermoorden!’

31Maar zijn zonen zeiden: ‘Dan hadden ze onze zus maar niet als een hoer moeten behandelen!’

35

Jakob weer in Betel

Jakob gaat naar Betel

351God zei tegen Jakob: ‘Ga naar de stad Betel. Blijf daar en bouw daar een altaar voor mij. Ik ben de God die daar met je gesproken heeft, toen je vluchtte voor je broer Esau.’

2Toen riep Jakob zijn familie en alle andere mensen die bij hem hoorden. Hij zei: ‘Jullie moeten alle godenbeeldjes wegdoen die jullie bij je hebben. Daarna moeten jullie je wassen en schone kleren aantrekken. 3We gaan naar Betel. Daar ga ik een altaar bouwen voor God. Want hij heeft voor mij gezorgd toen ik grote problemen had. Hij heeft me geholpen, overal waar ik kwam.’

4De mensen gaven al hun godenbeeldjes aan Jakob. Ook hun sieraden gaven ze aan hem. Jakob begroef alles onder de eikenboom bij Sichem.

5Daarna gingen Jakob en al zijn mensen weg. En niemand durfde hen aan te vallen. Want de inwoners van alle steden in de buurt waren bang voor hen. Daar had God voor gezorgd.

God belooft Jakob veel nakomelingen

6Jakob kwam met al zijn mensen aan in de stad Luz, in Kanaän. Die stad wordt ook Betel genoemd. 7Jakob bouwde er een altaar. En hij noemde het altaar ‘God is in Betel’. Want daar had hij God gezien, toen hij vluchtte voor zijn broer Esau.

8In Betel stierf Debora. Zij had voor Jakobs moeder Rebekka gezorgd toen Rebekka nog een kind was. Debora werd begraven onder een eikenboom bij Betel. Die boom wordt de Eik van Verdriet genoemd.

9Toen Jakob onderweg was uit Paddan-Aram, kwam God nog een keer bij hem. God zegende hem en 10zei: ‘Tot nu toe heette je Jakob. Maar voortaan heet je Israël. 11Ik ben de machtige God. Zorg dat je veel nakomelingen krijgt. Er zal een volk van je afstammen, veel volken zelfs, en ook koningen. 12Het land dat ik aan Abraham en Isaak gegeven heb, geef ik nu aan jou. Het is voor jou en je nakomelingen.’

13Toen God dat gezegd had, ging hij weer weg bij Jakob. 14Jakob zette op die plaats een steen rechtop. Hij goot er wat olie en wijn overheen. Zo werd het een heilige steen. 15Jakob noemde die plaats Betel. Daar had God met hem gesproken.

Rachel sterft

16-17Jakob en zijn mensen bleven niet in Betel, maar ze reisden verder. Toen ze dicht bij de stad Efrat waren, moest Rachel bevallen. Het was een moeilijke bevalling en Rachel had veel pijn. De vroedvrouw zei tegen haar: ‘Stil maar, Rachel, je hebt weer een zoon gekregen.’

18Rachel voelde dat ze ging sterven. Ze noemde haar zoon Ben-Oni. Maar Jakob noemde hem Benjamin.

19Toen stierf Rachel. Ze werd begraven langs de weg naar Efrat, de stad die tegenwoordig Betlehem heet. 20Jakob zette een steen op Rachels graf. Die steen staat daar nog steeds.

Ruben slaapt met Bilha

21Toen reisde Jakob weer verder. Hij zette zijn tenten op bij de plaats Migdal-Eder. 22Daar sliep Ruben een keer met Bilha, één van de vrouwen van zijn vader. Jakob hoorde dat zijn zoon dat gedaan had.

De zonen van Jakob

Jakob had twaalf zonen.

23De zonen van Lea waren Ruben, de oudste zoon van Jakob, en verder Simeon, Levi, Juda, Issachar en Zebulon. 24De zonen van Rachel waren Jozef en Benjamin.

25De zonen van Bilha, de slavin van Rachel, waren Dan en Naftali. 26De zonen van Zilpa, de slavin van Lea, waren Gad en Aser.

Dat waren de zonen die Jakob in Paddan-Aram gekregen had.

Isaak sterft

27Aan het eind van zijn reis kwam Jakob bij zijn vader Isaak. Die woonde in Mamre, bij Kirjat-Arba. Die plaats heet tegenwoordig Hebron. Abraham had daar ook gewoond.

28Isaak werd 180 jaar. 29Toen stierf hij. Hij had een lang en goed leven gehad. Hij werd begraven door zijn zonen Esau en Jakob.

36

De nakomelingen van Esau

De zonen van Esau

361Nu volgen de namen van de zonen van Esau, die ook wel Edom genoemd werd. 2Esaus vrouwen kwamen uit Kanaän. Zijn vrouw Ada was een dochter van de Hethiet Elon. Zijn vrouw Oholibama was een dochter van Ana, en ze was een kleindochter van de Chiwwiet Sibon. 3Zijn vrouw Basemat was een dochter van Ismaël, en ze was een zus van Nebajot.

4De zoon van Ada heette Elifaz. De zoon van Basemat heette Reüel. 5En de zonen van Oholibama heetten Jeüs, Jalam en Korach.

Dat zijn de zonen van Esau die in Kanaän geboren werden.

Esau gaat in Seïr wonen

6Esau ging weg uit Kanaän. Hij nam zijn vrouwen en kinderen mee. En ook alle mensen die bij hem hoorden, en al zijn vee en al zijn bezittingen. Hij ging naar een ander land, weg van zijn broer Jakob. 7Ze konden niet bij elkaar blijven wonen. Want ze hadden samen zo veel vee, dat er niet genoeg land was voor alle dieren.

8Esau ging in Seïr wonen, in de bergen.

De nakomelingen van Esau

9-19Nu volgen de namen van de nakomelingen van Esau uit de Seïr-bergen. Het volk van de Edomieten stamt van Esau af.

De oudste zoon van Esau en Ada heette Elifaz. De zoon van Esau en Basemat heette Reüel.

De zonen van Elifaz heetten Teman, Omar, Sefo, Gatam, Kenaz en Amalek. Amalek was een zoon van Timna, de bijvrouw van Elifaz. Die zonen waren dus allemaal nakomelingen van Esau en Ada. Ze waren allemaal leider van een stam in Edom.

De zonen van Reüel heetten Nachat, Zerach, Samma en Mizza. Zij waren dus nakomelingen van Esau en Basemat. Ook zij waren allemaal leider van een stam in Edom.

Esau had ook nog drie zonen van zijn vrouw Oholibama, die de dochter was van Ana, en de kleindochter van Sibon. Die zonen heetten Jeüs, Jalam en Korach. Ook zij waren alle drie leider van een stam in Edom.

De nakomelingen van Seïr

20-30De oudste bewoners van Edom stamden af van Seïr. Dat was een Choriet. De zonen van Seïr waren Lotan, Sobal, Sibon, Ana, Dison, Eser en Disan. Zij waren allemaal leider van een Choritische stam in Seïr.

De zonen van Lotan waren Chori en Hemam. De zus van Lotan was Timna. De zonen van Sobal waren Alwan, Manachat, Ebal, Sefo en Onam.

De zonen van Sibon waren Ajja en Ana. Ana heeft in de woestijn de bronnen met warm water ontdekt. Dat gebeurde toen hij met de ezels van zijn vader in de woestijn was.

De zoon van Ana was Dison. De dochter van Ana was Oholibama. De zonen van Dison waren Chemdan, Esban, Jitran en Keran. De zonen van Eser waren Bilhan, Zaäwan en Akan. De zonen van Disan waren Us en Aran.

De koningen van Edom

31In Edom hadden ze eerder koningen dan in Israël. Nu volgen de koningen die na elkaar in Edom regeerden.

32Bela was een zoon van Beor. Zijn paleis was in Dinhaba. 33Na hem was Jobab, de zoon van Zerach, koning. Hij kwam uit Bosra. 34Daarna was Chusam, uit het land van de Temanieten, koning. 35Daarna Hadad, de zoon van Bedad. Zijn paleis was in Awit. Hij versloeg de Midjanieten in Moab.

36Daarna was Samla, uit Masreka, koning. 37Daarna Saül, uit Rechobot aan de Eufraat. 38Daarna Baäl-Chanan, de zoon van Achbor. 39En ten slotte was Hadar koning. Hij was getrouwd met Mehetabel, de dochter van Matred en de kleindochter van Me-Zahab. Hadars paleis was in Paü.

De gebieden in Edom

40-43De families die afstamden van Esau, werden genoemd naar hun leiders. De namen van de families waren: Timna, Alwa, Jetet, Oholibama, Ela, Pinon, Kenaz, Teman, Mibsar, Magdiël en Iram. Dat zijn de namen van de Edomitische stammen. De gebieden waar zij woonden, werden ook zo genoemd.

Esau is de voorvader van de Edomieten.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]