Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

God gaat Israël straffen

God waarschuwt de mensen in de bergen

61De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2‘Mensenkind, kijk in de richting van de bergen van Israël. En vertel de mensen die daar wonen, wat er gaat gebeuren. 3Zeg tegen hen dat ik een leger op hen afstuur. En dat ik de plaatsen waar ze offers aan de afgoden brengen, zal vernietigen. 4-5De altaren op die plaatsen zal ik verwoesten. En ik zal ervoor zorgen dat ze zelf dood neervallen voor de afgodsbeelden. Overal op de grond zullen hun botten liggen.

6Al hun steden zullen verwoest worden, en de offerplaatsen zullen worden verlaten. De altaren worden volledig vernield, en de afgodsbeelden worden kapotgeslagen. Er blijft helemaal niets over van wat de mensen in Israël gemaakt hebben. 7En hun doden zullen niet te tellen zijn.

Dan zullen ze eindelijk begrijpen dat ik de Heer ben.

Een kleine groep mensen wordt gered

8Maar ik zal een kleine groep mensen redden. Zij zullen ontsnappen aan de strijd. Ze zullen in verre landen terechtkomen, en daar bij andere volken wonen.

9In die verre landen, waar ze als gevangenen naartoe gebracht zijn, zullen ze aan mij denken. Ze zullen begrijpen hoeveel verdriet ze mij gedaan hebben door hun ontrouw. En hoe boos ze mij gemaakt hebben doordat ze alleen maar aan hun afgoden dachten. Ze zullen zichzelf haten om de afschuwelijke dingen die ze hebben gedaan. 10En ze zullen begrijpen dat ze hun straf verdiend hebben.’

Het hele land wordt verwoest

11Opnieuw gaf God, de Heer, mij een opdracht. Hij zei: ‘Ezechiël, zwaai met je vuisten, stamp met je voeten, en roep: ‘Het moet afgelopen zijn met al die afschuwelijke misdaden van de Israëlieten!’

De Israëlieten zullen sterven door oorlog, honger en vreselijke ziektes. 12De mensen die ver bij de stad vandaan wonen, zullen sterven door de pest. De mensen die dicht bij de stad wonen, zullen doodgaan in de oorlog. En de mensen die dan nog overblijven, zullen sterven van de honger. Zo zal ik aan de Israëlieten laten zien hoe woedend ik ben.

13-14Er zullen dode lichamen liggen op alle plaatsen waar de Israëlieten offers brachten aan hun afgoden: tussen de afgodsbeelden en rondom de altaren, op de bergen en de heuvels, en onder elke groene boom.

Ik zal iedereen uit de steden wegjagen. En ik zal het hele land veranderen in een woestijn. Zo zal ik de Israëlieten straffen.

Dan zullen ze eindelijk begrijpen dat ik de Heer ben.’

7

Het einde van Israël komt

De Heer zal Israël straffen

71De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2‘Luister, mensenkind, dit zegt God, de Heer, tegen de inwoners van Israël: ‘Het einde komt voor het hele land! 3-4Ja, het einde komt voor jullie, inwoners van Israël. Ik zal jullie laten weten hoe woedend ik ben! Ik zal jullie straffen voor jullie misdaden. Met niemand zal ik medelijden hebben.

Dan zullen jullie eindelijk begrijpen dat ik de Heer ben.’

De Heer brengt een ramp over Israël

5Dit zegt God, de Heer: ‘Let op, er zal een ramp gebeuren, een ramp zoals er nooit eerder geweest is! 6-7Het einde is gekomen. Het is afgelopen met jullie, inwoners van het land! De tijd komt dat jullie de mensen in de bergen horen roepen. Ze roepen niet omdat ze blij zijn, maar ze schreeuwen van paniek. 8In die tijd zal ik jullie laten weten hoe woedend ik ben. Ik zal jullie straffen voor jullie vreselijke misdaden. 9Ik zal met niemand medelijden hebben.

Dan zullen jullie eindelijk begrijpen dat ik, de Heer, jullie straf.

De mensen doen steeds meer kwaad

10De dag waarop ik jullie zal straffen, komt snel. Het einde is dichtbij. Want de mensen in het land doen steeds meer kwaad, ze worden steeds wreder. Het kwaad verspreidt zich zo snel als onkruid zich verspreidt. 11Overal in het land is geweld, omdat de mensen zo veel misdaden plegen.

Er blijft niets over van Israël, er blijft niets over van alles waar het volk zo trots op is.

De Israëlieten raken alles kwijt

12-13Let op, die verschrikkelijke dag is dichtbij! Iemand die iets koopt, hoeft niet blij te zijn. En iemand die iets moet verkopen, hoeft niet verdrietig te zijn. Want de mensen kunnen hun bezit toch niet houden. Ze zullen alles kwijtraken en nooit meer iets terugkrijgen, ook al blijven ze zelf in leven. Zo zal ik de mensen straffen. Mijn besluit staat vast: iedereen die schuldig is, zal zijn bezit verliezen.

Een paar mensen zullen ontsnappen

14De mensen zullen alles klaarmaken voor de strijd. Ze blazen op de trompet om te laten horen dat de oorlog begint. Toch zal er niemand gaan vechten, want iedereen zal bang zijn. Daar zal ik zelf voor zorgen, omdat ik woedend ben op het hele volk.

15Buiten de stad zullen de mensen gedood worden door vijanden. En in de stad zullen ze sterven door honger en ziekte. 16Een paar mensen zullen dan kunnen ontsnappen. Zij zullen zich verstoppen in de bergen, net als vogels. Ze klagen en zuchten, omdat ze spijt hebben van hun misdaden. 17Hun handen beven en hun knieën trillen van angst. 18Ze trekken rouwkleren aan, en ze scheren hun hoofd kaal. Ze zijn doodsbang, en ze schamen zich diep.

Zilver en goud zullen waardeloos zijn

19In die tijd zullen de mensen hun zilver op straat gooien, en hun goud wegdoen alsof het iets smerigs is. Want op de dag dat ik hen straf, hebben ze niets aan zilver en goud. Hun honger gaat er niet van over. Ze kunnen hun buik er niet mee vullen.

Nee, hun goud en zilver brengt hun alleen maar ongeluk. Want ze hebben er slechte dingen mee gedaan. 20Ze hebben er afschuwelijke beelden van gemaakt! En ze waren nog trots op die beelden ook! Daarom zal ik ervoor zorgen dat ze een hekel krijgen aan hun zilver en goud. Ze zullen het wegdoen alsof het iets smerigs is.

21-22Andere volken zullen het land binnenkomen. Ze zullen de beelden roven, zodat die niet meer vereerd kunnen worden. En ze zullen ook mijn tempel vernielen. Ik zal die rovers niet tegenhouden, ook al houd ik nog zo veel van mijn tempel.

De mensen zullen doodsbang zijn

23Het land is vol moordenaars, en de stad is vol geweld. Daarom zal ik vijanden sturen om de inwoners gevangen te nemen. 24Ja, ik stuur wrede volken naar het land toe. Zij zullen de huizen in bezit nemen en de heilige plaatsen vernielen. Dan hebben de machtige mensen in Israël niets meer om trots op te zijn.

25Iedereen zal doodsbang zijn. En iedereen zal verlangen naar vrede. Maar er zal nergens vrede zijn. 26De ene ramp volgt op de andere. Het ene slechte bericht komt meteen na het andere. De mensen vragen aan de profeten wat er zal gebeuren. Maar de profeten weten het niet. De priesters kunnen niet zeggen wat de mensen moeten doen. En de leiders van het volk kunnen geen raad meer geven. 27De koning heeft alle moed verloren, en de bestuurders zijn in paniek. Het hele volk beeft van angst.

Zo zal ik de Israëlieten straffen voor hun misdaden. Ik zal met hen doen wat zij zelf met anderen gedaan hebben. Dan zullen ze eindelijk begrijpen dat ik de Heer ben.’’

8

De tweede droom van Ezechiël

De Heer geeft Ezechiël weer een droom

81Op een dag waren de leiders van Juda bij mij thuis op bezoek. Dat was op de vijfde dag van de zesde maand. Mijn volk en ik woonden toen zes jaar in Babylonië.

Toen die mannen voor mij zaten, voelde ik opeens de macht van de Heer. 2De Heer liet mij iets zien. Ik zag iemand die leek op een mens. De onderkant van zijn lichaam gloeide als vuur, en de bovenkant glansde als goud. 3Hij stak iets uit dat eruitzag als een hand, en hij greep mij bij mijn haren.

Ezechiël komt in de tempel

Toen werd ik in mijn droom opgetild door de geest van God. De geest nam me mee door de lucht, en bracht me naar Jeruzalem. Daar zette hij me neer bij de tempel, bij de poort aan de noordkant. Bij die poort staat een afgodsbeeld. Dat beeld is een belediging voor God, het maakt hem woedend.

4Op die plek liet de God van Israël zich aan mij zien, stralend en machtig. Zo had ik hem ook gezien in het dal.

Ezechiël ziet een afgodsbeeld

5De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, kijk eens naar het noorden.’ Ik keek naar het noorden, en zag het afgodsbeeld staan bij de ingang van de poort.

6‘Mensenkind,’ zei de Heer tegen mij, ‘zie je wat de Israëlieten hier doen? Ze doen hier de meest afschuwelijke dingen. Ze jagen mij weg uit mijn eigen tempel! Maar straks zul je dingen zien die nog veel erger zijn.’

De leiders van Israël vereren afgoden

7Daarna bracht de Heer mij naar de ingang van het tempelplein. Ik zag dat er in de muur een gat was. 8De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, kruip door dat gat heen!’ Ik kroop door het gat in de muur, en kwam toen bij een deur.

9De Heer zei: ‘Ga maar eens kijken wat voor afschuwelijke dingen ze daar doen.’ 10Ik ging naar binnen en keek om me heen. Toen zag ik dat er op de muren afbeeldingen stonden van de afgoden van de Israëlieten. En ook van kruipende beesten en allerlei andere onreine dieren.

11Voor die afbeeldingen stonden zeventig leiders van Israël. Eén van hen was Jaäzanja, de zoon van Safan. De mannen waren wierook aan het branden voor de afgoden. Ik rook de sterke geur van de wierook.

12De Heer vroeg aan mij: ‘Mensenkind, heb je gezien wat de leiders van Israël daar in het donker doen? Daar in die kamer vol met afbeeldingen? Ze denken dat ik hen niet zie. Ze denken dat ik Israël verlaten heb.’

Ezechiël ziet nog meer slechte dingen

13‘Ik zal je nog meer laten zien van de afschuwelijke dingen die de Israëlieten doen,’ zei de Heer. 14En hij bracht me weer naar de poort aan de noordkant van de tempel. Daar zaten vrouwen die rouwden om de dood van de god Tammuz. 15De Heer vroeg aan mij: ‘Heb je dat gezien, mensenkind? Straks zul je dingen zien die nog veel erger zijn.’

16Toen bracht hij me naar het binnenplein van de tempel. Bij de ingang van de tempel, tussen de hal en het altaar, zag ik ongeveer vijfentwintig mannen staan. Ze stonden met hun rug naar de tempel toe, en keken naar het oosten. Toen knielden ze om de zon te vereren.

17‘Heb je dat allemaal gezien, mensenkind?’ vroeg de Heer aan mij. ‘Maar de mensen uit Juda vinden al die afschuwelijke dingen nog niet erg genoeg. Want ze plegen ook geweld, overal in het land. Zo beledigen ze mij, steeds opnieuw. Zie je hoe verschrikkelijk kwaad ze mij maken? 18Maar ik zal hen straffen! Ik zal geen medelijden met hen hebben. Al roepen ze nog zo hard om hulp, ik zal niet naar hen luisteren.’