Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Overleg in Jeruzalem

21-2Veertien jaar later ging ik weer naar Jeruzalem. God had me laten weten dat ik dat moest doen. Ik ging samen met Barnabas, en we namen ook Titus mee.

In Jeruzalem ging ik naar de leiders van de kerk. Met hen besprak ik het goede nieuws dat ik aan de niet-Joden vertelde. Ik wilde zeker weten dat die leiders mij zouden steunen. Want anders zou al mijn werk zinloos zijn.

3Titus is een Griek. Hij was dus niet besneden toen hij met mij bij de leiders van de kerk kwam. Toch hebben zij hem niet gedwongen om zich te laten besnijden.

4Toen kwamen er plotseling mensen binnen die ons gesprek hadden afgeluisterd. Zij waren het niet met de leiders eens. Ze verzetten zich tegen de vrijheid die wij gekregen hadden door ons geloof in Jezus Christus. Ze wilden dat de Joodse wet ons leven weer ging beheersen. Hoe durven zulke mensen zich christen te noemen!

5Ik heb die mensen niet hun zin gegeven. Dat deed ik voor jullie. Want jullie moesten de waarheid over Christus kunnen horen.

Paulus is apostel voor de niet-Joden

6-9Jakobus, Petrus en Johannes vonden dat er niets hoefde te veranderen aan mijn boodschap voor de mensen. En zij zijn de leiders van de kerk in Jeruzalem. Het is trouwens niet belangrijk wat hun positie is, want God let daar niet op.

Zij begrepen welke taak God aan mij gegeven had. Ik ben namelijk apostel voor de niet-Joden. God geeft mij de kracht om aan niet-Joden het goede nieuws te vertellen. En Petrus is apostel voor de Joden. Aan hem geeft God dus de kracht om het goede nieuws aan Joden te vertellen.

God zorgt ervoor dat ik mijn werk goed kan doen. Dat wisten ook de leiders van de kerk. Daarom gaven ze Barnabas en mij de hand. We waren het met elkaar eens. Wij zouden naar de niet-Joden gaan, zij naar de Joden. 10Wel moesten we geld inzamelen voor de arme mensen. Daar heb ik dus mijn best voor gedaan.

Petrus wil alleen met Joden eten

11-12Maar toen Petrus bij ons in Antiochië was, ben ik heel kwaad op hem geworden. Want wat hij deed, was helemaal fout. Eerst at hij namelijk gewoon samen met niet-Joodse christenen. Maar toen Jakobus een paar Joodse christenen naar ons toe stuurde, werd Petrus bang. Hij durfde niet meer samen met niet-Joden te eten.

13De andere Joodse christenen deden met Petrus mee. Ze deden alsof ze zich steeds aan de Joodse wet gehouden hadden. Zelfs Barnabas deed met ze mee. 14Dat was verkeerd! Zo was het goede nieuws niet bedoeld.

Ik zag wat Petrus en de Joodse christenen deden. En waar iedereen bij was, zei ik tegen Petrus: ‘Hoe kun jij van niet-Joden eisen dat ze zich aan de Joodse wet moeten houden? Jij doet dat zelf niet eens, terwijl jij een Jood bent!’

God redt mensen omdat ze geloven

15Petrus en ik zijn geen mensen uit ongelovige volken. Wij zijn Joden. 16Maar wij weten: God redt mensen alleen omdat ze geloven in Jezus Christus. En niet omdat ze zich aan de Joodse wet houden. Daarom zijn ook wij in Jezus Christus gaan geloven. En daardoor ziet God ons niet langer als slechte mensen. Ik zeg het nog een keer: Geen mens kan gered worden door zich aan de Joodse wet te houden.

17Ook Petrus en ik zijn zondige mensen. Zijn we dat omdat Christus ons slechte dingen laat doen? Natuurlijk niet! We hebben Christus juist nodig om gered te worden. Dat hebben we ontdekt. En daardoor begrijpen we dat ook wij zondig zijn, ook al zijn we Joden.

De wet beheerst ons leven niet meer

18Stel dat we weer gaan leven volgens de Joodse wet. Dan zullen we echt niet gered worden. Want niemand doet precies wat er in de wet staat.

19-20Bovendien heeft de wet niets meer over ons te zeggen. Want Christus is voor ons gestorven aan het kruis. En met hem is ons oude ik gestorven. We zijn nieuwe mensen geworden. Christus, de Zoon van God, houdt van ons en leeft in ons. Nu wordt ons leven niet meer beheerst door de wet, maar door God!

21Wij konden niet gered worden door te leven volgens de wet. Het was dus nodig dat Christus voor ons stierf. We zijn blij dat God zo goed voor ons was.

3

De wet is niet langer nodig

Je krijgt Gods zegen omdat je gelooft

31O, wat zijn jullie dom! Wat is er toch met jullie gebeurd, daar in Galatië? Ik heb jullie precies uitgelegd waarom Jezus Christus aan het kruis gestorven is. Waarom luisteren jullie dan nu naar anderen?

2God heeft jullie de heilige Geest gegeven. Ik wil jullie daar één ding over vragen: Deed God dat omdat jullie je aan de Joodse wet gingen houden? Of omdat jullie in Christus gingen geloven?

3Wees toch niet zo dom! Eerst vertrouwden jullie op de heilige Geest. Maar nu houden jullie je alweer bezig met aardse zaken. 4Terwijl jullie zulke bijzondere dingen meegemaakt hebben! Was dat dan allemaal voor niets? 5God geeft jullie de heilige Geest en hij doet wonderen bij jullie. Maar dat doet hij omdat jullie in Christus geloven, niet omdat jullie je aan de Joodse wet houden.

6In de heilige boeken staat: «Abraham geloofde in God, en daarom zag God hem als een goed mens.» 7Het ging ook bij Abraham om het geloof. De gelovigen zijn dus de echte nakomelingen van Abraham.

8Mensen die geen Jood zijn, worden door God gered als ze geloven. Dat staat in de heilige boeken. Abraham kreeg dat goede nieuws al te horen: «Alle volken zullen net zo gezegend worden als jij.» 9God zegende Abraham omdat hij geloofde. En God zegent ook alle andere mensen die geloven.

God redt ons omdat we geloven

10Je kunt je uiterste best doen om je aan de wet te houden. Maar zo word je niet gered. Want in de heilige boeken staat: «Wie niet precies doet wat in de wet staat, zal gestraft worden.»

11God redt mensen omdat ze geloven, niet omdat ze zich aan de wet proberen te houden. Ook dat staat duidelijk in de heilige boeken: «Als je gelooft, ziet God je als een goed mens. Dan zul je leven.» 12Bij de wet gaat het niet om geloven. Want over de wet lezen we: «Alleen als je alles doet wat er staat, zul je leven.»

13De wet leidt dus tot straf, maar Christus heeft ons bevrijd. Hij is aan het kruis gestorven, en zo heeft hij onze straf gedragen. Want in de heilige boeken staat: «De man die aan het kruis gehangen wordt, draagt Gods straf.»

14Dankzij Jezus Christus kunnen niet-Joden nu dus dezelfde zegen krijgen als Abraham. En Gods belofte komt uit: wij geloven, en daarom krijgen we de heilige Geest.

God houdt zich aan zijn belofte

15Vrienden, ik geef jullie een voorbeeld uit het dagelijks leven. Sommige afspraken en beloftes blijven altijd geldig. Niemand kan tegen zo’n afspraak ingaan of er iets aan veranderen. 16-17Ook Gods belofte aan Abraham en zijn nakomeling is voor altijd geldig. Er staat in de heilige boeken trouwens ‘nakomeling’ en niet ‘nakomelingen’. Het gaat namelijk maar om één nakomeling, en dat is Christus.

Dit is wat ik bedoel: de wet heeft Gods belofte aan Abraham niet ongeldig gemaakt. God gaf de wet pas 430 jaar na zijn belofte. 18En dat God mensen redt, is niet omdat ze zich aan de wet houden. Want dan zou hij zich niet houden aan zijn belofte aan Abraham. En dat kan niet. Want juist door die belofte laat God zien hoe goed hij is.

We hebben de wet niet meer nodig

19-20Waarom bestaat die wet dan eigenlijk? De wet liet mensen zien welke slechte dingen ze deden. De wet was dus nuttig, totdat Christus kwam. Want over hem gaat de belofte.

God heeft zelf die belofte aan Abraham gegeven. Maar met de wet ging het anders. Want de wet kwam pas via Gods engelen en via Mozes bij het volk.

21-22De wet is trouwens niet in strijd met de belofte. Want we leren uit de wet dat we allemaal slechte mensen zijn. Maar de wet zorgt er niet voor dat we goede mensen worden en eeuwig leven krijgen. Nee, om te krijgen wat God beloofd heeft, moeten we geloven in Jezus Christus.

23-25Voordat Christus kwam, beheerste de wet ons leven. We zaten gevangen, en de wet was onze bewaker. Totdat Christus kwam, en het mogelijk werd om in hem te geloven.

Nu we in hem geloven, hebben we de wet dus niet meer nodig. Want God redt ons omdat we geloven.

Sinds je doop hoor je bij Christus

26Jullie zijn allemaal kinderen van God, omdat jullie geloven in Jezus Christus. 27Jullie zijn gedoopt in zijn naam. Door jullie doop zijn jullie helemaal bij hem gaan horen.

28Omdat jullie in Jezus Christus geloven, vormen jullie een eenheid: Joden en niet-Joden, slaven en vrije mensen, mannen en vrouwen. Verschillen zijn niet belangrijk meer.

29Jullie zijn nakomelingen van Abraham, net als Christus. Want jullie horen bij Christus. Jullie worden gered omdat jullie geloven. Dat heeft God aan Abraham beloofd.

4

Jezus Christus heeft ons bevrijd

41Ik geef jullie een voorbeeld. Als jonge kinderen een erfenis gekregen hebben, zijn ze eigenaars van een groot bezit. Toch lijken ze op slaven, 2want ze hebben begeleiders die alles voor ze beslissen. Pas als ze oud genoeg zijn, mogen ze zelf beslissen. Hun vader heeft bepaald wanneer dat zal zijn.

3Voor ons geldt net zoiets. Vroeger werd ons leven beheerst door de wetten en regels die bij deze wereld horen. We leken wel slaven, net zoals die jonge kinderen. 4Maar op de tijd die God bepaald had, stuurde hij zijn Zoon Jezus Christus. Jezus was een mens als wij. Ook hij moest leven volgens de wet. 5Maar hij kwam om ons te bevrijden. Dankzij hem hoeven wij niet meer te leven volgens de wet. Dankzij hem wil God ons als zijn eigen kinderen aannemen.

6-7Wij zijn dus kinderen van God. Daarom heeft God ons de Geest gegeven die bij Jezus Christus hoort. En daarom noemen wij God nu: ‘Abba, Vader.’ De wetten en regels van deze wereld beheersen ons leven dus niet meer. We worden gered omdat we Gods kinderen zijn. Dat heeft God beloofd.

Paulus is niet tevreden

8Vroeger kenden jullie God nog niet. Toen werd jullie leven beheerst door goden die helemaal niet bestaan. 9Nu kennen jullie God wel. En wat veel belangrijker is: God kent jullie.

Waarom zijn jullie je dan weer aan zinloze regels gaan houden? 10Ik heb gehoord dat jullie alle Joodse feesten en alle bijzondere dagen vieren. 11Ik heb zo veel moeite voor jullie gedaan. Maar ik ben bang dat het allemaal voor niets is geweest.

Vroeger ging het juist goed

12Vrienden, leef alsjeblieft net zoals ik. Toen ik bij jullie was, hield ik me toch ook niet aan de Joodse wet?

Jullie hebben me nooit slecht behandeld. 13Herinneren jullie je nog de eerste keer dat ik bij jullie was? Ik kwam bij jullie terecht omdat ik onderweg ziek geworden was. Toen kon ik jullie het goede nieuws vertellen.

14Jullie kregen geen hekel aan me en stuurden me niet weg. Terwijl jullie toch veel last van me hadden omdat ik ziek was. Jullie hebben me juist heel goed ontvangen. Alsof ik een engel van God was, of Jezus Christus zelf! 15Jullie hadden toen echt veel voor mij over. Jullie hadden zelfs je eigen ogen wel aan mij willen geven. En jullie waren heel gelukkig. Dat is nu wel anders.

Paulus maakt zich zorgen

16Tegenwoordig denken jullie dat ik je vijand ben, omdat ik jullie de waarheid vertel! 17Want er zijn andere mensen bij jullie gekomen, die veel voor jullie doen. Maar zij hebben verkeerde bedoelingen. Ze willen dat jullie vergeten wat ik jullie verteld heb. En ze willen dat jullie moeite doen om te leven zoals zij. 18Het is natuurlijk goed als jullie ergens veel moeite voor doen. Maar doe dan moeite voor de goede dingen. Ook als ik niet bij jullie ben.

19-20Vrienden, ik had nu heel graag bij jullie willen zijn. Dan had ik op een andere manier met jullie kunnen praten. Ik maak me grote zorgen en ik heb veel verdriet. Want jullie leven nog steeds niet als echte christenen!

Wij zijn vrije mensen

21Jullie willen dus graag dat de Joodse wet je leven beheerst! Maar volgens mij luisteren jullie helemaal niet naar de wet.

22-23In de boeken van de wet staat namelijk dat Abraham twee zonen kreeg. De moeder van de eerste zoon was een slavin, Hagar. Haar zoon werd op de normale, menselijke manier geboren. De moeder van de andere zoon was een vrije vrouw, Sara. Haar zoon Isaak werd geboren omdat God het beloofd had. 24-27Dat verhaal over Hagar en Sara heeft een diepere betekenis.

Dit is de diepere betekenis van de slavin Hagar: zij laat de oude manier zien waarop God met de mensen omging. Daarbij hoort de berg Sinai in Arabië, waar het volk van Israël de wet kreeg. Die wet beheerst je leven alsof je een slaaf bent, net zoals Hagar en haar kinderen. Daarbij hoort ook de stad Jeruzalem zoals die nu is: de stad van de wet en de tempel.

Dit is de diepere betekenis van de vrije vrouw Sara: zij laat de nieuwe manier zien waarop God met de mensen omgaat. Daarbij hoort het nieuwe Jeruzalem, dat in de hemel is. In de heilige boeken staat daarover: «Jeruzalem, je was een stad zonder inwoners. Je leek op een vrouw zonder kinderen, een vrouw die niet zwanger kan worden. Maar wees blij! Juich van vreugde! Want je zult weer inwoners krijgen, Jeruzalem. Je zult meer inwoners hebben dan je ooit hebt gehad.»

Wij horen bij dat hemelse Jeruzalem. En net als Sara zijn wij geen slaven. Wij zijn vrij!

Wij krijgen wat God beloofd heeft

28Vrienden, Isaak werd geboren omdat God dat beloofd had. En jullie zijn Gods kinderen, ook omdat God dat beloofd heeft. 29Maar net als bij Isaak zijn er mensen die jullie in moeilijkheden brengen. Isaak was geboren dankzij de Geest. Maar hij werd in moeilijkheden gebracht door de zoon van Hagar. En die was geboren op de normale manier.

30De heilige boeken zeggen daarover: «Jaag die slavin weg met haar zoon. Want haar zoon krijgt niets. De hele erfenis is voor de zoon van de vrije vrouw!»

31Vrienden, laten we goed onthouden dat wij geen slaven zijn. Wij zijn vrij!

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]