Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

Ezechiël moet een aanval uitbeelden

41De Heer zei verder tegen mij: ‘Mensenkind, pak een tegel van klei, en leg die voor je neer. Op die tegel moet je een stad tekenen. Dat is Jeruzalem.

2Je moet laten zien dat de stad aangevallen wordt door vijanden. Teken de plek waar ze een kamp maken en waar ze hun leger opstellen. 3Pak dan een ijzeren plaat, en zet die naast de stad die je getekend hebt. Die plaat stelt een sterke muur voor. Jij moet daarachter gaan zitten en steeds goed naar de stad kijken. Jij stelt dan de vijand voor die de stad aanvalt.

Zo laat je de mensen van je volk zien dat Jeruzalem door vijanden aangevallen zal worden.

4-5Ga daarna op je linkerzij liggen. Dat moet je 390 dagen volhouden. Zo laat ik je lijden voor de schuld van Israël. Iedere dag stelt één jaar voor. Want de inwoners van Israël zijn al 390 jaar schuldig.

6Als die dagen voorbij zijn, moet je op je rechterzij gaan liggen. Zo laat ik je lijden voor de schuld van Juda. Dat moet je veertig dagen volhouden. Want de inwoners van Juda zijn al veertig jaar schuldig.

7Zolang je op je zij ligt, moet je goed blijven kijken naar de stad die je getekend hebt. Doe alsof jij de vijand bent die de stad aanvalt, en spreek dreigende woorden tegen de stad. 8Al die tijd blijf je vastgebonden met touwen, zodat je je niet kunt omdraaien.’

Ezechiël moet onrein voedsel eten

9De Heer zei ook tegen mij: ‘Pak een grote kom, en doe daar verschillende soorten graan in. Bak daarvan een brood. Van dat brood mag je eten zolang je op je linkerzij ligt. Dat is 390 dagen lang. 10-11Iedere dag mag je maar een klein beetje brood eten. En verder mag je iedere dag ook maar een klein beetje water drinken.

12-13Je moet ook een koek van gerst bakken. Zorg ervoor dat iedereen ziet wat je doet. Maak eerst een vuurtje met de gedroogde poep van mensen, en bak de koek op dat vuur. De koek zal dan onrein zijn, en jij zult dus onrein voedsel eten. Zo laat je zien dat de Israëlieten binnenkort ook onrein voedsel zullen eten. Dat zal gebeuren als ik hen bij andere volken laat wonen.’

14Ik riep: ‘Dat kunt u mij niet aandoen, Heer, mijn God! Ik heb mijn hele leven nog nooit iets onreins gegeten! Ik heb nog nooit vlees gegeten van een dier dat door een ander dier gedood is, of van een dier dat ergens dood gevonden is. En ik heb nog nooit onrein offervlees gegeten!’

15‘Goed,’ antwoordde de Heer. ‘Je hoeft de koek niet te bakken op de gedroogde poep van mensen. Je mag de mest van koeien gebruiken.’

Er komt honger in Jeruzalem

16‘Mensenkind,’ zei de Heer tegen mij, ‘ik zal ervoor zorgen dat er in Jeruzalem nog maar heel weinig voedsel is. De mensen kunnen iedere dag maar een klein beetje brood eten en een klein beetje water drinken. Iedereen zal wanhopig zijn 17omdat er bijna geen brood en geen water meer is. De mensen zullen in paniek raken. En ze zullen sterven van honger en dorst, door hun eigen schuld.’

5

Ezechiël moet zijn haar afscheren

51Toen zei de Heer: ‘Mensenkind, pak nu een scherp zwaard en scheer daarmee je haar en je baard af. Leg het haar op een weegschaal, en verdeel het in drie delen.

2Het eerste deel van het haar moet je verbranden. Doe dat in de stad, als de vijanden de stad verlaten hebben.

Het tweede deel van het haar moet je met je zwaard in kleine stukjes hakken. Doe dat buiten de stad.

Het derde deel van het haar moet je weg laten waaien met de wind. Dan zal ik het met mijn zwaard achtervolgen.

3Een aantal haren moet je apart houden en in je jas bewaren. 4Gooi een paar van die haren in het vuur, en laat ze verbranden. Door dat vuur zal heel Israël in brand komen te staan.

5Daarmee laat je zien wat er met Jeruzalem zal gebeuren. Mijn besluit hierover staat vast.

De inwoners van Jeruzalem zijn slecht

Eerst waren de inwoners van Jeruzalem net zo slecht als de volken om hen heen. 6Maar toen kwamen ze in opstand tegen mijn wetten, en werden ze nog slechter dan de andere volken. Ze gingen zich verzetten tegen mijn regels, nog meer dan de volken om hen heen. De inwoners van Jeruzalem wilden zich niet aan mijn regels houden. En van mijn wetten wilden ze niets weten.

7Daarom zeg ik tegen hen: ‘Inwoners van Jeruzalem, jullie zijn nog erger dan de andere volken! Jullie houden je niet aan mijn regels, en leven niet volgens mijn wetten. Jullie houden je zelfs niet aan de wetten van andere volken.

8Daarom zal ik jullie straffen, en alle volken zullen dat zien. 9Ik zal jullie zwaarder straffen dan ik ooit gedaan heb, en dan ik ooit nog doen zal. Want jullie hebben vreselijke dingen gedaan. 10Dit zal er met jullie gebeuren: de honger in de stad zal zo erg worden dat ouders hun kinderen zullen opeten, en kinderen hun ouders. De mensen die dan nog overblijven, zal ik alle kanten op jagen.

Er blijft niemand over in Jeruzalem

11Inwoners van Jeruzalem, luister goed naar wat ik zeg. Jullie hebben mijn tempel onrein gemaakt met jullie afschuwelijke goden. Omdat jullie dat gedaan hebben, zal ik jullie wegjagen. Er zal niemand van jullie overblijven. Net zoals iemand al zijn haar wegscheert, zodat er niets van overblijft. Ik zal met niemand van jullie medelijden hebben.

12Dit is wat er met jullie zal gebeuren: Een deel van jullie zal sterven door ziekte of door honger. Dat zal gebeuren midden in de stad. Een tweede deel zal gedood worden in de strijd. Dat zal gebeuren buiten de stad. Een derde deel zal ik achtervolgen en alle kanten op jagen.

13Zo zal ik jullie straffen. Dan zullen jullie weten hoe kwaad ik ben. En jullie zullen begrijpen dat dat door jullie ontrouw komt.

Jeruzalem zal verwoest worden

14-15Ik zal Jeruzalem totaal verwoesten. Dan zullen alle andere volken de stad bespotten. Maar ze zullen ook schrikken als ze zien hoe woedend ik op de stad ben. En ze zullen bang worden als ze merken hoe zwaar ik de inwoners straf. 16Want ik zal ervoor zorgen dat er in Jeruzalem nog maar heel weinig te eten is. Er zal grote hongersnood komen in de stad. Veel inwoners zullen sterven.

17Ik zorg niet alleen voor honger, maar ik stuur ook wilde dieren naar de stad. Door die twee rampen zullen de mensen in Jeruzalem hun kinderen verliezen. En zelf zullen ze gedood worden door ziekte, geweld en oorlog. Dat alles heb ik, de Heer, besloten.’’

6

God gaat Israël straffen

God waarschuwt de mensen in de bergen

61De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2‘Mensenkind, kijk in de richting van de bergen van Israël. En vertel de mensen die daar wonen, wat er gaat gebeuren. 3Zeg tegen hen dat ik een leger op hen afstuur. En dat ik de plaatsen waar ze offers aan de afgoden brengen, zal vernietigen. 4-5De altaren op die plaatsen zal ik verwoesten. En ik zal ervoor zorgen dat ze zelf dood neervallen voor de afgodsbeelden. Overal op de grond zullen hun botten liggen.

6Al hun steden zullen verwoest worden, en de offerplaatsen zullen worden verlaten. De altaren worden volledig vernield, en de afgodsbeelden worden kapotgeslagen. Er blijft helemaal niets over van wat de mensen in Israël gemaakt hebben. 7En hun doden zullen niet te tellen zijn.

Dan zullen ze eindelijk begrijpen dat ik de Heer ben.

Een kleine groep mensen wordt gered

8Maar ik zal een kleine groep mensen redden. Zij zullen ontsnappen aan de strijd. Ze zullen in verre landen terechtkomen, en daar bij andere volken wonen.

9In die verre landen, waar ze als gevangenen naartoe gebracht zijn, zullen ze aan mij denken. Ze zullen begrijpen hoeveel verdriet ze mij gedaan hebben door hun ontrouw. En hoe boos ze mij gemaakt hebben doordat ze alleen maar aan hun afgoden dachten. Ze zullen zichzelf haten om de afschuwelijke dingen die ze hebben gedaan. 10En ze zullen begrijpen dat ze hun straf verdiend hebben.’

Het hele land wordt verwoest

11Opnieuw gaf God, de Heer, mij een opdracht. Hij zei: ‘Ezechiël, zwaai met je vuisten, stamp met je voeten, en roep: ‘Het moet afgelopen zijn met al die afschuwelijke misdaden van de Israëlieten!’

De Israëlieten zullen sterven door oorlog, honger en vreselijke ziektes. 12De mensen die ver bij de stad vandaan wonen, zullen sterven door de pest. De mensen die dicht bij de stad wonen, zullen doodgaan in de oorlog. En de mensen die dan nog overblijven, zullen sterven van de honger. Zo zal ik aan de Israëlieten laten zien hoe woedend ik ben.

13-14Er zullen dode lichamen liggen op alle plaatsen waar de Israëlieten offers brachten aan hun afgoden: tussen de afgodsbeelden en rondom de altaren, op de bergen en de heuvels, en onder elke groene boom.

Ik zal iedereen uit de steden wegjagen. En ik zal het hele land veranderen in een woestijn. Zo zal ik de Israëlieten straffen.

Dan zullen ze eindelijk begrijpen dat ik de Heer ben.’