Bijbel in Gewone Taal (BGT)
44

Het binnengaan van de tempel

De gesloten poort

441De man die mij de tempel liet zien, bracht me terug naar de poort aan de oostkant van het buitenste plein. Die poort was dicht.

2De Heer zei tegen mij: ‘Deze poort moet dicht blijven. Hij mag niet geopend worden. Niemand mag erdoorheen gaan. Want ik, de Heer, de God van Israël, ben door deze poort naar binnen gegaan. 3Alleen de koning van Israël mag in het poortgebouw komen. Hij mag daar bij een feestmaal offervlees eten. Maar hij moet het poortgebouw in gaan via de hal. En hij moet het gebouw ook weer via de hal verlaten.’

De regels voor de tempel

4Daarna bracht de man mij via de noordelijke poort naar de voorkant van de tempel. Ik zag dat de tempel vol was met het stralende licht van de Heer. Toen liet ik me neervallen op mijn knieën. 5De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, let goed op! Kijk goed naar alles wat je ziet. En luister goed naar alles wat ik tegen je zeg. Want ik ga je de wetten en regels vertellen die gelden voor de tempel van de Heer.

Vreemdelingen mogen de tempel niet in

Onthoud goed wie er in de tempel mag komen en wie niet. 6En zeg tegen het ongehoorzame volk van Israël: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik heb genoeg van jullie afschuwelijke gedrag! 7-8Jullie hebben wel vet en bloed van dieren aan mij geofferd, maar jullie hebben je niet gehouden aan de afspraken die ik met jullie gemaakt heb. Want jullie hebben niet zelf voor de tempel gezorgd, maar dat door vreemdelingen laten doen. Dat vind ik verschrikkelijk!

9Luister naar wat ik, de Heer, zeg: Vreemdelingen, die mijn regels niet kennen en die niet besneden zijn, mogen niet in mijn tempel komen! Dat geldt voor alle vreemdelingen die bij jullie wonen.

De Levieten die ontrouw geweest zijn

10Toen het volk afgoden ging vereren en mij in de steek liet, hebben sommige Levieten dat ook gedaan. Die Levieten zullen gestraft worden voor hun ontrouw. 11-14Ze mogen in de tempel niet dicht bij mij komen om mij als priester te dienen. Ze mogen niet in de buurt komen van de heilige voorwerpen. En ze mogen niet in het allerheiligste deel van de tempel komen. Ze mogen alleen het gewone werk in de tempel doen: Ze moeten de poorten bewaken. Ze moeten voor het volk de offerdieren slachten. En ze moeten steeds klaarstaan om de mensen te helpen.

Want die Levieten hebben het volk geholpen om afgoden te vereren. Ze hebben ervoor gezorgd dat het volk ging zondigen. Daarom heb ik besloten om hen te straffen. Ze zullen voor altijd de gevolgen voelen van hun ontrouw.

De Levieten die afstammen van Sadok

15Maar de Levieten die van Sadok afstammen, zijn mij altijd trouw gebleven. Want toen de Israëlieten mij in de steek lieten, bleven die Levieten voor mijn tempel zorgen. Daarom mogen zij wel dicht bij mij komen om mij als priester te dienen. Zij mogen vet en bloed van dieren aan mij aanbieden. 16Zij mogen mij dienen in mijn tempel: ze mogen de tempel binnengaan en offers brengen op mijn altaar.

Regels voor de priesters

De kleren van de priesters

17-18Als de priesters door één van de poorten naar het binnenplein van de tempel gaan, moeten ze linnen kleren aantrekken. Ook hun tulband en hun broek moeten van linnen zijn. De priesters mogen in de poorten of in de tempel geen kleren van wol dragen. Ze mogen niets aanhebben waardoor ze gaan zweten.

19Als de priesters het binnenplein verlaten, moeten ze de kleren die ze in de tempel gedragen hebben, weer uittrekken. Ze moeten die neerleggen in de heilige priestergebouwen, en andere kleren aantrekken. Pas daarna mogen ze naar het buitenste plein van de tempel gaan, waar het volk is. Want het volk mag niet in contact komen met hun heilige kleren.

Andere regels voor de priesters

20Priesters mogen hun hoofd niet kaalscheren. Maar ze mogen hun haar ook niet te lang laten worden. Ze moeten het regelmatig knippen.

21Priesters mogen nooit wijn drinken voordat ze naar het binnenplein van de tempel gaan.

22Een priester moet een vrouw kiezen die nog nooit met een andere man geslapen heeft. Het moet een meisje zijn dat bij het volk van Israël hoort. Een priester mag niet trouwen met een gescheiden vrouw of met een weduwe. Behalve als de weduwe de vrouw geweest is van een andere priester.

De taken van de priesters

23De priesters moeten mijn volk het verschil leren tussen wat heilig is en wat niet heilig is. En ze moeten het volk leren wat rein is en wat onrein is.

24Als er ruzie is tussen mensen, moeten de priesters rechtspreken volgens mijn wetten.

De priesters moeten zich houden aan de wetten en regels die ik voor alle feestdagen gegeven heb. En ze moeten de sabbat vieren als een heilige dag.

Contact met dode lichamen

25Priesters mogen niet onrein worden. Daarom mogen ze niet in de buurt komen van het lichaam van een dode. Ze mogen alleen in de buurt van een dode komen als dat hun vader of moeder is, hun zoon of dochter, hun broer, of een zus die nog niet getrouwd is.

26Als een priester in de buurt van een dode is geweest, is hij onrein. Hij moet dan eerst rein verklaard worden. Daarna moet hij nog zeven dagen wachten. 27Pas daarna mag hij weer op het binnenplein van de tempel komen. Hij moet dan in de tempel eerst een offer brengen om helemaal rein te worden. En dan kan hij weer met zijn gewone werk in de tempel beginnen. Dat heb ik, de Heer, besloten.

Priesters krijgen geen eigen grond

28Aan de priesters mogen jullie geen grond in bezit geven. Zij mogen in Israël geen eigen grond hebben. Want ik zal zelf voor hen zorgen. 29De priesters mogen namelijk eten van offers die in de tempel gebracht worden: van graanoffers, offers waarmee fouten goedgemaakt worden, en offers waarmee iemands schuld weggenomen wordt. Ze mogen ook alles gebruiken wat de mensen voor de tempel bestemd hebben.

30Verder krijgen de priesters het beste deel van de eerste oogst, en het beste deel van de geschenken die het volk aan mij geeft. En als de mensen brood bakken, moeten ze een deel van het deeg aan de priesters geven. Als ze dat doen, zal het goed met die mensen gaan.

Regels over het eten van vlees

31Priesters mogen nooit het vlees eten van een dier dat ergens dood gevonden is. En ook niet het vlees van een dier dat door een ander beest gedood is.

45

Het heilige gebied

Het gebied voor de Heer

451Luister, Israëlieten. Als jullie het land verdelen onder de stammen van Israël, moeten jullie een deel van het land apart houden en aan mij geven. Dat moet een gebied zijn van 12,5 kilometer lang en 10 kilometer breed. Het zal een heilig gebied zijn.

Het gebied voor de tempel en de priesters

2-4De helft van dat heilige gebied is bestemd voor de tempel, die heel heilig is, en voor de priesters. Dat moet een stuk land zijn van 12,5 kilometer lang en 5 kilometer breed.

De tempel moet op een stuk land staan van 250 meter lang en 250 meter breed. Rondom de tempel moet een stuk gras zijn van 25 meter breed.

In deze helft van het heilige gebied mogen de priesters wonen die dicht bij mij komen als ze mij in de tempel dienen. Zij mogen daar hun huizen bouwen.

Het gebied voor de Levieten

5De andere helft van het heilige gebied is bestemd voor de Levieten die in de tempel werken. Ook dat moet een stuk land zijn van 12,5 kilometer lang en 5 kilometer breed. Het zal hun eigen bezit zijn. Ze krijgen daar hun eigen steden om in te wonen.

Het gebied voor de stad

6Jullie moeten ook een stuk land aanwijzen dat bestemd is voor een stad. Dat stuk land moet 12,5 kilometer lang zijn en 2,5 kilometer breed. Het moet naast het heilige gebied liggen.

In die stad mag iedere Israëliet komen wonen.

Het gebied voor de koning

7De koning krijgt land naast het heilige gebied en het gebied voor de stad, aan de westkant en aan de oostkant. Naar het westen loopt zijn gebied tot aan de Middellandse Zee, en naar het oosten tot aan de oostgrens van het land. Het gebied van de koning moet even lang zijn als het gebied dat elke stam krijgt.

8Dat zal het enige stuk land van de koning zijn. De koning moet de rest van het land aan de stammen van Israël geven. Want hij mag het volk niet onderdrukken. 9Daarom zeg ik, de Heer, tegen de koningen van Israël: ‘Het is genoeg geweest, koningen! Jullie mogen het volk niet langer onderdrukken. Jullie mogen geen geweld meer tegen hen gebruiken. Jullie moeten goed zijn en eerlijk. En jullie mogen mijn volk nooit meer wegjagen van hun eigen grond.’

Regels voor handel en belasting

Maten en gewichten

10Luister, Israëlieten. Als jullie zakendoen, moeten jullie altijd een zuivere weegschaal en zuivere maten en gewichten gebruiken.

11De standaardmaat om inhoud af te meten is een kruik van 450 liter. Olie en graan moeten afgemeten worden in kruiken die tien keer zo klein zijn.

12De standaardmaat om iets te wegen is een gewicht van 10 gram.

Belasting

13Dit is wat jullie aan de koning moeten betalen als belasting: één zestigste deel van je tarwe en gerst, 14en één honderdste deel van je olie.

15Jullie moeten ook schapen of geiten als belasting betalen. Van elke 200 dieren die je bezit, moet je één schaap of geit geven. Dat moeten dieren zijn die goed te eten hebben gehad. De dieren moeten aan mij, de Heer, geofferd worden. Het zijn offerdieren om goed te maken wat er verkeerd gedaan is.

16Iedereen uit het volk moet aan de koning die belasting betalen. 17En de koning moet er dan voor zorgen dat er op de feestdagen offers aan mij gebracht worden. Dat moet gebeuren op alle feestdagen, ook op sabbat en op het Feest van Nieuwe Maan. Door die offers wordt weer goedgemaakt wat de Israëlieten verkeerd gedaan hebben.

Regels voor de feesten

Het rein maken van de tempel

18Luister naar wat ik, de Heer, zeg: Op de eerste dag van de eerste maand moet er een jonge stier geofferd worden. Die stier mag geen gebreken hebben. Door dat offer zal de tempel rein worden. 19De priester moet wat bloed van die stier nemen. Hij moet dat op de deurposten van de tempel en van de poort naar het binnenplein smeren. En hij moet wat bloed smeren aan de hoeken van het altaar.

20Op de zevende dag van diezelfde maand moet de priester nog een keer een stier offeren. Dat is een offer voor mensen die per ongeluk iets doen dat de Heer verboden heeft. En voor mensen die iets verkeerds doen zonder dat ze het weten. Op die manier wordt de tempel weer rein gemaakt.

Het Paasfeest

21Op de veertiende dag van de eerste maand begint het Paasfeest. Dat duurt zeven dagen. Tijdens het Paasfeest moeten jullie brood zonder gist eten.

22Op de eerste dag van het Paasfeest moet de koning een stier offeren. Hij moet dat doen om goed te maken wat hijzelf en het volk verkeerd gedaan hebben. 23Bovendien moet hij op elke dag van het Paasfeest zeven stieren en zeven rammen offeren. Die dieren mogen geen gebreken hebben. Het offer moet helemaal verbrand worden.

Verder moet de koning tijdens het Paasfeest iedere dag een bok offeren. Dat moet hij doen om goed te maken wat hijzelf en het volk verkeerd gedaan hebben.

24Bij elke stier of ram die de koning offert, moet hij ook 20 kilo graan en 7,5 liter olijfolie offeren.

Het Loofhuttenfeest

25Het Loofhuttenfeest begint op de vijftiende dag van de zevende maand. Ook dat feest duurt zeven dagen.

De koning moet tijdens het Loofhuttenfeest hetzelfde doen als tijdens het Paasfeest. Hij moet dezelfde offers brengen, zeven dagen lang.

46

Sabbat en het Feest van Nieuwe Maan

461Luister naar wat ik, de Heer, zeg: De tempelpoort aan de oostkant van het binnenplein moet zes dagen per week dicht blijven. Maar op sabbat en op het Feest van Nieuwe Maan moet hij geopend worden. 2Op die dagen moet de koning de poort binnengaan. Hij moet vanaf het buitenste plein via de hal naar binnen gaan. En hij moet gaan staan bij de deurpost van de poort.

Dan moeten de priesters namens hem twee offers brengen. Het ene offer is een offer dat helemaal verbrand moet worden. Het andere offer is een offer om mij, de Heer, te danken. Daarna moet de koning een diepe buiging maken op de drempel van de poort en weer naar buiten gaan. De poort mag pas ’s avonds weer gesloten worden.

3Ook het volk moet op sabbat en op het Feest van Nieuwe Maan bij de ingang van de poort voor mij buigen.

4Het offer dat de koning op sabbat aan mij brengt, moet helemaal verbrand worden. Het moet bestaan uit zes jonge rammen en één volwassen ram. De dieren mogen geen gebreken hebben. 5Als de koning de volwassen ram offert, moet hij tegelijk 20 kilo meel offeren. En bij de jonge rammen moet hij zo veel meel offeren als hij kan missen. Door elke 20 kilo meel die hij offert, moet hij 7,5 liter olijfolie mengen.

6Op het Feest van Nieuwe Maan moet de koning een stier, zes jonge rammen en één volwassen ram offeren. Ook die mogen geen gebreken hebben. 7Als graanoffer moet hij bij elke stier en bij elke volwassen ram 20 kilo meel offeren. Bij de jonge rammen moet hij zo veel meel offeren als hij kan missen. Door elke 20 kilo meel die hij offert, moet hij 7,5 liter olijfolie mengen.

Het binnengaan door de poort

8Als de koning de poort in gaat, moet hij naar binnen gaan via de hal. En hij moet langs dezelfde weg weer naar buiten gaan.

9Maar dat geldt niet voor het volk. Als de mensen mij willen vereren op feestdagen, mogen ze niet naar buiten gaan door de poort waardoor ze naar binnen kwamen. Ze moeten naar buiten gaan door de poort daartegenover. Dus als ze door de noordelijke poort naar binnen zijn gegaan, moeten ze door de zuidelijke poort weer naar buiten. En als ze door de zuidelijke poort naar binnen zijn gegaan, moeten ze door de noordelijke poort weer naar buiten.

10De koning moet tegelijk met het volk naar binnen en naar buiten gaan.

Andere feesten

11Net als op sabbat en op het Feest van Nieuwe Maan moeten ook op andere feesten graanoffers gebracht worden. Bij elke stier en bij elke volwassen ram moet de koning 20 kilo meel offeren. En bij de jonge rammen moet hij zo veel meel offeren als hij kan missen. Door elke 20 kilo meel die hij offert, moet hij 7,5 liter olijfolie mengen.

Vrijwillige offers

12Als de koning op andere dagen een offer wil brengen, moet de oostelijke poort voor hem geopend worden. Hij kan dan zijn offers brengen op dezelfde manier als op sabbat. Daarna moet hij weer naar buiten gaan. Zodra hij buiten is, moet de poort gesloten worden.

Dagelijkse offers

13Iedere ochtend moet er een ram aan mij geofferd worden. Dat moet een ram zijn van één jaar oud, zonder gebreken. Het offer moet helemaal verbrand worden.

14Ook moet er iedere ochtend een graanoffer gebracht worden. Dat moet bestaan uit 4,5 kilo fijn meel, gemengd met een halve liter olijfolie.

Die regels gelden voor altijd. 15De priesters moeten dus iedere ochtend een jonge ram, meel en olijfolie offeren.

Het bezit van de koning

16Luister naar wat ik, de Heer, zeg: De koning kan een stuk van zijn grond aan één van zijn zonen geven. Als hij dat doet, dan blijft dat stuk grond voor altijd het bezit van die zoon en zijn nakomelingen. 17De koning kan ook een stuk van zijn grond aan één van zijn slaven geven. Als hij dat doet, dan mag die slaaf het stuk grond houden tot aan het vijftigste jaar. In het vijftigste jaar moet de grond weer teruggegeven worden aan de koning. Want de grond blijft het bezit van de koning en zijn nakomelingen. Na de dood van de koning zullen zijn zonen het krijgen.

18De koning mag geen grond afpakken van het volk. Hij mag andere mensen niet van hun land wegjagen om dat land zelf in bezit te nemen. Hij mag alleen zijn eigen grond aan zijn zonen geven.’’

Ezechiël ziet nog meer van de tempel

De keuken van de priesters

19De man die mij de tempel liet zien, nam me mee naar het binnenplein van de tempel. We kwamen daar via de ingang naast de poort. De man bracht me naar het heilige priestergebouw waarvan de ingang uitkeek op het noorden. Aan de westkant van dat gebouw was achterin een aparte ruimte.

20De man zei tegen mij: ‘Dit is de keuken waar de priesters hun heilige maaltijden klaarmaken. Ze koken hier hun deel van het offervlees, en ze bakken hier hun deel van de graanoffers. Als ze dat hier klaarmaken, hoeven ze de offers niet naar het buitenste plein te brengen, waar het volk is. Want het volk mag niet in contact komen met de heilige offers.’

De keukens van de Levieten

21Toen bracht de man me naar het buitenste plein van de tempel. Hij nam me mee langs alle vier de hoeken van het buitenste plein. Ik zag dat in elke hoek een afgesloten ruimte was. 22Die ruimtes waren elk even groot: 20 meter lang en 15 meter breed. 23Om elke ruimte heen stond een muurtje. En onder aan elk muurtje was een plek om te koken.

24De man zei tegen mij: ‘Dit zijn de keukens voor de Levieten die in de tempel werken. Hier maken zij het vlees klaar van de offers van het volk.’