Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Het binnengaan van de tempel

De gesloten poort

441De man die mij de tempel liet zien, bracht me terug naar de poort aan de oostkant van het buitenste plein. Die poort was dicht.

2De Heer zei tegen mij: ‘Deze poort moet dicht blijven. Hij mag niet geopend worden. Niemand mag erdoorheen gaan. Want ik, de Heer, de God van Israël, ben door deze poort naar binnen gegaan. 3Alleen de koning van Israël mag in het poortgebouw komen. Hij mag daar bij een feestmaal offervlees eten. Maar hij moet het poortgebouw in gaan via de hal. En hij moet het gebouw ook weer via de hal verlaten.’

De regels voor de tempel

4Daarna bracht de man mij via de noordelijke poort naar de voorkant van de tempel. Ik zag dat de tempel vol was met het stralende licht van de Heer. Toen liet ik me neervallen op mijn knieën. 5De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, let goed op! Kijk goed naar alles wat je ziet. En luister goed naar alles wat ik tegen je zeg. Want ik ga je de wetten en regels vertellen die gelden voor de tempel van de Heer.

Vreemdelingen mogen de tempel niet in

Onthoud goed wie er in de tempel mag komen en wie niet. 6En zeg tegen het ongehoorzame volk van Israël: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik heb genoeg van jullie afschuwelijke gedrag! 7-8Jullie hebben wel vet en bloed van dieren aan mij geofferd, maar jullie hebben je niet gehouden aan de afspraken die ik met jullie gemaakt heb. Want jullie hebben niet zelf voor de tempel gezorgd, maar dat door vreemdelingen laten doen. Dat vind ik verschrikkelijk!

9Luister naar wat ik, de Heer, zeg: Vreemdelingen, die mijn regels niet kennen en die niet besneden zijn, mogen niet in mijn tempel komen! Dat geldt voor alle vreemdelingen die bij jullie wonen.

De Levieten die ontrouw geweest zijn

10Toen het volk afgoden ging vereren en mij in de steek liet, hebben sommige Levieten dat ook gedaan. Die Levieten zullen gestraft worden voor hun ontrouw. 11-14Ze mogen in de tempel niet dicht bij mij komen om mij als priester te dienen. Ze mogen niet in de buurt komen van de heilige voorwerpen. En ze mogen niet in het allerheiligste deel van de tempel komen. Ze mogen alleen het gewone werk in de tempel doen: Ze moeten de poorten bewaken. Ze moeten voor het volk de offerdieren slachten. En ze moeten steeds klaarstaan om de mensen te helpen.

Want die Levieten hebben het volk geholpen om afgoden te vereren. Ze hebben ervoor gezorgd dat het volk ging zondigen. Daarom heb ik besloten om hen te straffen. Ze zullen voor altijd de gevolgen voelen van hun ontrouw.

De Levieten die afstammen van Sadok

15Maar de Levieten die van Sadok afstammen, zijn mij altijd trouw gebleven. Want toen de Israëlieten mij in de steek lieten, bleven die Levieten voor mijn tempel zorgen. Daarom mogen zij wel dicht bij mij komen om mij als priester te dienen. Zij mogen vet en bloed van dieren aan mij aanbieden. 16Zij mogen mij dienen in mijn tempel: ze mogen de tempel binnengaan en offers brengen op mijn altaar.

Regels voor de priesters

De kleren van de priesters

17-18Als de priesters door één van de poorten naar het binnenplein van de tempel gaan, moeten ze linnen kleren aantrekken. Ook hun tulband en hun broek moeten van linnen zijn. De priesters mogen in de poorten of in de tempel geen kleren van wol dragen. Ze mogen niets aanhebben waardoor ze gaan zweten.

19Als de priesters het binnenplein verlaten, moeten ze de kleren die ze in de tempel gedragen hebben, weer uittrekken. Ze moeten die neerleggen in de heilige priestergebouwen, en andere kleren aantrekken. Pas daarna mogen ze naar het buitenste plein van de tempel gaan, waar het volk is. Want het volk mag niet in contact komen met hun heilige kleren.

Andere regels voor de priesters

20Priesters mogen hun hoofd niet kaalscheren. Maar ze mogen hun haar ook niet te lang laten worden. Ze moeten het regelmatig knippen.

21Priesters mogen nooit wijn drinken voordat ze naar het binnenplein van de tempel gaan.

22Een priester moet een vrouw kiezen die nog nooit met een andere man geslapen heeft. Het moet een meisje zijn dat bij het volk van Israël hoort. Een priester mag niet trouwen met een gescheiden vrouw of met een weduwe. Behalve als de weduwe de vrouw geweest is van een andere priester.

De taken van de priesters

23De priesters moeten mijn volk het verschil leren tussen wat heilig is en wat niet heilig is. En ze moeten het volk leren wat rein is en wat onrein is.

24Als er ruzie is tussen mensen, moeten de priesters rechtspreken volgens mijn wetten.

De priesters moeten zich houden aan de wetten en regels die ik voor alle feestdagen gegeven heb. En ze moeten de sabbat vieren als een heilige dag.

Contact met dode lichamen

25Priesters mogen niet onrein worden. Daarom mogen ze niet in de buurt komen van het lichaam van een dode. Ze mogen alleen in de buurt van een dode komen als dat hun vader of moeder is, hun zoon of dochter, hun broer, of een zus die nog niet getrouwd is.

26Als een priester in de buurt van een dode is geweest, is hij onrein. Hij moet dan eerst rein verklaard worden. Daarna moet hij nog zeven dagen wachten. 27Pas daarna mag hij weer op het binnenplein van de tempel komen. Hij moet dan in de tempel eerst een offer brengen om helemaal rein te worden. En dan kan hij weer met zijn gewone werk in de tempel beginnen. Dat heb ik, de Heer, besloten.

Priesters krijgen geen eigen grond

28Aan de priesters mogen jullie geen grond in bezit geven. Zij mogen in Israël geen eigen grond hebben. Want ik zal zelf voor hen zorgen. 29De priesters mogen namelijk eten van offers die in de tempel gebracht worden: van graanoffers, offers waarmee fouten goedgemaakt worden, en offers waarmee iemands schuld weggenomen wordt. Ze mogen ook alles gebruiken wat de mensen voor de tempel bestemd hebben.

30Verder krijgen de priesters het beste deel van de eerste oogst, en het beste deel van de geschenken die het volk aan mij geeft. En als de mensen brood bakken, moeten ze een deel van het deeg aan de priesters geven. Als ze dat doen, zal het goed met die mensen gaan.

Regels over het eten van vlees

31Priesters mogen nooit het vlees eten van een dier dat ergens dood gevonden is. En ook niet het vlees van een dier dat door een ander beest gedood is.