Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

Begin van de brief

Paulus groet de christenen in Galatië

11-3Dit is een brief van Paulus aan de christenen in de provincie Galatië.

Allereerst dit: Ik ben niet door mensen aangesteld als apostel, maar door Jezus Christus. Hij en God, de Vader, die Jezus heeft laten opstaan uit de dood, hebben mij uitgekozen om apostel te zijn.

Ik wens jullie toe dat God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus goed voor jullie zijn en jullie vrede geven. Ook de andere christenen hier wensen jullie dat toe.

4Jezus heeft zijn leven voor ons gegeven. Daarom zijn onze zonden vergeven en zijn we bevrijd uit deze slechte wereld. Dat wilde God, onze Vader.

5Alle eer aan God, voor altijd en eeuwig! Amen.

Er is maar één waarheid

Paulus heeft de waarheid verteld

6-8Ik begrijp niets van jullie! God zelf heeft jullie uitgekozen, want hij is goed voor jullie. Maar jullie willen nu al niet meer bij hem horen. Een tijd geleden heb ik jullie het goede nieuws over Christus verteld. Maar nu denken jullie dat er een andere waarheid is. Vrienden, er is geen andere waarheid!

Mensen brengen jullie in de war. Zij willen van alles veranderen aan het goede nieuws over Christus. Maar wat ik verteld heb, is de waarheid. Als iemand iets anders vertelt, dan zal hij door God gestraft worden. En dat geldt voor iedereen, ook voor mij. Het geldt zelfs voor een engel uit de hemel!

9Ik zeg het nog een keer: Jullie hebben het goede nieuws over Christus gehoord. Laat God iedereen straffen die jullie iets anders vertelt!

10Misschien vinden de mensen het niet prettig wat ik zeg. Maar dat maakt me niet uit. Ik doe alleen wat God wil. Ik ben alleen maar bezig met mijn werk voor Christus.

Gods plan met Paulus

11Vrienden, het goede nieuws dat ik jullie verteld heb, is niet door mensen bedacht. Dat moeten jullie goed begrijpen. 12Ik heb het ook niet van mensen gehoord of geleerd. Ik heb het van Jezus Christus zelf gehoord.

13-14Jullie weten dat ik vroeger volgens de Joodse wet leefde. Ik wist veel meer over de Joodse godsdienst dan de meeste Joden van mijn leeftijd. Ik hield me heel precies aan alle wetten van onze voorouders. En ik vervolgde alle christenen. Niet één mocht er overblijven!

15-16Maar God was goed voor mij. Hij had een heel ander plan met mij. Al voor mijn geboorte koos hij me uit. Speciaal aan mij heeft hij laten weten wie zijn Zoon is. God wilde namelijk dat ik het goede nieuws over Christus aan de niet-Joden zou gaan vertellen.

Paulus heeft niemand om raad gevraagd

Nadat ik Christus had leren kennen, heb ik aan niemand raad gevraagd. 17Zelfs niet aan de mannen in Jeruzalem die al eerder apostel waren dan ik. Ik ben meteen naar Arabië gegaan. Daarna ging ik terug naar de stad Damascus.

18Pas drie jaar later ben ik naar Jeruzalem gegaan. Daar heb ik Petrus leren kennen. Ik ben twee weken bij hem gebleven. 19Ik ontmoette daar ook Jakobus, de broer van de Heer Jezus. Maar andere apostelen heb ik toen niet gezien. 20Wat ik jullie schrijf, is de waarheid. God weet dat!

21Later ben ik naar de provincies Syrië en Cilicië gegaan. 22De christenen in Judea hadden mij toen nog nooit ontmoet. 23Maar ze hadden allemaal het nieuws over mij gehoord. Ze zeiden: ‘Vroeger vervolgde die Paulus ons. Er mocht niet één christen overblijven. Maar nu gelooft hij zelf in Jezus Christus en vertelt hij over hem!’ 24En ze dankten God daarvoor.

2

Overleg in Jeruzalem

21-2Veertien jaar later ging ik weer naar Jeruzalem. God had me laten weten dat ik dat moest doen. Ik ging samen met Barnabas, en we namen ook Titus mee.

In Jeruzalem ging ik naar de leiders van de kerk. Met hen besprak ik het goede nieuws dat ik aan de niet-Joden vertelde. Ik wilde zeker weten dat die leiders mij zouden steunen. Want anders zou al mijn werk zinloos zijn.

3Titus is een Griek. Hij was dus niet besneden toen hij met mij bij de leiders van de kerk kwam. Toch hebben zij hem niet gedwongen om zich te laten besnijden.

4Toen kwamen er plotseling mensen binnen die ons gesprek hadden afgeluisterd. Zij waren het niet met de leiders eens. Ze verzetten zich tegen de vrijheid die wij gekregen hadden door ons geloof in Jezus Christus. Ze wilden dat de Joodse wet ons leven weer ging beheersen. Hoe durven zulke mensen zich christen te noemen!

5Ik heb die mensen niet hun zin gegeven. Dat deed ik voor jullie. Want jullie moesten de waarheid over Christus kunnen horen.

Paulus is apostel voor de niet-Joden

6-9Jakobus, Petrus en Johannes vonden dat er niets hoefde te veranderen aan mijn boodschap voor de mensen. En zij zijn de leiders van de kerk in Jeruzalem. Het is trouwens niet belangrijk wat hun positie is, want God let daar niet op.

Zij begrepen welke taak God aan mij gegeven had. Ik ben namelijk apostel voor de niet-Joden. God geeft mij de kracht om aan niet-Joden het goede nieuws te vertellen. En Petrus is apostel voor de Joden. Aan hem geeft God dus de kracht om het goede nieuws aan Joden te vertellen.

God zorgt ervoor dat ik mijn werk goed kan doen. Dat wisten ook de leiders van de kerk. Daarom gaven ze Barnabas en mij de hand. We waren het met elkaar eens. Wij zouden naar de niet-Joden gaan, zij naar de Joden. 10Wel moesten we geld inzamelen voor de arme mensen. Daar heb ik dus mijn best voor gedaan.

Petrus wil alleen met Joden eten

11-12Maar toen Petrus bij ons in Antiochië was, ben ik heel kwaad op hem geworden. Want wat hij deed, was helemaal fout. Eerst at hij namelijk gewoon samen met niet-Joodse christenen. Maar toen Jakobus een paar Joodse christenen naar ons toe stuurde, werd Petrus bang. Hij durfde niet meer samen met niet-Joden te eten.

13De andere Joodse christenen deden met Petrus mee. Ze deden alsof ze zich steeds aan de Joodse wet gehouden hadden. Zelfs Barnabas deed met ze mee. 14Dat was verkeerd! Zo was het goede nieuws niet bedoeld.

Ik zag wat Petrus en de Joodse christenen deden. En waar iedereen bij was, zei ik tegen Petrus: ‘Hoe kun jij van niet-Joden eisen dat ze zich aan de Joodse wet moeten houden? Jij doet dat zelf niet eens, terwijl jij een Jood bent!’

God redt mensen omdat ze geloven

15Petrus en ik zijn geen mensen uit ongelovige volken. Wij zijn Joden. 16Maar wij weten: God redt mensen alleen omdat ze geloven in Jezus Christus. En niet omdat ze zich aan de Joodse wet houden. Daarom zijn ook wij in Jezus Christus gaan geloven. En daardoor ziet God ons niet langer als slechte mensen. Ik zeg het nog een keer: Geen mens kan gered worden door zich aan de Joodse wet te houden.

17Ook Petrus en ik zijn zondige mensen. Zijn we dat omdat Christus ons slechte dingen laat doen? Natuurlijk niet! We hebben Christus juist nodig om gered te worden. Dat hebben we ontdekt. En daardoor begrijpen we dat ook wij zondig zijn, ook al zijn we Joden.

De wet beheerst ons leven niet meer

18Stel dat we weer gaan leven volgens de Joodse wet. Dan zullen we echt niet gered worden. Want niemand doet precies wat er in de wet staat.

19-20Bovendien heeft de wet niets meer over ons te zeggen. Want Christus is voor ons gestorven aan het kruis. En met hem is ons oude ik gestorven. We zijn nieuwe mensen geworden. Christus, de Zoon van God, houdt van ons en leeft in ons. Nu wordt ons leven niet meer beheerst door de wet, maar door God!

21Wij konden niet gered worden door te leven volgens de wet. Het was dus nodig dat Christus voor ons stierf. We zijn blij dat God zo goed voor ons was.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]