Bijbel in Gewone Taal (BGT)
43

De Heer keert terug naar de tempel

431De man bracht me weer terug naar de oostelijke poort van de tempel. 2En daar zag ik hoe de God van Israël verscheen, stralend en machtig. Hij kwam vanuit het oosten. Ik hoorde een geluid dat klonk als het gebulder van de zee. En ik zag hoe de aarde straalde van licht. 3Zoiets had ik ook gezien in mijn droom over de verwoesting van Jeruzalem. En ook bij het Kebar-kanaal had ik zoiets gezien. Meteen liet ik me neervallen op mijn knieën.

4Ik zag dat de Heer door de oostelijke poort de tempel binnenging. 5Toen tilde de geest van God mij op en bracht me naar het binnenplein van de tempel. Ik zag dat de tempel vol was met het stralende licht van de Heer.

De Heer zal in de tempel wonen

6De man kwam weer naast me staan. En op dat moment hoorde ik dat de Heer tegen mij sprak. Hij zei tegen mij vanuit de tempel: 7‘Mensenkind, dit is de plaats waar mijn troon staat. Hier zal ik regeren. En hier blijf ik voor altijd wonen, dicht bij de Israëlieten. De Israëlieten zullen mijn heilige naam niet meer beledigen. Ze zullen niet meer ontrouw zijn aan mij. En ze zullen de lichamen van hun gestorven koningen niet meer vereren.

8Vroeger bouwden de koningen van Israël hun paleizen vlak naast mijn tempel. Er stond alleen maar een muur tussen hun paleis en mijn tempel. Die koningen beledigden mij met hun afschuwelijke gedrag. Ze maakten mij woedend. Daarom heb ik een einde gemaakt aan hun leven. 9Maar vanaf nu zullen de Israëlieten niet meer ontrouw zijn aan mij. Ze zullen de lichamen van hun gestorven koningen niet meer vereren. En ik zal voor altijd bij hen wonen.’

Ezechiël moet over de tempel vertellen

10-11Toen zei de Heer: ‘Mensenkind, jij moet het volk van Israël over de tempel vertellen. Dan zullen ze zich schamen voor de verkeerde dingen die ze gedaan hebben. En ze zullen daar spijt van krijgen. Als dat gebeurt, moet jij uitleggen hoe de tempel eruit zal zien. Geef alle maten door. En laat hun zien waar alle gebouwen moeten staan, en waar de uitgangen en de ingangen komen. Vertel hun ook welke wetten en regels er gelden voor de tempel. Schrijf dat allemaal voor hen op. Dan kunnen ze alles goed onthouden, en later precies uitvoeren.

12Dit is de belangrijkste regel voor de tempel: het hele gebied van de tempel, boven op de berg, is heel heilig.’

Het altaar in de nieuwe tempel

De maten van het altaar

13Nu volgen de hoogte en de breedte van het altaar dat in de tempel stond. Bij het meten van het altaar zijn dezelfde maten gebruikt als bij de tempel.

Om het altaar heen was een geul van een halve meter diep en een halve meter breed. Daaromheen was een rand van 25 centimeter hoog.

14Het altaar bestond uit drie lagen, die allemaal vierkant waren. Naar boven toe werden die vierkanten kleiner. De onderste laag was 8 meter lang, 8 meter breed en 1 meter hoog. De middelste laag was 7 meter lang, 7 meter breed en 2 meter hoog. 15-17De bovenste laag was 6 meter lang, 6 meter breed en 2 meter hoog. Op de bovenste laag werden de offers verbrand. Het altaar had daar vier verhoogde hoeken. De middelste laag had rondom een geul van 50 centimeter diep. Daaromheen was een rand van 25 centimeter hoog.

Er was een trap aan de oostkant van het altaar.

Het altaar moet rein gemaakt worden

18-19De man zei tegen mij: ‘Mensenkind, dit zegt God, de Heer: ‘Voor het altaar gelden bepaalde regels. Als het altaar klaar is, moet er eerst een offer gebracht worden om het altaar rein te maken. Pas daarna mogen er offers op verbrand worden, en mag er bloed over gegoten worden. Dat offer om het altaar rein te maken, moet een stier zijn. Die stier moet jij aan de priesters geven. Het offer moet gebracht worden door Levieten die van Sadok afstammen. Want alleen zij mogen in de tempel dicht bij mij komen, om mij als priester te dienen.

20Eerst moet jij wat bloed van die stier nemen, en dat moet je aan de bovenste vier hoeken van het altaar smeren. Je moet het ook langs de zijkanten gieten, en langs de rand van het altaar. Op die manier maak je het altaar rein.

21Daarna moet de stier verbrand worden op een speciale plek buiten de tempel.

Na zeven dagen is het altaar rein

22De volgende dag moet je een bok aan mij aanbieden. Die bok mag geen gebreken hebben. De priesters moeten die bok offeren. Het is een offer om het altaar rein te maken, net als het offer van de stier.

23Daarna moet je een stier en een ram aan mij aanbieden. Ook die dieren mogen geen gebreken hebben. 24De priesters moeten zout over de stier en de ram strooien, en de dieren aan mij offeren. Ze moeten de offers helemaal verbranden.

25Zeven dagen lang moeten er elke dag een bok, een stier en een ram geofferd worden om het altaar rein te maken. De dieren mogen geen gebreken hebben. 26Al die dagen moeten de priesters offers brengen om het altaar rein te maken en om het klaar te maken voor gebruik. 27Pas na die zeven dagen mogen ze op het altaar de offers van het volk brengen. Dan zal ik, de Heer, die offers graag aannemen.’’

44

Het binnengaan van de tempel

De gesloten poort

441De man die mij de tempel liet zien, bracht me terug naar de poort aan de oostkant van het buitenste plein. Die poort was dicht.

2De Heer zei tegen mij: ‘Deze poort moet dicht blijven. Hij mag niet geopend worden. Niemand mag erdoorheen gaan. Want ik, de Heer, de God van Israël, ben door deze poort naar binnen gegaan. 3Alleen de koning van Israël mag in het poortgebouw komen. Hij mag daar bij een feestmaal offervlees eten. Maar hij moet het poortgebouw in gaan via de hal. En hij moet het gebouw ook weer via de hal verlaten.’

De regels voor de tempel

4Daarna bracht de man mij via de noordelijke poort naar de voorkant van de tempel. Ik zag dat de tempel vol was met het stralende licht van de Heer. Toen liet ik me neervallen op mijn knieën. 5De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, let goed op! Kijk goed naar alles wat je ziet. En luister goed naar alles wat ik tegen je zeg. Want ik ga je de wetten en regels vertellen die gelden voor de tempel van de Heer.

Vreemdelingen mogen de tempel niet in

Onthoud goed wie er in de tempel mag komen en wie niet. 6En zeg tegen het ongehoorzame volk van Israël: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik heb genoeg van jullie afschuwelijke gedrag! 7-8Jullie hebben wel vet en bloed van dieren aan mij geofferd, maar jullie hebben je niet gehouden aan de afspraken die ik met jullie gemaakt heb. Want jullie hebben niet zelf voor de tempel gezorgd, maar dat door vreemdelingen laten doen. Dat vind ik verschrikkelijk!

9Luister naar wat ik, de Heer, zeg: Vreemdelingen, die mijn regels niet kennen en die niet besneden zijn, mogen niet in mijn tempel komen! Dat geldt voor alle vreemdelingen die bij jullie wonen.

De Levieten die ontrouw geweest zijn

10Toen het volk afgoden ging vereren en mij in de steek liet, hebben sommige Levieten dat ook gedaan. Die Levieten zullen gestraft worden voor hun ontrouw. 11-14Ze mogen in de tempel niet dicht bij mij komen om mij als priester te dienen. Ze mogen niet in de buurt komen van de heilige voorwerpen. En ze mogen niet in het allerheiligste deel van de tempel komen. Ze mogen alleen het gewone werk in de tempel doen: Ze moeten de poorten bewaken. Ze moeten voor het volk de offerdieren slachten. En ze moeten steeds klaarstaan om de mensen te helpen.

Want die Levieten hebben het volk geholpen om afgoden te vereren. Ze hebben ervoor gezorgd dat het volk ging zondigen. Daarom heb ik besloten om hen te straffen. Ze zullen voor altijd de gevolgen voelen van hun ontrouw.

De Levieten die afstammen van Sadok

15Maar de Levieten die van Sadok afstammen, zijn mij altijd trouw gebleven. Want toen de Israëlieten mij in de steek lieten, bleven die Levieten voor mijn tempel zorgen. Daarom mogen zij wel dicht bij mij komen om mij als priester te dienen. Zij mogen vet en bloed van dieren aan mij aanbieden. 16Zij mogen mij dienen in mijn tempel: ze mogen de tempel binnengaan en offers brengen op mijn altaar.

Regels voor de priesters

De kleren van de priesters

17-18Als de priesters door één van de poorten naar het binnenplein van de tempel gaan, moeten ze linnen kleren aantrekken. Ook hun tulband en hun broek moeten van linnen zijn. De priesters mogen in de poorten of in de tempel geen kleren van wol dragen. Ze mogen niets aanhebben waardoor ze gaan zweten.

19Als de priesters het binnenplein verlaten, moeten ze de kleren die ze in de tempel gedragen hebben, weer uittrekken. Ze moeten die neerleggen in de heilige priestergebouwen, en andere kleren aantrekken. Pas daarna mogen ze naar het buitenste plein van de tempel gaan, waar het volk is. Want het volk mag niet in contact komen met hun heilige kleren.

Andere regels voor de priesters

20Priesters mogen hun hoofd niet kaalscheren. Maar ze mogen hun haar ook niet te lang laten worden. Ze moeten het regelmatig knippen.

21Priesters mogen nooit wijn drinken voordat ze naar het binnenplein van de tempel gaan.

22Een priester moet een vrouw kiezen die nog nooit met een andere man geslapen heeft. Het moet een meisje zijn dat bij het volk van Israël hoort. Een priester mag niet trouwen met een gescheiden vrouw of met een weduwe. Behalve als de weduwe de vrouw geweest is van een andere priester.

De taken van de priesters

23De priesters moeten mijn volk het verschil leren tussen wat heilig is en wat niet heilig is. En ze moeten het volk leren wat rein is en wat onrein is.

24Als er ruzie is tussen mensen, moeten de priesters rechtspreken volgens mijn wetten.

De priesters moeten zich houden aan de wetten en regels die ik voor alle feestdagen gegeven heb. En ze moeten de sabbat vieren als een heilige dag.

Contact met dode lichamen

25Priesters mogen niet onrein worden. Daarom mogen ze niet in de buurt komen van het lichaam van een dode. Ze mogen alleen in de buurt van een dode komen als dat hun vader of moeder is, hun zoon of dochter, hun broer, of een zus die nog niet getrouwd is.

26Als een priester in de buurt van een dode is geweest, is hij onrein. Hij moet dan eerst rein verklaard worden. Daarna moet hij nog zeven dagen wachten. 27Pas daarna mag hij weer op het binnenplein van de tempel komen. Hij moet dan in de tempel eerst een offer brengen om helemaal rein te worden. En dan kan hij weer met zijn gewone werk in de tempel beginnen. Dat heb ik, de Heer, besloten.

Priesters krijgen geen eigen grond

28Aan de priesters mogen jullie geen grond in bezit geven. Zij mogen in Israël geen eigen grond hebben. Want ik zal zelf voor hen zorgen. 29De priesters mogen namelijk eten van offers die in de tempel gebracht worden: van graanoffers, offers waarmee fouten goedgemaakt worden, en offers waarmee iemands schuld weggenomen wordt. Ze mogen ook alles gebruiken wat de mensen voor de tempel bestemd hebben.

30Verder krijgen de priesters het beste deel van de eerste oogst, en het beste deel van de geschenken die het volk aan mij geeft. En als de mensen brood bakken, moeten ze een deel van het deeg aan de priesters geven. Als ze dat doen, zal het goed met die mensen gaan.

Regels over het eten van vlees

31Priesters mogen nooit het vlees eten van een dier dat ergens dood gevonden is. En ook niet het vlees van een dier dat door een ander beest gedood is.

45

Het heilige gebied

Het gebied voor de Heer

451Luister, Israëlieten. Als jullie het land verdelen onder de stammen van Israël, moeten jullie een deel van het land apart houden en aan mij geven. Dat moet een gebied zijn van 12,5 kilometer lang en 10 kilometer breed. Het zal een heilig gebied zijn.

Het gebied voor de tempel en de priesters

2-4De helft van dat heilige gebied is bestemd voor de tempel, die heel heilig is, en voor de priesters. Dat moet een stuk land zijn van 12,5 kilometer lang en 5 kilometer breed.

De tempel moet op een stuk land staan van 250 meter lang en 250 meter breed. Rondom de tempel moet een stuk gras zijn van 25 meter breed.

In deze helft van het heilige gebied mogen de priesters wonen die dicht bij mij komen als ze mij in de tempel dienen. Zij mogen daar hun huizen bouwen.

Het gebied voor de Levieten

5De andere helft van het heilige gebied is bestemd voor de Levieten die in de tempel werken. Ook dat moet een stuk land zijn van 12,5 kilometer lang en 5 kilometer breed. Het zal hun eigen bezit zijn. Ze krijgen daar hun eigen steden om in te wonen.

Het gebied voor de stad

6Jullie moeten ook een stuk land aanwijzen dat bestemd is voor een stad. Dat stuk land moet 12,5 kilometer lang zijn en 2,5 kilometer breed. Het moet naast het heilige gebied liggen.

In die stad mag iedere Israëliet komen wonen.

Het gebied voor de koning

7De koning krijgt land naast het heilige gebied en het gebied voor de stad, aan de westkant en aan de oostkant. Naar het westen loopt zijn gebied tot aan de Middellandse Zee, en naar het oosten tot aan de oostgrens van het land. Het gebied van de koning moet even lang zijn als het gebied dat elke stam krijgt.

8Dat zal het enige stuk land van de koning zijn. De koning moet de rest van het land aan de stammen van Israël geven. Want hij mag het volk niet onderdrukken. 9Daarom zeg ik, de Heer, tegen de koningen van Israël: ‘Het is genoeg geweest, koningen! Jullie mogen het volk niet langer onderdrukken. Jullie mogen geen geweld meer tegen hen gebruiken. Jullie moeten goed zijn en eerlijk. En jullie mogen mijn volk nooit meer wegjagen van hun eigen grond.’

Regels voor handel en belasting

Maten en gewichten

10Luister, Israëlieten. Als jullie zakendoen, moeten jullie altijd een zuivere weegschaal en zuivere maten en gewichten gebruiken.

11De standaardmaat om inhoud af te meten is een kruik van 450 liter. Olie en graan moeten afgemeten worden in kruiken die tien keer zo klein zijn.

12De standaardmaat om iets te wegen is een gewicht van 10 gram.

Belasting

13Dit is wat jullie aan de koning moeten betalen als belasting: één zestigste deel van je tarwe en gerst, 14en één honderdste deel van je olie.

15Jullie moeten ook schapen of geiten als belasting betalen. Van elke 200 dieren die je bezit, moet je één schaap of geit geven. Dat moeten dieren zijn die goed te eten hebben gehad. De dieren moeten aan mij, de Heer, geofferd worden. Het zijn offerdieren om goed te maken wat er verkeerd gedaan is.

16Iedereen uit het volk moet aan de koning die belasting betalen. 17En de koning moet er dan voor zorgen dat er op de feestdagen offers aan mij gebracht worden. Dat moet gebeuren op alle feestdagen, ook op sabbat en op het Feest van Nieuwe Maan. Door die offers wordt weer goedgemaakt wat de Israëlieten verkeerd gedaan hebben.

Regels voor de feesten

Het rein maken van de tempel

18Luister naar wat ik, de Heer, zeg: Op de eerste dag van de eerste maand moet er een jonge stier geofferd worden. Die stier mag geen gebreken hebben. Door dat offer zal de tempel rein worden. 19De priester moet wat bloed van die stier nemen. Hij moet dat op de deurposten van de tempel en van de poort naar het binnenplein smeren. En hij moet wat bloed smeren aan de hoeken van het altaar.

20Op de zevende dag van diezelfde maand moet de priester nog een keer een stier offeren. Dat is een offer voor mensen die per ongeluk iets doen dat de Heer verboden heeft. En voor mensen die iets verkeerds doen zonder dat ze het weten. Op die manier wordt de tempel weer rein gemaakt.

Het Paasfeest

21Op de veertiende dag van de eerste maand begint het Paasfeest. Dat duurt zeven dagen. Tijdens het Paasfeest moeten jullie brood zonder gist eten.

22Op de eerste dag van het Paasfeest moet de koning een stier offeren. Hij moet dat doen om goed te maken wat hijzelf en het volk verkeerd gedaan hebben. 23Bovendien moet hij op elke dag van het Paasfeest zeven stieren en zeven rammen offeren. Die dieren mogen geen gebreken hebben. Het offer moet helemaal verbrand worden.

Verder moet de koning tijdens het Paasfeest iedere dag een bok offeren. Dat moet hij doen om goed te maken wat hijzelf en het volk verkeerd gedaan hebben.

24Bij elke stier of ram die de koning offert, moet hij ook 20 kilo graan en 7,5 liter olijfolie offeren.

Het Loofhuttenfeest

25Het Loofhuttenfeest begint op de vijftiende dag van de zevende maand. Ook dat feest duurt zeven dagen.

De koning moet tijdens het Loofhuttenfeest hetzelfde doen als tijdens het Paasfeest. Hij moet dezelfde offers brengen, zeven dagen lang.