Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Koning Gog

Gog moet zijn land verlaten

381De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2‘Mensenkind, kijk in de richting van het land Magog, en waarschuw Gog, de koning van Mesech en Tubal. Dat zijn twee volken die bij Magog horen. 3Zeg tegen die koning: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik ga je straffen, Gog! 4Ik kom je halen, en ik zal je dwingen om je land te verlaten.

Dan zul je weggaan met je hele leger. Met je paarden en je ruiters die er zo schitterend uitzien. En met heel veel soldaten, die schilden en zwaarden dragen. 5Er zijn ook soldaten uit Perzië, Nubië en Libië bij, gewapend met schilden en helmen. 6En ook de legers van Gomer en Bet-Togarma in het noorden gaan met je mee. Het zal een enorm leger zijn, met mensen uit allerlei volken.

7Bereid je goed voor, en maak je klaar om dat grote leger te leiden dat zich rondom jou verzameld heeft.

Gog zal Israël aanvallen

8In de toekomst krijg jij het bevel om Israël aan te vallen. Maar eerst zal Israël in een oorlog worden verwoest. De inwoners zullen het land moeten verlaten, en bij allerlei volken terechtkomen. Maar na lange tijd zullen ze weer naar hun eigen land terugkeren. En daar zullen ze zonder zorgen leven.

9Dan zul jij dat land aanvallen met je enorme leger. Jullie zullen door het land trekken en alles verwoesten. Net zoals een hevige storm door een land heen trekt en alles verwoest.

Gog zal kwade plannen bedenken

10Als het zover is, zul jij kwade plannen bedenken, koning Gog. 11Je zult tegen jezelf zeggen: Laat ik Israël eens aanvallen! De mensen in dat land maken zich geen zorgen. Hun steden hebben niet eens muren, of poorten die op slot kunnen!

12Dat land wil jij aanvallen, Gog! Dat land is dan net weer opgebouwd. Er wonen weer mensen in de steden die verwoest waren. Die mensen zijn vanuit verschillende volken bij elkaar gekomen. Ze hebben weer vee en bezit gekregen in het land, en leven daar nu op de belangrijkste plek van de wereld. En dan wil jij, Gog, daarheen gaan om dat land aan te vallen en het helemaal leeg te roven!

13De inwoners van Seba en Dedan en de handelaars uit Tarsis zullen tegen je zeggen: ‘Waarom heb jij dat leger verzameld? Alleen om te roven en te stelen? Ben je van plan om alles te grijpen wat je maar grijpen kunt? Wil je alles van de mensen afpakken: hun goud en zilver, hun vee en al hun andere bezit?’’

Gog zal Israël verwoesten

14Mensenkind, jij moet namens mij tegen Gog zeggen: ‘Dit zegt God, de Heer: Zodra mijn volk zonder zorgen in zijn eigen land leeft, zul jij dat te weten komen. 15Je zult je woonplaats in het verre noorden verlaten, samen met je grote leger. Samen met je soldaten die allemaal op paarden rijden, en die uit allerlei volken komen. 16En je zult Israël aanvallen. Jullie zullen door het land trekken en alles verwoesten. Net zoals een hevige storm door een land heen trekt en alles verwoest.

Al die dingen zullen in de toekomst gebeuren. Dan zal ik jou, koning Gog, naar mijn land Israël sturen. Zo zal ik mijn macht laten zien aan alle volken. Dan zullen ze begrijpen dat ik een heilige God ben.

17De profeten hebben lang geleden al over jou gesproken, Gog. Zij hebben toen al verteld dat jij Israël zou aanvallen. Ik had die profeten de opdracht gegeven om dat te zeggen.’

De Heer is woedend op Gog

18Luister naar wat ik, de Heer, zeg: Als Gog het land Israël aanvalt, zal ik heel kwaad op hem worden. 19Ik zal woedend zijn! Op diezelfde dag laat ik een zware aardbeving komen in Israël. 20Dan zal iedereen bang voor mij zijn. Iedereen zal trillen van angst: de vissen in de zee, de vogels in de lucht, de dieren op het land en alle mensen die op aarde leven. Bergen zullen instorten, rotsen zullen afbreken, en muren zullen omvallen.

21Ik zal ervoor zorgen dat de soldaten van Gog overal in Israël gedood worden. Ze zullen tegen elkaar gaan vechten en elkaar doden.

22Ik zal Gog en zijn leger straffen. Ik laat hagelstenen, enorme regenbuien en vuur op hen neerkomen. Ik laat hen ziek worden en sterven. 23Zo zal ik aan de volken laten zien dat ik een machtige en heilige God ben. Ze zullen begrijpen dat ik de Heer ben.’