Bijbel in Gewone Taal (BGT)
12

Abram gaat op reis

121De Heer zei tegen Abram: ‘Ga weg uit je eigen land en ga weg van je familie. Ik zal je zeggen naar welk land je moet gaan. 2Ik zal je zo veel nakomelingen geven dat ze een groot volk worden. Ik zal je rijk en gelukkig en beroemd maken. Jij zult ook anderen gelukkig maken. 3Als de volken op aarde elkaar geluk toewensen, zullen ze zeggen: ‘Ik hoop dat je net zo gelukkig wordt als Abram.’

Ik zal goed zijn voor de mensen die goed zijn voor jou. Maar de mensen die jou slecht behandelen, die zal ik straffen.’

4-5Abram deed wat de Heer gezegd had. Hij ging weg uit Charan. Hij was toen 75 jaar oud. Hij nam zijn vrouw Sarai en zijn neef Lot mee. En ze namen alles mee wat ze hadden, ook hun slaven en slavinnen. Ze gingen op weg naar het land Kanaän.

Abram komt in Kanaän

6Abram en zijn familie kwamen in Kanaän, waar in die tijd de Kanaänieten woonden. Ze reisden door tot de eik van More bij de stad Sichem. 7Daar zag Abram de Heer. De Heer zei: ‘Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven.’ Toen bouwde Abram daar een altaar voor de Heer.

8Abram ging verder naar de bergen bij de stad Betel. Tussen Betel en Ai zette hij zijn tenten op. Ook daar bouwde hij een altaar, en hij bad tot de Heer.

9Abram ging steeds verder. Hij trok van de ene plaats naar de andere, tot in de Negev-woestijn.

Abram en Sarai in Egypte

Abram en Sarai gaan naar Egypte

10Op een keer was er hongersnood in het land. Er was bijna niets meer te eten. Daarom besloot Abram om een tijd in Egypte te gaan wonen.

11Toen hij en Sarai bijna in Egypte waren, zei Abram tegen zijn vrouw: ‘Luister eens. Jij bent een mooie vrouw. 12Als de Egyptenaren jou zien, willen ze je natuurlijk hebben. En omdat je mijn vrouw bent, zullen ze mij dan vermoorden. 13Zeg maar dat je mijn zus bent. Dan laten ze mij leven en zullen ze me juist goed behandelen.’

14De Egyptenaren zagen direct dat Sarai een heel mooie vrouw was. 15Ook de soldaten van de farao zagen dat. Ze vertelden hem hoe mooi Sarai was. De farao liet haar meteen naar het paleis halen om zijn vrouw te worden. 16En aan Abram gaf hij als dank allerlei geschenken: schapen, geiten, koeien, ezels en kamelen, en ook slaven en slavinnen.

Abram en Sarai moeten weg uit Egypte

17-18Maar de Heer zorgde ervoor dat er allerlei rampen gebeurden in het paleis. De farao begreep dat dat door Sarai kwam. Hij liet Abram bij zich komen en hij zei: ‘Waarom hebt u me niet gezegd dat Sarai uw vrouw is? 19Waarom hebt u gezegd dat ze uw zus is? Nu heb ik met haar geslapen! Hier is uw vrouw weer. Neem haar mee en verdwijn!’

20De farao stuurde Abram en zijn vrouw weg. Hij gaf zijn soldaten het bevel om hen het land uit te zetten, met al hun bezittingen.

13

Abram en Lot gaan uit elkaar

Abram en Lot zijn rijk

131Abram ging weer terug naar de Negev-woestijn, met Sarai en al zijn bezittingen. Ook zijn neef Lot ging mee. 2-4Vanuit de Negev-woestijn trokken ze van de ene plaats naar de andere, tot ze bij de stad Betel kwamen. Daar was Abram al eerder geweest. Tussen Betel en Ai had hij toen een altaar gebouwd. Hij ging er nu weer heen en hij bad daar tot de Heer.

Abram was heel rijk. Hij had heel veel schapen, geiten en koeien, en veel zilver en goud. 5Lot was met Abram meegereisd. Ook Lot had veel schapen, geiten en koeien. Hij had een grote familie en veel slaven.

6-7Abram en Lot hadden zo veel vee dat er niet genoeg eten was voor al die dieren. Het land was te klein voor hen allebei, en er woonden ook al andere volken. De herders van Abram kregen steeds ruzie met de herders van Lot. Daarom konden Abram en Lot daar niet allebei blijven wonen.

Abram en Lot gaan apart wonen

8Abram zei tegen Lot: ‘We moeten geen ruzie maken, en onze herders ook niet. We zijn toch familie? 9Laten we apart gaan wonen. Er is genoeg land. Als jij naar de linkerkant gaat, ga ik naar rechts. Maar als jij liever naar rechts gaat, ga ik naar links.’

10Lot keek goed om zich heen. Hij kon over het dal van de rivier de Jordaan kijken, helemaal tot de stad Soar. In dat gebied lagen ook Sodom en Gomorra. Die steden waren toen nog niet verwoest door de Heer. Lot zag hoe mooi het land daar was. Het was net zo mooi als de tuin van Eden en als Egypte. En er was overal genoeg water. 11-12Daarom koos Lot het dal van de Jordaan.

Abram en Lot gingen uit elkaar. Abram bleef in Kanaän wonen, en Lot ging naar het oosten. Hij ging in het dal van de Jordaan wonen, in de buurt van Sodom. 13In Sodom waren de mensen slecht. Ze deden dingen die de Heer niet goed vond.

De Heer belooft Abram het land Kanaän

14Toen Lot weg was, zei de Heer tegen Abram: ‘Kijk eens goed om je heen, naar het noorden en het zuiden, naar het oosten en het westen. 15Al het land dat je ziet, zal ik aan jou en aan je nakomelingen geven. Het zal altijd van jullie zijn. 16Ik zal je heel veel nakomelingen geven. Ze zullen ontelbaar zijn, net zoals het zand op aarde ontelbaar is.

17Je kunt overal heen gaan, want ik zal het land aan jou geven.’

18Abram ging op weg. Hij ging wonen bij de eiken van Mamre bij de stad Hebron. Daar bouwde hij weer een altaar voor de Heer.

14

Abram bevrijdt Lot

Er is oorlog

141-3In die tijd was er oorlog in het Siddim-dal, waar nu de Dode Zee is. Het was een oorlog tussen vier koningen aan de ene kant en vijf koningen aan de andere kant.

De vier koningen waren koning Amrafel van Babylonië, koning Arjoch van Ellasar, koning Kedorlaomer van Elam en koning Tidal van Goïm.

De vijf koningen waren koning Bera van Sodom, koning Birsa van Gomorra, koning Sinab van Adma, koning Semeber van Seboïm en de koning van Bela, dat tegenwoordig Soar heet.

Hoe de oorlog begonnen was

4Koning Kedorlaomer van Elam was eerst twaalf jaar lang de baas geweest over de vijf koningen. Maar in het dertiende jaar waren de vijf koningen in opstand gekomen. 5Daarom was Kedorlaomer in het veertiende jaar samen met drie andere koningen een oorlog begonnen.

De vier koningen hadden veel volken verslagen: de Refaïeten in Asterot-Karnaïm, de Zuzieten in Ham, de Emieten in Sawe-Kirjataïm 6en de Chorieten in de Seïr-bergen. Ze waren helemaal tot de rand van de woestijn gekomen, tot El-Paran. 7Daarna waren ze teruggegaan via En-Mispat, dat nu Kades heet. Daar hadden ze nog de Amalekieten verslagen, en de Amorieten die in Chaseson-Tamar woonden.

Lot wordt gevangengenomen

8-9Toen begonnen de vijf koningen met hun leger weer een aanval. Ze vochten in het Siddim-dal bij de Dode Zee tegen de vier andere koningen. 10Maar de vijf verloren, en ze moesten vluchten. De twee koningen van Sodom en Gomorra vluchtten naar een gebied waar teer uit de grond komt. En daar kwamen ze met hun legers vast te zitten.

11Toen de overwinnaars weggingen, namen ze alles mee uit Sodom en Gomorra, ook al het eten dat ze vonden. 12En ook Lot namen ze mee, de neef van Abram, met al zijn bezittingen. Lot woonde namelijk in Sodom.

Abram bevrijdt Lot

13Er kwam een vluchteling uit Sodom bij Abram. Hij vertelde wat er gebeurd was. Abram woonde toen bij de eiken van Mamre. Mamre was een broer van Eskol en Aner. Ze waren Amorieten. Ze waren vrienden van Abram, die zelf een Hebreeër was.

14Abram hoorde dat Lot gevangen was genomen. Hij verzamelde meteen alle slaven die konden vechten. Dat waren er 318. Samen met zijn mannen achtervolgde Abram de vier koningen tot bij de stad Dan. 15Daar verdeelde hij zijn mannen in groepen. ’s Nachts vielen ze de vier koningen van verschillende kanten aan. Ze wonnen de strijd. Daarna achtervolgden ze de vier koningen nog tot de stad Choba, die ten noorden van Damascus ligt. 16Alles wat de vier koningen meegenomen hadden, nam Abram weer mee terug. Ook zijn neef Lot ging weer mee terug, met al zijn bezittingen, en met de vrouwen en de andere gevangenen.

Abram ontmoet Melchisedek

17Op de terugweg naar huis kwam Abram de koning van Sodom tegen. Dat gebeurde in het Sawe-dal, dat nu het Koningsdal heet. 18-20Ook Melchisedek was daar. Hij was koning van Salem, en priester van de allerhoogste God. Hij bracht brood en wijn mee voor Abram. En hij zegende Abram. Hij zei: ‘Ik dank de allerhoogste God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Want hij heeft ervoor gezorgd dat u de strijd gewonnen hebt. God zal u gelukkig maken, Abram.’

Abram gaf aan Melchisedek een tiende deel van alles wat hij meegenomen had van de overwonnen koningen. 21De koning van Sodom zei tegen Abram: ‘Ik wil graag de mensen van Sodom meenemen. Verder mag u alles houden.’

22-23Maar Abram zei: ‘Nee, ik wil echt niets van uw bezit voor mezelf houden. Zo zeker als de Heer leeft! De Heer, de allerhoogste God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Ik wil zelfs geen riempje van een schoen en geen draad van een hemd hebben. Anders zegt u later dat u mij rijk gemaakt hebt. En dat wil ik niet. 24Nee, ik wil niets voor mezelf. Maar wel iets voor mijn vrienden Mamre, Aner en Eskol, en ook wat eten voor mijn slaven.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]