Bijbel in Gewone Taal (BGT)
32

321De volgende ochtend stond Laban vroeg op. Hij kuste zijn dochters en zijn kleinkinderen, en wenste hun veel geluk. Daarna ging hij terug naar huis.

Jakob ontmoet Esau

Jakob stuurt mannen naar Esau

2Jakob en zijn mensen gingen weer verder. Onderweg stond er opeens een groep engelen voor hem. 3Jakob riep: ‘Dat is een leger van God!’ De plek waar hij de engelen gezien had, noemde hij Machanaïm.

4Daarna stuurde Jakob een paar mannen vooruit, naar zijn broer Esau. Die woonde in Seïr, in Edom. 5Jakob zei tegen zijn mannen: ‘Ga naar Esau, en wees heel beleefd tegen hem. Zeg hem dat ik een tijd bij Laban gewoond heb en nu naar hem toe kom. 6Vertel hem dat ik veel koeien heb, en ezels, schapen en geiten, en ook veel slaven en slavinnen. Ik wil weten of hij vriendelijk tegen me zal zijn.’

7Toen de mannen weer bij Jakob terugkwamen, zeiden ze: ‘We zijn bij uw broer Esau geweest. Hij komt hiernaartoe, en hij heeft vierhonderd mannen bij zich.’

Jakob is bang voor Esau

8Jakob schrok. Hij werd heel bang. Hij verdeelde zijn mensen in twee groepen. Ook de schapen, geiten, koeien en kamelen verdeelde hij in twee groepen. 9Want hij dacht: Als Esau de ene groep aanvalt en doodt, dan kan de andere groep nog vluchten.

10Toen bad hij: ‘Heer, God van mijn grootvader Abraham, God van mijn vader Isaak. Ik moest teruggaan naar mijn familie en naar het land waar ik geboren ben. Dat hebt u zelf tegen mij gezegd. En u hebt gezegd dat u goed voor me zou zorgen.

11Ook al ben ik het niet waard, toch bent u steeds goed voor me geweest. U hebt altijd trouw voor me gezorgd. Want op de heenreis, toen ik de Jordaan overstak, had ik alleen maar een stok. En nu heb ik zelfs twee grote groepen mensen en dieren.

12Help mij nu ook. Red mij van Esau! Ik ben bang dat hij mij aanvalt. En dat hij iedereen doodt, ook de vrouwen en de kinderen. 13Maar u hebt toch beloofd dat u voor me zou zorgen? En dat ik heel veel nakomelingen zou krijgen, net zo veel als er zand is bij de zee?’ 14-16Die nacht bleef Jakob in Machanaïm slapen.

Jakob stuurt geschenken naar Esau

De volgende dag zette Jakob een deel van zijn dieren apart: tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd schapen en twintig rammen, dertig kamelen met hun jongen, veertig koeien en tien stieren, en ten slotte nog tien ezels en twintig ezelinnen. Die dieren wilde Jakob aan Esau geven.

17Bij elke groep dieren zette hij iemand als bewaker. En hij zei tegen de bewakers: ‘Jullie moeten voor mij uit gaan. Maar elke groep moet afstand houden van de groep ervoor.’

18Tegen de man bij de eerste groep zei Jakob: ‘Je zult mijn broer Esau tegenkomen. Hij zal vragen bij wie je hoort, waar je naartoe gaat en van wie die dieren zijn. 19Dan moet je heel beleefd zeggen dat je bij mij hoort. Vertel hem dat hij deze dieren van mij krijgt. En dat ik er zelf ook aan kom.’

20Tegen de mannen bij de tweede en de derde groep zei Jakob hetzelfde. En ook tegen de mannen bij de andere groepen dieren zei hij: ‘Jullie moeten hetzelfde zeggen als je Esau tegenkomt. 21En ook jullie moeten heel beleefd zeggen dat ik zelf achter jullie aan kom.’

Jakob dacht: Ik hoop dat Esau niet meer boos is, als ik hem zo veel dieren geef. Dan durf ik hem wel te ontmoeten. Want dan is hij misschien vriendelijk tegen me.

22De mannen met de geschenken gingen vooruit. Jakob zelf bleef die nacht nog op de plek waar hij was.

Jakob vecht met een onbekende

23Het was nog nacht toen Jakob opstond. Hij riep zijn twee vrouwen, zijn twee slavinnen en zijn elf kinderen. Hij ging met ze naar de rivier de Jabbok, naar een ondiep gedeelte. Daar bracht hij ze naar de overkant. 24Daarna bracht hij ook al zijn bezittingen naar de overkant.

25Jakob bleef alleen achter. Opeens was er iemand die met hem begon te vechten. Ze vochten totdat het ochtend werd. 26Toen de onbekende man merkte dat hij niet van Jakob kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan. De heup schoot uit de kom.

27De onbekende zei: ‘Laat me gaan. Het begint al dag te worden.’ Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan. Eerst moet u mij zegenen.’

28De ander vroeg: ‘Hoe heet je?’ Jakob zei: ‘Ik heet Jakob.’ 29De ander zei: ‘Voortaan heet je niet meer Jakob, maar Israël. Je hebt gevochten met God en met mensen. En je hebt gewonnen.’

30Toen zei Jakob: ‘Vertel nu hoe u heet.’ Maar de ander zei: ‘Waarom vraag je hoe ik heet?’ Daarna zegende hij Jakob.

31Jakob noemde die plaats Peniël. Hij zei: ‘Hier heb ik God gezien, met mijn eigen ogen. En toch ben ik blijven leven.’ 32Toen kwam de zon op. Jakob stak de rivier over bij Peniël. Hij liep moeilijk, omdat zijn heup pijn deed.

33De Israëlieten eten nog steeds geen vlees van de heup van een dier. Want dat is de plek waar Jakob geraakt was.

33

Jakob en Esau ontmoeten elkaar

331Plotseling zag Jakob dat Esau eraan kwam met zijn vierhonderd mannen. Jakob stuurde alle kinderen naar hun eigen moeder. 2Hij zette de slavinnen met hun kinderen vooraan. Daarachter zette hij Lea met haar kinderen. Helemaal achteraan zette hij Rachel met Jozef. 3Zo gingen ze Esau tegemoet. Jakob liep voorop, terwijl hij zeven keer een diepe buiging maakte.

4Maar Esau rende hem tegemoet. Hij omhelsde Jakob en kuste hem. En ze huilden allebei.

5Toen keek Esau om zich heen. Hij zag de vrouwen en de kinderen, en hij vroeg: ‘Wie zijn dat?’ ‘Dat zijn de kinderen die God mij gegeven heeft,’ zei Jakob.

6De slavinnen kwamen met hun kinderen dichterbij. Ze maakten een diepe buiging. 7Ook Lea en haar kinderen kwamen dichterbij en bogen diep. En ten slotte kwamen Jozef en Rachel, en ook zij maakten een buiging.

Esau neemt het geschenk van Jakob aan

8Daarna vroeg Esau: ‘Wat is de bedoeling van al die groepen dieren die ik onderweg tegenkwam?’ Jakob zei heel beleefd: ‘Dat is een geschenk voor jou, Esau. Daarmee wilde ik je in een vriendelijke stemming brengen.’ 9Esau zei: ‘Ik heb genoeg, broer. Houd jij alles maar.’

10Maar Jakob zei: ‘Nee, neem het alsjeblieft aan! Ik was bang om je te zien, net als iemand die met eigen ogen God ziet. Maar je hebt me hartelijk ontvangen. 11Neem toch de dieren aan die ik je gestuurd heb. God is goed voor mij geweest. Ik heb alles wat ik nodig heb.’

Jakob bleef dat maar herhalen. Ten slotte nam Esau het geschenk aan.

Jakob en Esau reizen apart verder

12Esau zei: ‘Laten we verdergaan. Mijn mannen en ik reizen met je mee.’ 13Maar Jakob zei: ‘Esau, je weet dat kinderen niet zo sterk zijn. En ik heb ook kalfjes en andere jonge dieren bij me. Als die te snel moeten lopen, gaan ze na één dag al dood. 14Ga jij maar alvast verder. Ik kom rustig achter je aan. Dan kan ik rekening houden met de kinderen en de dieren. En dan zien we elkaar in Seïr.’

15Esau zei: ‘Laat dan in ieder geval een paar van mijn mannen met je meegaan.’ ‘Dat is niet nodig,’ zei Jakob. ‘Het is genoeg dat je zo vriendelijk tegen me bent.’

16Toen ging Esau nog dezelfde dag terug naar Seïr. 17Jakob ging niet verder dan Sukkot. Daar bouwde hij een huis voor zichzelf, en hutten voor zijn dieren.

Dina en Sichem

Het einde van Jakobs reis

18Daarna ging Jakobs reis uit Paddan-Aram weer verder. Hij kwam bij Sichem, een stad in Kanaän. Op een stuk land dicht bij de stad zette hij zijn tenten op. 19Dat stuk land was van de zonen van Chamor. Chamor was de man die de stad Sichem gebouwd had. Jakob kocht het stuk land voor 100 zilverstukken. 20Hij bouwde daar een altaar. Dat noemde hij ‘God is de God van Israël’.

34

Dina wordt verkracht

341Op een dag ging Dina, de dochter van Lea en Jakob, naar meisjes die in de buurt woonden. 2Onderweg werd ze gezien door Sichem. Dat was een zoon van Chamor, de Chiwwiet die de baas was over dat gebied. Sichem greep Dina en verkrachtte haar.

3Maar Sichem vond Dina heel aardig en hij werd verliefd op haar. Hij deed zijn best om indruk op haar te maken. 4En hij zei tegen zijn vader: ‘Zorg ervoor dat ik met dat meisje kan trouwen.’

5Jakob hoorde dat Dina verkracht was. Maar hij deed niets. Want al zijn zonen waren op dat moment op het veld bij de schapen. 6-7Maar toen ook zij hoorden wat er gebeurd was, kwamen ze direct naar huis. Ze waren beledigd en woedend, omdat Sichem hun zus verkracht had. Zoiets verschrikkelijks was bij hun volk absoluut verboden.

Sichem wil met Dina trouwen

Intussen was Chamor, de vader van Sichem, bij Jakob en zijn zonen gekomen om over Dina te praten. 8Hij zei: ‘Mijn zoon Sichem houdt echt van Dina. Willen jullie haar als vrouw aan hem geven? 9Laten we één volk worden. Dan kunnen jullie meisjes met onze mannen trouwen, en onze meisjes met jullie mannen. 10Jullie kunnen dan in dit land blijven. Jullie kunnen gaan wonen waar je wilt. Jullie kunnen rondtrekken met de dieren en land kopen.’

11Sichem zelf zei tegen Jakob en tegen de broers van Dina: ‘Zeg maar wat jullie voor Dina willen hebben. 12Ook als jullie veel geld willen en veel geschenken, dan zal ik die geven. Als jullie mij dit meisje maar als vrouw geven.’

De zonen van Jakob bedenken een plan

13Maar de zonen van Jakob bedachten een plan waarmee ze Sichem en zijn familie konden bedriegen. Want Sichem had hun zus verkracht. 14Ze zeiden tegen Chamor en Sichem: ‘We kunnen onze zus niet geven aan een man die niet besneden is. Dat zou een schande voor ons zijn. 15We kunnen het alleen goedvinden als jullie net zo worden als wij. Daarom moeten alle mannen bij jullie besneden worden. 16Dan kunnen onze meisjes met jullie mannen trouwen. Dan blijven we bij jullie wonen en kunnen jullie en wij één volk worden. 17Maar als jullie dat niet doen, dan nemen we Dina mee en gaan we hier weg.’

18Chamor en Sichem vonden dat een goed voorstel.

De mannen van Sichem worden besneden

19Sichem hield zo veel van Dina dat hij het plan meteen wilde uitvoeren. Iedereen luisterde altijd naar Sichem. 20Dus Chamor en Sichem gingen naar de mannen van hun stad en zeiden: 21‘Deze mensen hebben goede bedoelingen. Laat ze maar hier wonen en rondtrekken met hun dieren. Er is land genoeg. Hun meisjes kunnen dan met onze mannen trouwen, en onze meisjes met hun mannen. 22Zij willen wel samen met ons één volk worden. Maar alleen als alle mannen bij ons besneden worden, net zoals zij.

23Stel je voor! Al hun dieren, al hun bezit, dat wordt dan ook allemaal van ons! Laten we doen wat zij willen.’

24Iedereen die het hoorde, vond het een goed idee. Toen werden alle mannen van de stad Sichem besneden.

De mannen van Sichem worden vermoord

25Twee dagen later hadden de mannen in Sichem nog heel veel pijn van de besnijdenis. Toen pakten Simeon en Levi, twee broers van Dina, hun zwaard, en gingen de stad in. Niemand hield hen tegen. Ze doodden alle mannen in de stad, 26ook Chamor en Sichem. Daarna haalden ze Dina uit het huis van Sichem en gingen ze weg.

27-29Ook de andere zonen van Jakob gingen de stad in. Ze waren woedend omdat hun zus verkracht was. Ze roofden de hele stad leeg. Alle bezittingen namen ze mee, alles wat in de huizen te vinden was. Ook alle schapen en geiten, koeien en ezels en alles wat op het veld te vinden was, namen ze mee. En alle vrouwen en kinderen namen ze gevangen.

30Toen zei Jakob tegen Simeon en Levi: ‘Wat een ellende! Door jullie zullen de Kanaänieten en de Perizzieten die hier wonen, slecht over mij gaan denken. En wij zijn maar met weinig. Dus als zij ons aanvallen, zullen ze ons allemaal vermoorden!’

31Maar zijn zonen zeiden: ‘Dan hadden ze onze zus maar niet als een hoer moeten behandelen!’