Bijbel in Gewone Taal (BGT)
37

Een dal vol botten

Ezechiël wordt naar een dal gebracht

371Op een dag voelde ik opeens de macht van de Heer. Ik werd meegenomen door de geest van de Heer, en die bracht me naar een dal. Dat dal lag vol met botten. 2De Heer liet me om het dal heen lopen. Toen zag ik hoe enorm veel botten er lagen. Ze lagen verspreid over het hele dal, en ze waren helemaal uitgedroogd.

Ezechiël moet tegen de botten spreken

3Toen vroeg de Heer aan mij: ‘Mensenkind, denk je dat die botten weer kunnen veranderen in levende mensen?’ Ik antwoordde: ‘Heer, mijn God, dat weet u alleen!’ 4De Heer zei tegen mij: ‘Spreek tegen deze botten. Zeg tegen ze: ‘Uitgedroogde botten, luister naar de woorden van de Heer! 5Dit zegt God, de Heer: Ik ga jullie weer levend maken! 6Ik zal jullie bedekken met spieren en vlees, en daar zal ik huid omheen laten groeien. Ik zal adem in jullie blazen, zodat jullie weer levend worden. Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.’’

De botten worden levend

7Ik deed wat de Heer tegen mij gezegd had, en sprak tegen de botten. Zodra ik dat deed, hoorde ik een zacht geluid. Ik zag dat de botten naar elkaar toe bewogen en dat ze aan elkaar vast gingen zitten. 8Ik zag dat er spieren aan de botten kwamen, en vlees. En daaromheen groeide huid. Maar de lichamen leefden nog niet.

9Toen zei de Heer tegen mij: ‘Mensenkind, spreek nu tegen de wind. En zeg tegen de wind: ‘Dit zegt God, de Heer: Wind, kom uit alle richtingen. En blaas adem in deze dode lichamen, zodat ze levend worden!’’

10Ik deed wat de Heer tegen mij gezegd had, en sprak tegen de wind. Toen kwam er adem in de lichamen, en ze werden levend. Ze gingen allemaal rechtop staan. Het was een enorme massa mensen.

De botten zijn het volk van Israël

11De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, die botten zijn het volk van Israël. Want de Israëlieten zeggen: ‘Het is afgelopen met ons! We hebben geen hoop meer. We zijn net als uitgedroogde botten, waar geen leven meer in zit.’

12Daarom moet jij tegen de Israëlieten zeggen: ‘Dit zegt God, de Heer: Luister, mijn volk! Ik zal jullie weer leven geven, net zoals ik graven openmaak en dode mensen uit hun graf laat opstaan. Ik zal jullie bevrijden en jullie terugbrengen naar het land Israël. 13Als dat gebeurt, zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.

14Ik zal mijn adem in jullie blazen, zodat jullie weer levend worden. Ik laat jullie weer in je eigen land wonen. Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.

Dat is mijn besluit. En wat ik besloten heb, dat zal ik ook doen.’’

Juda en Israël worden één

Twee stukken hout

15De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 16‘Mensenkind, pak een stuk hout en schrijf daarop: ‘Dit is het volk van Juda.’ Pak daarna een ander stuk hout, en schrijf daarop: ‘Dit is het volk van Israël.’ 17Houd die twee stukken dan tegen elkaar. Doe dat zo dat het lijkt alsof je maar één stuk hout in je handen hebt.

Juda en Israël worden weer één volk

18De mensen van je volk zullen tegen je zeggen: ‘Vertel ons toch wat dat allemaal betekent.’ 19Zeg dan tegen hen: ‘Let op! Ik pak het stuk hout dat Israël voorstelt. En ik leg dat tegen het stuk hout van Juda aan. Zo maak ik van die twee samen één stuk hout. Dan heb ik nog maar één stuk hout in mijn handen.’

20Terwijl je dat tegen de mensen zegt, moet je de twee stukken hout omhooghouden en aan hen laten zien. 21Zeg dan tegen hen: ‘Dit zegt God, de Heer: Let op! Ik haal de Israëlieten terug uit de landen waar ze terechtgekomen zijn. Ik zal hen overal vandaan halen en hen bij elkaar brengen. Dan laat ik hen teruggaan naar hun eigen land. 22Ik zal weer één volk van hen maken, dat in het land Israël zal wonen. Er zal maar één koning over hen regeren. Ze zullen niet langer twee verschillende volken zijn, verdeeld over twee koninkrijken.

23De mensen zullen zichzelf niet meer onrein maken door afgoden te vereren. En ze zullen ophouden met hun afschuwelijke gedrag. Ik zal zorgen dat ze geen misdaden meer plegen, en ik zal hen weer rein maken. Dan zullen ze mijn volk zijn, en ik zal hun God zijn.

Er zal voor altijd vrede zijn

24Mijn dienaar David zal koning zijn over mijn volk. De Israëlieten zullen maar één leider hebben, net zoals een kudde schapen maar één herder heeft. Ze zullen zich houden aan mijn regels, en leven volgens mijn wetten.

25Ze zullen wonen in het land dat ik aan mijn dienaar Jakob gegeven heb. Het land waarin ook hun voorouders gewoond hebben. Ook hun kinderen zullen in dat land wonen, en hun kleinkinderen, voor altijd. En mijn dienaar David zal voor altijd hun koning zijn.

26Ik zal een plechtige belofte aan hen doen. Ik beloof hun dat er voor altijd vrede zal zijn. Ik geef hun een vaste plek om te wonen, en ik maak van hen een groot volk. Mijn tempel zal voor altijd in hun land staan, 27en ik zal bij hen wonen. Ik zal hun God zijn, en zij zullen mijn volk zijn.

28Dan zullen alle volken begrijpen dat ik, de Heer, van Israël een heilig volk maak. Want mijn tempel blijft voor altijd in hun land.’’

38

Koning Gog

Gog moet zijn land verlaten

381De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2‘Mensenkind, kijk in de richting van het land Magog, en waarschuw Gog, de koning van Mesech en Tubal. Dat zijn twee volken die bij Magog horen. 3Zeg tegen die koning: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik ga je straffen, Gog! 4Ik kom je halen, en ik zal je dwingen om je land te verlaten.

Dan zul je weggaan met je hele leger. Met je paarden en je ruiters die er zo schitterend uitzien. En met heel veel soldaten, die schilden en zwaarden dragen. 5Er zijn ook soldaten uit Perzië, Nubië en Libië bij, gewapend met schilden en helmen. 6En ook de legers van Gomer en Bet-Togarma in het noorden gaan met je mee. Het zal een enorm leger zijn, met mensen uit allerlei volken.

7Bereid je goed voor, en maak je klaar om dat grote leger te leiden dat zich rondom jou verzameld heeft.

Gog zal Israël aanvallen

8In de toekomst krijg jij het bevel om Israël aan te vallen. Maar eerst zal Israël in een oorlog worden verwoest. De inwoners zullen het land moeten verlaten, en bij allerlei volken terechtkomen. Maar na lange tijd zullen ze weer naar hun eigen land terugkeren. En daar zullen ze zonder zorgen leven.

9Dan zul jij dat land aanvallen met je enorme leger. Jullie zullen door het land trekken en alles verwoesten. Net zoals een hevige storm door een land heen trekt en alles verwoest.

Gog zal kwade plannen bedenken

10Als het zover is, zul jij kwade plannen bedenken, koning Gog. 11Je zult tegen jezelf zeggen: Laat ik Israël eens aanvallen! De mensen in dat land maken zich geen zorgen. Hun steden hebben niet eens muren, of poorten die op slot kunnen!

12Dat land wil jij aanvallen, Gog! Dat land is dan net weer opgebouwd. Er wonen weer mensen in de steden die verwoest waren. Die mensen zijn vanuit verschillende volken bij elkaar gekomen. Ze hebben weer vee en bezit gekregen in het land, en leven daar nu op de belangrijkste plek van de wereld. En dan wil jij, Gog, daarheen gaan om dat land aan te vallen en het helemaal leeg te roven!

13De inwoners van Seba en Dedan en de handelaars uit Tarsis zullen tegen je zeggen: ‘Waarom heb jij dat leger verzameld? Alleen om te roven en te stelen? Ben je van plan om alles te grijpen wat je maar grijpen kunt? Wil je alles van de mensen afpakken: hun goud en zilver, hun vee en al hun andere bezit?’’

Gog zal Israël verwoesten

14Mensenkind, jij moet namens mij tegen Gog zeggen: ‘Dit zegt God, de Heer: Zodra mijn volk zonder zorgen in zijn eigen land leeft, zul jij dat te weten komen. 15Je zult je woonplaats in het verre noorden verlaten, samen met je grote leger. Samen met je soldaten die allemaal op paarden rijden, en die uit allerlei volken komen. 16En je zult Israël aanvallen. Jullie zullen door het land trekken en alles verwoesten. Net zoals een hevige storm door een land heen trekt en alles verwoest.

Al die dingen zullen in de toekomst gebeuren. Dan zal ik jou, koning Gog, naar mijn land Israël sturen. Zo zal ik mijn macht laten zien aan alle volken. Dan zullen ze begrijpen dat ik een heilige God ben.

17De profeten hebben lang geleden al over jou gesproken, Gog. Zij hebben toen al verteld dat jij Israël zou aanvallen. Ik had die profeten de opdracht gegeven om dat te zeggen.’

De Heer is woedend op Gog

18Luister naar wat ik, de Heer, zeg: Als Gog het land Israël aanvalt, zal ik heel kwaad op hem worden. 19Ik zal woedend zijn! Op diezelfde dag laat ik een zware aardbeving komen in Israël. 20Dan zal iedereen bang voor mij zijn. Iedereen zal trillen van angst: de vissen in de zee, de vogels in de lucht, de dieren op het land en alle mensen die op aarde leven. Bergen zullen instorten, rotsen zullen afbreken, en muren zullen omvallen.

21Ik zal ervoor zorgen dat de soldaten van Gog overal in Israël gedood worden. Ze zullen tegen elkaar gaan vechten en elkaar doden.

22Ik zal Gog en zijn leger straffen. Ik laat hagelstenen, enorme regenbuien en vuur op hen neerkomen. Ik laat hen ziek worden en sterven. 23Zo zal ik aan de volken laten zien dat ik een machtige en heilige God ben. Ze zullen begrijpen dat ik de Heer ben.’

39

Gog en zijn soldaten worden gedood

391De Heer zei tegen mij: ‘Luister, mensenkind. Jij moet Gog waarschuwen en tegen hem zeggen: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik ga je straffen, Gog! 2Ik dwing je om je land in het verre noorden te verlaten. Ik haal je daar weg en breng je naar het land Israël.

3Maar als je daar bent, zal ik je wapens afpakken en je machteloos maken. 4Je zult sterven in de bergen van Israël, samen met je soldaten uit al die verschillende volken. Jullie lichamen zullen worden opgegeten door roofvogels en wilde dieren. 5Ook op de vlakte zullen alle soldaten gedood worden. Dat heb ik, de Heer, besloten.’

De Heer zal Magog in brand zetten

6Ik, de Heer, zal heel het land Magog in brand zetten. Ook de landen langs de kust, waar de mensen altijd in vrede geleefd hebben, zal ik door vuur vernietigen. Dan zal iedereen begrijpen dat ik de Heer ben.

7Ik zal aan mijn volk Israël laten zien dat ik een heilige God ben. En ik zal ervoor zorgen dat de andere volken mijn heilige naam niet meer beledigen. Ze zullen begrijpen dat ik de Heer ben, de heilige God van Israël.

De wapens van Gog worden verbrand

8Alles wat ik, de Heer, gezegd heb, zal zeker uitkomen. Het zal gebeuren op de dag waarover ik gesproken heb. 9-10Dan zullen de Israëlieten uit hun steden komen om de wapens van hun vijanden te verzamelen: schilden, pijlen en bogen, stokken en speren. Ze zullen met het hout van die wapens een vuur maken om warm te blijven. Dan hoeven ze zeven jaar lang geen takken te verzamelen en geen bomen om te hakken. Want ze kunnen de wapens van hun vijanden gebruiken om vuur mee te maken.

De Israëlieten zullen alles van hun vijanden afpakken. Ze zullen met hun vijanden doen wat die met de Israëlieten wilden doen. Dat heb ik, de Heer, besloten!

Het leger van Gog zal begraven worden

11In die tijd zal ik een plek aanwijzen waar Gog en zijn leger begraven moeten worden. Dat zal het Dal van de Reizigers zijn, ten oosten van de Dode Zee. Er worden daar zo veel soldaten begraven, dat niemand meer door dat dal heen kan reizen. Daarom krijgt die plek een andere naam. Het zal het Dal van het Leger van Gog genoemd worden.

12Door de dode lichamen van Gog en zijn leger is het land onrein geworden. Daarom moeten de Israëlieten die lichamen begraven. Ze zullen daar zeven maanden mee bezig zijn. 13Alle inwoners van Israël zullen meehelpen. Ze zullen daarvoor beloond worden op de dag dat ik mijn macht laat zien. Dat heb ik, de Heer, besloten.

Het land moet weer rein worden

14De Israëlieten zullen een groep mannen uitkiezen die door het hele land moet reizen. Die mannen moeten de lichamen begraven die nog zijn blijven liggen. Zo zullen ze het land rein maken, en ervoor zorgen dat ik weer vereerd kan worden. Dat zal zeven maanden duren.

Na die zeven maanden moeten de mannen nog een keer in het hele land gaan zoeken. 15Als ze dan ergens botten van een mens vinden, moeten ze daar een steen neerzetten. Dan kan die plek later teruggevonden worden. En dan kunnen de botten begraven worden in het Dal van het Leger van Gog. 16Vlak bij dat dal zal later een stad liggen die Hamona heet. (Hamona betekent: leger.)

Als de botten begraven zijn, is het land weer rein.’

Een offerfeest voor de dieren

17God, de Heer, zei tegen mij: ‘Mensenkind, roep alle vogels en wilde dieren bij elkaar. Laat ze overal vandaan komen. En zeg namens mij: ‘Kom allemaal naar de bergen van Israël! Daar geef ik, de Heer, een groot offerfeest voor jullie. Kom vlees eten en bloed drinken. 18Eet het vlees van dappere helden, en drink het bloed van machtige koningen. Want die worden geslacht, net zoals vette schapen, geiten en stieren uit Basan geslacht worden. 19Eet hun vet tot jullie helemaal vol zitten, en drink hun bloed tot jullie helemaal dronken zijn.

Ikzelf zal dat offerfeest voor jullie geven. 20Bij mijn maaltijd kunnen jullie je vol eten met het vlees van paarden en ruiters, dappere helden en soldaten. Dat heb ik, de Heer, besloten.’

De Heer laat zijn macht zien

21Door al die dingen laat ik aan alle volken zien dat ik een machtige God ben. Ze zullen begrijpen dat ik hen veroordeel en straf.

22Dan zal het volk van Israël weten dat ik de Heer ben, hun God. 23En de andere volken zullen weten dat de Israëlieten hun land moesten verlaten door hun eigen schuld. Want de Israëlieten zijn mij ontrouw geweest. Daarom ben ik bij hen weggegaan. Ik leverde hen uit aan hun vijanden, zodat ze stierven in de strijd. 24Zo strafte ik de Israëlieten voor hun misdaden.

De Heer zal zijn volk terugbrengen

25Maar vanaf nu zal ik ervoor zorgen dat het weer goed gaat met Israël. Ik zal medelijden krijgen met mijn volk, en hen helpen. Zo zal ik aan iedereen laten zien dat ik een heilige God ben.

26De Israëlieten mogen weer terugkeren naar hun eigen land. Daar zullen ze in vrede kunnen leven. Maar ze zullen zich wel blijven schamen voor hun ontrouw.

27Ik zal de Israëlieten weghalen bij de volken waarbij ze terechtgekomen zijn. Ik zal hen bevrijden uit de landen van hun vijanden, en hen weer bij elkaar brengen. Zo zal ik aan de volken laten zien dat ik een heilige God ben.

28Ik had de Israëlieten zelf weggestuurd naar die andere volken. Maar ik zal hen ook weer terugbrengen naar hun eigen land. Niemand van hen zal achterblijven. Dan zullen ze begrijpen dat ik de Heer ben, hun God. 29Ik zal mijn geest aan hen geven, en ik zal nooit meer bij hen weggaan. Dat heb ik, de Heer, besloten.’