Bijbel in Gewone Taal (BGT)
19

Lot krijgt gasten

191De twee andere mannen die bij Abraham geweest waren, waren engelen van de Heer. Zij kwamen ’s avonds in Sodom aan.

Lot zat op het plein bij de stadspoort. Toen hij de mannen zag, ging hij naar ze toe. Hij maakte een diepe buiging, 2en hij zei: ‘Komt u toch met mij mee, heren. U kunt in mijn huis uw voeten wassen en blijven slapen. Dan kunt u morgen verder reizen.’ Maar de mannen zeiden: ‘Nee dank u, we slapen wel hier op het plein.’

3Toen Lot het bleef vragen, gingen ze met hem mee naar huis. Lot bakte brood. Hij maakte een maaltijd klaar en ze gingen eten.

Lots gasten worden bedreigd

4Nog voordat Lot en zijn gasten gingen slapen, kwamen alle mannen uit de stad naar het huis van Lot. Ze kwamen van alle kanten, jonge en oude mannen. 5Ze riepen: ‘Waar zijn die mannen die bij je logeren? Stuur ze naar buiten. Dan kunnen we ze eens lekker pakken!’

6Lot ging naar buiten. Hij deed de deur dicht 7en hij zei: ‘Maar mannen van Sodom! Zoiets kunnen jullie niet doen! 8Luister, ik heb twee dochters. Die hebben nog nooit met een man geslapen. Die zal ik bij jullie brengen. Doe met hen wat je wilt, maar doe deze mannen niets. Zij zijn mijn gasten. Ik moet hen beschermen.’

De mannen van Sodom bedreigen Lot

9Maar de mannen van Sodom riepen: ‘Ga opzij! Jij bent maar een vreemde in deze stad. Dus jij hebt niets over ons te zeggen. Wacht maar, we zullen jou eerst eens even pakken!’ Ze kwamen op Lot af en wilden de deur openbreken.

10Maar de gasten van Lot trokken hem naar binnen en deden de deur op slot. 11Ze zorgden ervoor dat de mannen buiten opeens blind werden. Ze konden niet eens meer de deur van het huis vinden.

Sodom zal verwoest worden

12De mannen die bij Lot waren, vroegen: ‘Heb je nog meer familie hier? Dochters, zonen, schoonzonen? Ga met je hele familie weg uit de stad. 13Want de Heer heeft vreselijke dingen gehoord over deze stad. Daarom heeft hij ons gestuurd om de stad te verwoesten.’

14Lot ging naar de mannen die zijn schoonzonen zouden worden. ‘Kom vlug mee,’ zei hij tegen ze. ‘We moeten weg uit de stad. Want de Heer gaat de stad verwoesten.’ Maar de schoonzonen geloofden Lot niet en lachten hem uit.

Lot vlucht

15Het begon al bijna licht te worden. De mannen zeiden tegen Lot: ‘Vlug, opschieten. Ga weg met je vrouw en je twee dochters. Want deze slechte stad zal verwoest worden. Ga weg, anders zul je sterven.’ 16Lot aarzelde. Maar de mannen pakten hem en zijn vrouw en dochters bij de hand. Ze trokken hen mee de stad uit. Want de Heer wilde Lot redden.

17Buiten de stad bleven ze staan. Eén van de mannen zei: ‘Vlucht toch, want je leven is in gevaar! Vlucht de bergen in. Blijf nergens in het dal stilstaan en kijk niet om. Anders zul je sterven.’

18Maar Lot zei: ‘Ach heer, 19ik weet dat u het beste voor mij wilt. U hebt mijn leven gered. Maar de bergen zijn te ver. Dat haal ik niet en dan sterf ik toch nog. 20Dat stadje daar is dichtbij, daar kan ik naartoe vluchten. Dan ben ik gered. In zo’n kleine stad ben ik toch wel veilig?’

21De man zei: ‘Goed. Dat stadje zal niet verwoest worden. 22Vlucht daarheen. Maar snel, want ik kan Sodom niet verwoesten voordat jij in dat stadje bent.’

Vanaf toen werd dat stadje Soar genoemd.

De Heer verwoest Sodom en Gomorra

23Lot kwam in Soar aan toen de zon opging. 24Toen liet de Heer vuur uit de hemel neerkomen op Sodom en Gomorra. 25Hij verwoestte die steden en het hele gebied eromheen. Alle mensen daar stierven, en alles wat op het land groeide, ging dood.

26De vrouw van Lot had onderweg achteromgekeken. Toen was ze veranderd in een rots van zout.

27Diezelfde ochtend ging Abraham naar de plek waar hij met de Heer gestaan had. 28Hij keek naar Sodom en Gomorra en naar het gebied eromheen. Hij zag dikke rookwolken. Het leek wel of het hele gebied een brandende oven was. 29Maar God had Lot gered toen hij de steden verwoestte. Zo hield God rekening met Abraham.

De dochters van Lot

30Lot durfde niet in Soar te blijven. Hij ging naar de bergen met zijn twee dochters. Daar woonden ze met elkaar in een grot.

31Op een dag zei de oudste dochter tegen de jongste: ‘Onze vader zal niet lang meer leven. En verder is er nergens in dit gebied een man om mee te slapen. 32Laten we vader dronken voeren en dan met hem slapen. Dan kunnen we van hem kinderen krijgen.’

33Die nacht gaven ze hun vader wijn te drinken. De oudste dochter sliep met haar vader. Hij merkte er niets van. 34De volgende ochtend zei ze tegen haar zus: ‘Ik heb vannacht met vader geslapen. Laten we hem vanavond weer dronken voeren. En dan moet jij met hem slapen. Dan kunnen we allebei kinderen krijgen van onze vader.’

35Ook die nacht gaven ze hun vader wijn te drinken. Nu sliep de jongste dochter met hem, en weer merkte hij er niets van.

36Zo werden de dochters van Lot allebei zwanger van hun vader. 37De oudste dochter kreeg een zoon. Ze noemde hem Moab. Van hem stammen de Moabieten af. 38De jongste kreeg ook een zoon. Ze noemde hem Ben-Ammi. Van hem stammen de Ammonieten af.

20

Abraham en Sara bij Abimelech

Abraham zegt dat Sara zijn zus is

201Abraham vertrok uit Mamre met iedereen die bij hem hoorde. Hij ging naar de Negev-woestijn. Hij ging eerst tussen de steden Kades en Sur wonen. Later woonde hij een tijd in de stad Gerar. 2Daar vertelde hij tegen iedereen dat zijn vrouw Sara zijn zus was.

Abimelech, de koning, hoorde dat. Hij wilde Sara wel als vrouw hebben, en hij liet haar naar zijn paleis halen.

Abimelech moet Sara terugsturen

3Maar ’s nachts kreeg Abimelech een droom. God zei in die droom: ‘Je zult sterven. Want je hebt deze vrouw bij je genomen in je paleis, maar ze is al getrouwd.’

4Abimelech had nog niet met Sara geslapen. Dus hij zei: ‘Heer, u doodt toch geen onschuldige mensen? 5Abraham zei zelf dat ze zijn zus was. En zij zei dat ook. Ik kon niet weten dat het verkeerd was. Ik ben onschuldig.’

6‘Dat weet ik,’ zei God. ‘Daarom heb ik ervoor gezorgd dat je niets verkeerds gedaan hebt. Want je hebt haar nog niet aangeraakt. 7Maar nu moet je haar terugsturen naar haar man. Hij is een profeet. Hij zal voor je bidden, en dan blijf je leven. Maar als je haar niet terugstuurt, zul je sterven. En iedereen die bij je hoort, zal dan ook sterven.’

Abraham moet uitleg geven

8De volgende ochtend riep Abimelech zijn dienaren bij zich. Hij vertelde hun wat er gebeurd was. Ze schrokken erg.

9Toen liet Abimelech Abraham bij zich komen. ‘Wat hebt u gedaan?’ vroeg Abimelech. ‘U hebt ervoor gezorgd dat ik iets heel slechts gedaan heb. Iets dat absoluut niet mag. Waarom hebt u dat gedaan? Ik heb u toch niet verkeerd behandeld? 10Waarom zei u dat Sara uw zus is?’

11Abraham antwoordde: ‘Ik dacht: Misschien hebben ze hier geen eerbied voor God. Misschien vermoorden ze mij om mijn vrouw te krijgen. 12Bovendien is Sara echt mijn zus. We hebben dezelfde vader, maar een andere moeder. Daarom kon ze toch mijn vrouw worden. 13Later liet God mij rondtrekken, ver bij mijn familie vandaan. Toen zei ik tegen haar: ‘Als we ergens komen, wil je dan zeggen dat ik je broer ben? Wil je dat voor mij doen?’’

Sara komt terug bij Abraham

14Toen gaf Abimelech Sara terug aan Abraham. Hij gaf hem ook schapen, geiten en koeien, en slaven en slavinnen. 15En hij zei: ‘U kunt in mijn land gaan wonen waar u maar wilt.’

16Tegen Sara zei hij: ‘Ik betaal uw broer 1000 zilverstukken. Dat bewijst dat u onschuldig bent. Dan gaat niemand slecht over u denken.’

17-18Daarna ging Abraham bidden tot God. Want God had Abimelech gestraft. De vrouwen van Abimelech konden namelijk geen kinderen meer krijgen. Maar na Abrahams gebed zorgde God ervoor dat ze wel weer kinderen konden krijgen.

21

Hagar en Ismaël

Abraham en Sara krijgen een zoon

211-2De Heer had beloofd dat hij aan Sara zou denken. En dat deed hij ook. Abraham was al oud. Maar de Heer zorgde ervoor dat Sara zwanger werd en dat Abraham en Sara een zoon kregen. Dat gebeurde een jaar nadat God het tegen Abraham gezegd had.

3Abraham noemde hun zoon Isaak. 4-7Sara zei: ‘God heeft ervoor gezorgd dat ik weer kan lachen. En iedereen die mijn verhaal hoort, zal ook lachen. Niemand had tegen Abraham durven zeggen dat ik nog eens een kind aan de borst zou hebben. Want Abraham is al zo oud. Toch hebben we een zoon gekregen.’

Toen Isaak acht dagen oud was, werd hij besneden. Want God had gezegd dat alle jongens besneden moesten worden. Abraham was honderd jaar oud toen Isaak geboren werd.

Hagar en Ismaël worden weggestuurd

8Isaak werd groter. Zijn moeder hoefde hem niet meer de borst te geven. Daarom gaf Abraham een groot feest. 9Op dat feest werd Isaak uitgelachen door Ismaël. Ismaël was de zoon van Abraham en Hagar, de Egyptische slavin van Sara.

Sara zag wat er gebeurde. 10Ze zei tegen Abraham: ‘Jaag die slavin weg met haar zoon. Ik wil niet dat mijn zoon Isaak later de erfenis moet delen met het kind van die slavin.’

11Abraham wilde Hagar en Ismaël niet wegsturen, want hij was Ismaëls vader. 12Maar God zei tegen Abraham: ‘Maak je geen zorgen over Ismaël of over Hagar. Je moet doen wat Sara zegt. Alleen de kinderen van Isaak gelden later als jouw echte nakomelingen. 13Maar ook Ismaël is een kind van jou. Daarom zal ik zorgen dat er later ook een volk van Ismaël afstamt.’

Ismaël sterft bijna

14De dag na het feest pakte Abraham wat brood en water. Hij gaf dat aan Hagar. Daarna stuurde hij haar met Ismaël de woestijn van Berseba in.

In de woestijn verdwaalden Hagar en Ismaël. Na een tijdje hadden ze geen water meer. 15-16Toen legde Hagar Ismaël onder een struik in de schaduw. Zelf ging ze een eindje verderop zitten. Want ze kon er niet tegen dat ze Ismaël zou zien sterven. Ze begon te huilen.

God helpt Hagar en Ismaël

17Maar God hoorde Ismaël roepen. De engel van God riep uit de hemel tegen Hagar: ‘Wat is er, Hagar? Wees niet bang! God heeft Ismaël horen roepen. 18Ga naar Ismaël toe. Help hem overeind en houd hem goed vast. Ik zal hem kinderen geven, en er zal later een groot volk van hem afstammen.’

19Toen zorgde God ervoor dat Hagar een waterput zag. Ze liep naar de put, haalde water en gaf Ismaël te drinken.

20Ismaël groeide op. Het ging goed met hem, want God zorgde voor hem. Hij werd jager. 21Hij ging in de woestijn van Paran wonen. En Hagar liet hem met een Egyptische vrouw trouwen.

Abraham en Abimelech

Abimelech wil met Abraham samenwerken

22Op een dag kwam koning Abimelech bij Abraham, met zijn legerleider Pichol. Abimelech zei: ‘Ik heb gemerkt dat God u altijd helpt. 23Daarom wil ik met u samenwerken. U woont als gast in mijn land. Wij hebben u altijd vriendelijk behandeld. Behandel ons dan ook vriendelijk. En wees altijd eerlijk tegen mij en mijn nakomelingen. Beloof me dat nu plechtig.’

24‘Dat beloof ik,’ zei Abraham. 25‘Maar ik ben wel kwaad om wat uw knechten gedaan hebben. Ik heb hier een waterput gegraven. Maar uw knechten zeggen dat het hun put is.’ 26Abimelech zei: ‘Ik weet niet wie dat gedaan heeft. Ik hoor het nu voor het eerst, u hebt er nooit iets over gezegd.’

Abimelech en Abraham maken afspraken

27Daarna maakten Abraham en Abimelech afspraken om samen te werken. Abraham gaf schapen, geiten en koeien aan Abimelech. 28Hij zette ook nog zeven lammetjes apart. 29‘Waarom doet u dat?’ vroeg Abimelech. 30Abraham zei: ‘Die zijn voor u. Als u ze aanneemt, is het duidelijk dat die waterput van mij is.’

31De plek waar Abraham en Abimelech afspraken maakten, heet Berseba. 32Abimelech en Abraham spraken daar plechtig af om voortaan samen te werken.

Abimelech en Pichol gingen weer naar huis, naar het land van de Filistijnen. 33Abraham plantte een boom in Berseba. Hij vereerde daar de Heer, de eeuwige God. 34Abraham bleef nog lang in het land van de Filistijnen wonen. Maar hij bleef er een vreemdeling.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]