Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Het altaar wordt weer opgebouwd

31In de zevende maand van het jaar dat de Israëlieten teruggekomen waren, gingen ze allemaal naar Jeruzalem. Ze kwamen vanuit de verschillende steden waar ze waren gaan wonen.

2Toen begonnen Jesua en Zerubbabel, samen met andere mannen, het altaar van de God van Israël weer op te bouwen. Want dan konden de Israëlieten weer offers brengen, precies zoals het in de wet van de profeet Mozes stond. Jesua was een zoon van Josadak, en Zerubbabel was een zoon van Sealtiël. Jesua werd geholpen door de andere priesters, en Zerubbabel door de mannen uit zijn familie.

3Jesua, Zerubbabel en de andere mannen waren bang voor de andere volken in het land. Maar toch bouwden ze het altaar weer op dezelfde plek als waar het vroeger stond. En ze brachten ’s ochtends en ’s avonds offers aan de Heer. 4Ook vierden ze het Loofhuttenfeest volgens de regels van de Heer. Ze brachten alle offers die bij het feest horen. Elke dag brachten ze precies zo veel offers als moest volgens de regels.

5Vanaf toen brachten de Israëlieten ook het dagelijkse offer, de offers bij het Feest van Nieuwe Maan en de offers voor alle andere heilige feesten. En ze brachten ook weer offers die niet verplicht waren.

6Vanaf de eerste dag van de zevende maand van dat jaar brachten ze dus offers aan de Heer. Maar ze waren toen nog niet begonnen met de bouw van de tempel.

De taken worden verdeeld

7-9In de tweede maand van het volgende jaar werden de taken voor de bouw van de tempel verdeeld. Dat was dus in het tweede jaar nadat de Israëlieten teruggekomen waren in Jeruzalem.

Eerst werden er Levieten uitgekozen om de arbeiders te controleren. Die Levieten moesten twintig jaar of ouder zijn. Zerubbabel en Jesua kozen hen uit. Dat deden ze samen met de priesters, de Levieten en andere mensen die uit Babylonië teruggekomen waren. Ze kozen de Levieten uit de familie van Chenadad uit, samen met hun zonen en andere familieleden, en ook de Judeeërs Jesua en Kadmiël. Zij moesten met elkaar de arbeiders controleren die aan Gods tempel werkten.

De arbeiders kregen geld voor hun werk. Er werkten ook mensen uit Sidon en Tyrus mee. Zij kregen geen geld voor hun werk, maar olijfolie, eten en drinken. Zij brachten cederhout van de Libanon-bergen naar de stad Jafo. Daarvoor hadden ze toestemming gekregen van Cyrus, de koning van Perzië.

De Israëlieten juichen en huilen

10De arbeiders begonnen met het bouwen van de tempel van de Heer. Toen deden de priesters hun priesterkleren aan en pakten hun trompetten. En de Levieten, de nakomelingen van Asaf, pakten hun koperen bekkens. Ze zongen en speelden voor de Heer, zoals koning David het aan de Israëlieten geleerd had. 11Ze dankten de Heer en zongen om de beurt: ‘De Heer is goed, zijn liefde voor Israël blijft altijd bestaan.’ Toen begon het hele volk te juichen en te zingen voor de Heer. Want de bouw van de tempel van de Heer was begonnen.

12Veel oudere priesters, Levieten en leiders van de stammen begonnen hard te huilen toen ze de bouwers bezig zagen. Want zij hadden de oude tempel nog gezien. Veel anderen juichten en waren vrolijk. 13Er was geen verschil meer te horen tussen huilen en juichen, overal klonk geschreeuw.

4

De bouw moet stoppen

Andere volken willen meehelpen

41De stammen Juda en Benjamin waren begonnen om de tempel van de God van Israël weer op te bouwen. Andere volken die in hun land woonden, hoorden dat. Maar die wilden niet dat alleen de mensen uit Juda en Benjamin aan de tempelbouw zouden werken.

2Daarom gingen die volken naar Zerubbabel en de leiders van de stammen. Ze zeiden: ‘Wij willen meehelpen met de bouw van de tempel! Want wij vereren dezelfde God als jullie. Wij brengen al offers aan hem sinds Esarhaddon, de koning van Assyrië, ons naar dit land bracht.’

Andere volken mogen niet meehelpen

3Maar Zerubbabel, Jesua en de andere leiders van Israël zeiden: ‘Wij mogen deze tempel voor de Heer, de God van Israël, niet samen met jullie bouwen. Wij moeten dat zelf doen. Want Cyrus, de koning van Perzië, heeft die opdracht alleen aan ons gegeven.’

4-5Toen probeerden de mensen van de andere volken de Judeeërs bang te maken. Er werden zelfs raadgevers van de koning omgekocht. Die raadgevers moesten ervoor zorgen dat de bouw zou mislukken. Daarom durfden de Judeeërs niet meer verder te gaan met de bouw.

Dat bleef zo totdat koning Cyrus opgevolgd werd door Darius.

De andere volken sturen brieven

6Toen later Xerxes koning van Perzië geworden was, dienden de andere volken een officiële klacht in tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.

7Toen daarna Artaxerxes koning van Perzië werd, stuurden Bislam, Mitredat, Tabeël en andere bestuurders hem een brief. De brief was geschreven in het Aramees, en hij was vertaald in het Perzisch.

8Ook Rechum, de leider van alle hoge ambtenaren, en Simsai, de schrijver van de koning, schreven een brief aan koning Artaxerxes over Jeruzalem.

De brief aan koning Artaxerxes

9-11In de brief van Rechum en Simsai stond het volgende:

‘Aan koning Artaxerxes. Van al zijn dienaren die in de provincie Trans-Eufraat wonen. Namelijk van Rechum, de leider van alle hoge ambtenaren, van Simsai, de schrijver van de koning, en van alle andere bestuurders. Dat zijn rechters, ambtenaren en bestuurders uit Sippar, Uruk, Babel, en Susa in Elam. De brief is ook geschreven namens de volken die hier wonen. Zij zijn vroeger door de machtige en beroemde koning Asnappar uit hun eigen steden weggehaald. En ze zijn toen naar de steden van Samaria en de rest van de provincie Trans-Eufraat gebracht.

12Koning, u moet weten wat de Judeeërs doen die uit uw land weggegaan zijn. Ze zijn naar Jeruzalem gekomen om deze slechte en ongehoorzame stad weer op te bouwen. Ze repareren de muren en versterken de hele stad.

13Straks is de stad weer opgebouwd, en staan er weer muren omheen. Koning, u moet weten wat er dan zal gebeuren. Dan zullen de inwoners geen belasting meer betalen, en niet meer voor u willen werken. Daardoor zult u uw macht verliezen!

14Wij zijn trouw aan u, koning. Daarom sturen we deze brief. We willen u waarschuwen dat de Judeeërs bezig zijn om uw macht kleiner te maken. 15Jeruzalem is altijd al een slechte en ongehoorzame stad geweest. Dat staat in de oude jaarboeken met belangrijke gebeurtenissen. Al zo lang als de stad bestaat, zorgen de inwoners voor problemen bij koningen en in provincies. Daarom is de stad verwoest.

16Wij willen u dan ook waarschuwen. Als de stad weer opgebouwd wordt, zult u de macht over de provincie Trans-Eufraat kwijtraken.’

Artaxerxes stuurt een brief terug

17Toen stuurde koning Artaxerxes dit antwoord:

‘Aan Rechum, de leider van alle hoge ambtenaren, aan Simsai, de schrijver van de koning, en aan alle andere bestuurders. Ik wens iedereen vrede toe die in Samaria of in de rest van de provincie Trans-Eufraat woont.

18De brief die jullie mij gestuurd hebben, is helemaal aan mij voorgelezen. 19Toen heb ik het bevel gegeven om in de jaarboeken met belangrijke gebeurtenissen te kijken. Het is duidelijk geworden dat de inwoners van Jeruzalem vaak in opstand kwamen tegen koningen. De stad is altijd al slecht en ongehoorzaam geweest.

20Er zijn zelfs belangrijke koningen in Jeruzalem geweest die belasting eisten voor zichzelf. En die koningen lieten de mensen in de hele provincie Trans-Eufraat voor zich werken.

21Daarom moeten jullie de arbeiders in Jeruzalem dwingen om te stoppen met de bouw van de stad. Want de stad mag pas opgebouwd worden als ik toestemming geef. 22Zorg ervoor dat ze zo snel mogelijk stoppen. Anders zal ik mijn macht verliezen in deze provincie.’

De arbeiders moeten stoppen

23De brief van koning Artaxerxes werd voorgelezen aan Rechum, Simsai en de andere bestuurders. Daarna gingen zij zo snel mogelijk naar Jeruzalem. En met geweld dwongen ze de arbeiders om te stoppen met hun werk.

24Daarom werd er niet meer gebouwd aan de tempel van God in Jeruzalem, totdat Darius twee jaar koning van Perzië was.

5

De tempel wordt afgebouwd

De Judeeërs gaan door met de bouw

51Toen stuurde God de profeet Haggai en de profeet Zacharia, de kleinzoon van Iddo, naar Juda en Jeruzalem. Zij moesten de Judeeërs nieuwe moed geven.

2Daarna begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, weer met de bouw van de tempel in Jeruzalem. En ze kregen steun van de profeten.

3Korte tijd later kwam Tattenai, de provinciebestuurder van Trans-Eufraat, naar de Judeeërs toe. Setar-Boznai en andere bestuurders kwamen met hem mee. Ze vroegen: ‘Wie heeft jullie het bevel gegeven om de tempel weer op te bouwen? 4En hoe heten de mannen die hier aan het bouwen zijn?’

5Toch hoefden de Judeeërs niet te stoppen met de bouw. Want de bestuurders besloten om eerst een brief naar koning Darius te sturen. Zo beschermde God de leiders van de Judeeërs.

De brief aan koning Darius

6Hier volgt de brief die Tattenai, Setar-Boznai en andere bestuurders van de provincie Trans-Eufraat, naar koning Darius stuurden. 7In de brief stond het volgende:

‘Aan koning Darius. We hopen dat het goed met u gaat.

8Koning, we laten u weten dat wij naar de provincie Juda geweest zijn, naar de tempel van de grote God. Die tempel wordt weer opgebouwd met grote blokken steen en houten balken. De arbeiders zijn erg zorgvuldig en werken hard door.

9Wij hebben aan de leiders van de Judeeërs gevraagd: ‘Wie heeft jullie het bevel gegeven om de tempel weer op te bouwen? Van wie mogen jullie het werk afmaken?’ 10We hebben ook gevraagd hoe de leiders heten. We kunnen u nu dus laten weten wie dat zijn.

11De leiders hebben ons geantwoord: ‘Wij zijn dienaren van de God van de hemel en de aarde. Wij bouwen zijn tempel weer op. Die tempel werd ooit gebouwd door een machtige koning van Israël. 12Maar Nebukadnessar, de koning van Babylonië, heeft de tempel verwoest. Hij nam onze voorouders gevangen en stuurde hen naar Babylonië. Daar had de God van de hemel zelf voor gezorgd, want hij was woedend op onze voorouders.

13Maar toen Cyrus koning van Babylonië werd, gaf hij het bevel om de tempel weer op te bouwen. 14Ook gaf hij de gouden en zilveren voorwerpen uit de tempel mee aan Sesbassar, zijn provinciebestuurder. Die voorwerpen had Nebukadnessar uit de tempel in Jeruzalem geroofd en naar de tempel in Babel gebracht. 15Cyrus zei: ‘De tempel van God in Jeruzalem moet weer opgebouwd worden op de plaats waar de oude tempel stond. Neem deze voorwerpen mee en breng ze terug naar de tempel.’

16Toen is Sesbassar hierheen gekomen. En hij begon met de bouw van de tempel van God die in Jeruzalem woont. Sinds die tijd is er regelmatig aan de tempel gebouwd, maar hij is nog niet af.’

17Nu vragen wij, de bestuurders van de provincie Trans-Eufraat, om een onderzoek in Babylonië. Koning, kijkt u alstublieft in uw oude jaarboeken met alle belangrijke gebeurtenissen. Misschien staat er inderdaad een bevel van koning Cyrus in. Misschien heeft hij gezegd dat Gods tempel in Jeruzalem weer opgebouwd mag worden.

Koning, wilt u ons dat laten weten?’