Bijbel in Gewone Taal (BGT)
36

Israël zal niet meer bespot worden

Andere volken spotten met Israël

361De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, spreek tegen de bergen van Israël en zeg tegen ze: ‘Luister naar de woorden van de Heer! 2-3Dit zegt God, de Heer: Toen Israël verwoest was, spotten de andere volken met het land. Ze riepen: ‘Die bergen van Israël, die al zolang bestaan, zijn nu eindelijk van ons!’ Ze probeerden het land aan te vallen en in bezit te nemen. Steeds beledigden en bespotten ze de Israëlieten.

Israëls vijanden zullen bespot worden

4Luister, bergen en heuvels. Luister, land langs de rivieren en in de dalen. Alle verwoeste dorpen en verlaten steden in Israël moeten luisteren. En ook alle plaatsen die leeggeroofd en bespot zijn door de volken om Israël heen.

Dit zegt God, de Heer: 5-6Ik, de Heer, ben woedend op het volk van Edom en op al die andere volken! Want ze hebben heel Israël in bezit genomen en leeggeroofd. Wat waren ze blij toen ze dat deden! En wat hebben ze Israël uitgelachen!

Daarom ben ik woedend op ze. 7Ik zal die volken straffen. Ik zal ervoor zorgen dat ze zelf uitgelachen worden. Dat is mijn besluit.

Het zal weer goed gaan met Israël

8Maar met het land Israël zal het weer goed gaan. De bomen in het land zullen nieuwe bladeren krijgen, en er zullen veel vruchten aan groeien. De Israëlieten zullen die vruchten zelf kunnen eten, want ze komen al snel naar hun land terug.

9Ik zal goed voor mijn land zorgen. Er zal weer gewerkt worden op de akkers, en er zal weer gezaaid worden. 10Er zullen weer veel mensen in het land wonen, want het hele volk van Israël komt weer naar het land terug. Dan zijn de steden weer bewoond, en worden de verwoeste dorpen weer opgebouwd. 11De mensen krijgen veel kinderen en de dieren veel jongen. Er zullen weer evenveel mensen in het land wonen als vroeger. Ik zal zorgen dat alles nog beter wordt dan toen. Dan zullen de mensen begrijpen dat ik de Heer ben.

12De mensen van mijn volk zullen weer door hun eigen land kunnen reizen. Ze zullen het land opnieuw in bezit nemen. Dan zal het voor altijd van hen zijn. Ze zullen veilig in hun land kunnen leven. En ouders zullen hun kinderen niet langer verliezen.

Israël zal niet meer bespot worden

13Nu zeggen de andere volken nog: ‘In Israël gaan veel mensen dood omdat er niet genoeg op de akkers groeit. Veel ouders verliezen er hun kinderen.’ 14Maar ik, de Heer, zeg: Er zullen in Israël niet langer mensen sterven door honger. En ouders zullen er hun kinderen niet meer verliezen. 15Dan zullen de andere volken Israël niet langer uitlachen en bespotten. Ik, de Heer, zal daar zelf voor zorgen.’’

God zal zijn volk groot maken

Het land is onrein gemaakt

16De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 17-18‘Mensenkind, toen de Israëlieten nog in hun eigen land woonden, hebben ze misdaden gepleegd. Ze pleegden moorden en vereerden afgoden. Zo hebben ze het hele land onrein gemaakt.

Daarom werd ik woedend op de Israëlieten. 19Ik heb hen weggejaagd naar andere landen. Daar moesten ze wonen bij volken die ze niet kenden. Zo strafte ik hen voor hun misdaden.

De volken beledigen de Heer

20Maar toen de Israëlieten bij die andere volken kwamen, werd ik daar bespot. Dat kwam door de Israëlieten. Ik werd beledigd, terwijl ik een heilige God ben. Want die volken zeiden: ‘Dus dit is het volk van de Heer! Had hij er dan niet voor kunnen zorgen dat ze veilig in zijn land konden blijven?’

21Overal waar de Israëlieten kwamen, werd ik bespot, en dat kwam door hen. Dat deed me veel verdriet.

God laat zijn volk teruggaan

22Zeg daarom tegen de Israëlieten: ‘Dit zegt God, de Heer: Overal waar jullie kwamen, werd ik bespot, en dat was jullie schuld. Ik werd beledigd, terwijl ik een heilige God ben.

Maar nu ga ik daar iets aan doen! Dat doe ik niet voor jullie. Nee, ik doe het om iedereen te laten zien dat ik heilig ben. 23-24Ik zal zorgen dat de volken weer eerbied voor mij krijgen. Ik zal ze laten zien dat ik een heilige God ben. Want ik ga jullie weghalen uit de landen waar jullie terechtgekomen zijn. Ik zal jullie bij elkaar brengen, en weer terug laten gaan naar je eigen land. Dan zullen de volken begrijpen dat ik de Heer ben.

De Heer zal zijn volk rein maken

25Als jullie in je eigen land terug zijn, zal ik jullie weer rein maken. Ik zal zuiver water op jullie druppelen. En ik zal alles wat onrein is, bij jullie weghalen. Dan zullen jullie geen afgoden meer vereren.

26Ik zal ervoor zorgen dat jullie mij weer dienen en liefhebben. Jullie zullen niet langer ongehoorzaam zijn aan mij, maar weer doen wat ik wil. 27Mijn geest zal in jullie zijn, en jullie zullen je houden aan mijn wetten en regels.

28Jullie zullen weer in het land wonen dat ik aan jullie voorouders gegeven heb. Dan zullen jullie mijn volk zijn, en ik zal jullie God zijn.

De Heer zal zijn volk helpen

29Ik zal alles wat onrein is, bij jullie weghalen. En ik zal zorgen dat er heel veel koren groeit op het land. Niemand hoeft dan meer honger te lijden. 30Er zullen veel vruchten groeien aan de bomen, en de oogst van de akkers zal groot zijn. Dan zullen jullie geen honger meer hebben, en niet meer door andere volken bespot worden.

Het volk zal spijt krijgen

31Als dat gebeurt, zullen jullie terugdenken aan je slechte gedrag. Jullie zullen denken aan alle verkeerde dingen die jullie gedaan hebben. En jullie zullen jezelf haten om al die vreselijke misdaden.

32Luister, Israëlieten! Ik help jullie wel, maar dat doe ik niet voor jullie zelf. Onthoud dat goed! En schaam je diep voor jullie slechte gedrag!

Het land zal weer bewoond worden

33Als ik jullie rein gemaakt heb en jullie schuld heb weggenomen, zullen de verwoeste steden weer opgebouwd worden. Dan kunnen er weer mensen wonen. 34Er zal weer gewerkt worden op de akkers. Mensen die door het land reizen, zien niet langer een verlaten en verwaarloosd gebied. 35Ze zullen zeggen: ‘Eerst was dat land verwaarloosd, maar nu is het een prachtige plek geworden. Het is er net zo mooi als in de tuin van Eden! De steden van dat land waren ooit verlaten en helemaal verwoest. Maar nu zijn het weer sterke steden, waar mensen wonen.’

36Dan zullen de volken om jullie heen begrijpen dat ik de Heer ben. Ik zal ervoor zorgen dat de verwoeste steden weer opgebouwd worden. En ik zorg ervoor dat er weer gezaaid wordt op de verwaarloosde akkers.

Dat is mijn besluit. En wat ik besloten heb, dat zal ik ook doen.’

De Heer zal zijn volk groot maken

37Dit zegt God, de Heer: Ik zal de Israëlieten geven waar ze naar verlangen: Ik laat hun volk steeds groter worden, net zoals een kudde schapen steeds groter wordt. 38De steden die nu nog verwoest zijn, zullen eens vol zijn met mensen. Net zoals Jeruzalem op feestdagen vol is met schapen voor offers.

Dan zullen de mensen begrijpen dat ik de Heer ben.’

37

Een dal vol botten

Ezechiël wordt naar een dal gebracht

371Op een dag voelde ik opeens de macht van de Heer. Ik werd meegenomen door de geest van de Heer, en die bracht me naar een dal. Dat dal lag vol met botten. 2De Heer liet me om het dal heen lopen. Toen zag ik hoe enorm veel botten er lagen. Ze lagen verspreid over het hele dal, en ze waren helemaal uitgedroogd.

Ezechiël moet tegen de botten spreken

3Toen vroeg de Heer aan mij: ‘Mensenkind, denk je dat die botten weer kunnen veranderen in levende mensen?’ Ik antwoordde: ‘Heer, mijn God, dat weet u alleen!’ 4De Heer zei tegen mij: ‘Spreek tegen deze botten. Zeg tegen ze: ‘Uitgedroogde botten, luister naar de woorden van de Heer! 5Dit zegt God, de Heer: Ik ga jullie weer levend maken! 6Ik zal jullie bedekken met spieren en vlees, en daar zal ik huid omheen laten groeien. Ik zal adem in jullie blazen, zodat jullie weer levend worden. Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.’’

De botten worden levend

7Ik deed wat de Heer tegen mij gezegd had, en sprak tegen de botten. Zodra ik dat deed, hoorde ik een zacht geluid. Ik zag dat de botten naar elkaar toe bewogen en dat ze aan elkaar vast gingen zitten. 8Ik zag dat er spieren aan de botten kwamen, en vlees. En daaromheen groeide huid. Maar de lichamen leefden nog niet.

9Toen zei de Heer tegen mij: ‘Mensenkind, spreek nu tegen de wind. En zeg tegen de wind: ‘Dit zegt God, de Heer: Wind, kom uit alle richtingen. En blaas adem in deze dode lichamen, zodat ze levend worden!’’

10Ik deed wat de Heer tegen mij gezegd had, en sprak tegen de wind. Toen kwam er adem in de lichamen, en ze werden levend. Ze gingen allemaal rechtop staan. Het was een enorme massa mensen.

De botten zijn het volk van Israël

11De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, die botten zijn het volk van Israël. Want de Israëlieten zeggen: ‘Het is afgelopen met ons! We hebben geen hoop meer. We zijn net als uitgedroogde botten, waar geen leven meer in zit.’

12Daarom moet jij tegen de Israëlieten zeggen: ‘Dit zegt God, de Heer: Luister, mijn volk! Ik zal jullie weer leven geven, net zoals ik graven openmaak en dode mensen uit hun graf laat opstaan. Ik zal jullie bevrijden en jullie terugbrengen naar het land Israël. 13Als dat gebeurt, zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.

14Ik zal mijn adem in jullie blazen, zodat jullie weer levend worden. Ik laat jullie weer in je eigen land wonen. Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.

Dat is mijn besluit. En wat ik besloten heb, dat zal ik ook doen.’’

Juda en Israël worden één

Twee stukken hout

15De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 16‘Mensenkind, pak een stuk hout en schrijf daarop: ‘Dit is het volk van Juda.’ Pak daarna een ander stuk hout, en schrijf daarop: ‘Dit is het volk van Israël.’ 17Houd die twee stukken dan tegen elkaar. Doe dat zo dat het lijkt alsof je maar één stuk hout in je handen hebt.

Juda en Israël worden weer één volk

18De mensen van je volk zullen tegen je zeggen: ‘Vertel ons toch wat dat allemaal betekent.’ 19Zeg dan tegen hen: ‘Let op! Ik pak het stuk hout dat Israël voorstelt. En ik leg dat tegen het stuk hout van Juda aan. Zo maak ik van die twee samen één stuk hout. Dan heb ik nog maar één stuk hout in mijn handen.’

20Terwijl je dat tegen de mensen zegt, moet je de twee stukken hout omhooghouden en aan hen laten zien. 21Zeg dan tegen hen: ‘Dit zegt God, de Heer: Let op! Ik haal de Israëlieten terug uit de landen waar ze terechtgekomen zijn. Ik zal hen overal vandaan halen en hen bij elkaar brengen. Dan laat ik hen teruggaan naar hun eigen land. 22Ik zal weer één volk van hen maken, dat in het land Israël zal wonen. Er zal maar één koning over hen regeren. Ze zullen niet langer twee verschillende volken zijn, verdeeld over twee koninkrijken.

23De mensen zullen zichzelf niet meer onrein maken door afgoden te vereren. En ze zullen ophouden met hun afschuwelijke gedrag. Ik zal zorgen dat ze geen misdaden meer plegen, en ik zal hen weer rein maken. Dan zullen ze mijn volk zijn, en ik zal hun God zijn.

Er zal voor altijd vrede zijn

24Mijn dienaar David zal koning zijn over mijn volk. De Israëlieten zullen maar één leider hebben, net zoals een kudde schapen maar één herder heeft. Ze zullen zich houden aan mijn regels, en leven volgens mijn wetten.

25Ze zullen wonen in het land dat ik aan mijn dienaar Jakob gegeven heb. Het land waarin ook hun voorouders gewoond hebben. Ook hun kinderen zullen in dat land wonen, en hun kleinkinderen, voor altijd. En mijn dienaar David zal voor altijd hun koning zijn.

26Ik zal een plechtige belofte aan hen doen. Ik beloof hun dat er voor altijd vrede zal zijn. Ik geef hun een vaste plek om te wonen, en ik maak van hen een groot volk. Mijn tempel zal voor altijd in hun land staan, 27en ik zal bij hen wonen. Ik zal hun God zijn, en zij zullen mijn volk zijn.

28Dan zullen alle volken begrijpen dat ik, de Heer, van Israël een heilig volk maak. Want mijn tempel blijft voor altijd in hun land.’’

38

Koning Gog

Gog moet zijn land verlaten

381De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2‘Mensenkind, kijk in de richting van het land Magog, en waarschuw Gog, de koning van Mesech en Tubal. Dat zijn twee volken die bij Magog horen. 3Zeg tegen die koning: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik ga je straffen, Gog! 4Ik kom je halen, en ik zal je dwingen om je land te verlaten.

Dan zul je weggaan met je hele leger. Met je paarden en je ruiters die er zo schitterend uitzien. En met heel veel soldaten, die schilden en zwaarden dragen. 5Er zijn ook soldaten uit Perzië, Nubië en Libië bij, gewapend met schilden en helmen. 6En ook de legers van Gomer en Bet-Togarma in het noorden gaan met je mee. Het zal een enorm leger zijn, met mensen uit allerlei volken.

7Bereid je goed voor, en maak je klaar om dat grote leger te leiden dat zich rondom jou verzameld heeft.

Gog zal Israël aanvallen

8In de toekomst krijg jij het bevel om Israël aan te vallen. Maar eerst zal Israël in een oorlog worden verwoest. De inwoners zullen het land moeten verlaten, en bij allerlei volken terechtkomen. Maar na lange tijd zullen ze weer naar hun eigen land terugkeren. En daar zullen ze zonder zorgen leven.

9Dan zul jij dat land aanvallen met je enorme leger. Jullie zullen door het land trekken en alles verwoesten. Net zoals een hevige storm door een land heen trekt en alles verwoest.

Gog zal kwade plannen bedenken

10Als het zover is, zul jij kwade plannen bedenken, koning Gog. 11Je zult tegen jezelf zeggen: Laat ik Israël eens aanvallen! De mensen in dat land maken zich geen zorgen. Hun steden hebben niet eens muren, of poorten die op slot kunnen!

12Dat land wil jij aanvallen, Gog! Dat land is dan net weer opgebouwd. Er wonen weer mensen in de steden die verwoest waren. Die mensen zijn vanuit verschillende volken bij elkaar gekomen. Ze hebben weer vee en bezit gekregen in het land, en leven daar nu op de belangrijkste plek van de wereld. En dan wil jij, Gog, daarheen gaan om dat land aan te vallen en het helemaal leeg te roven!

13De inwoners van Seba en Dedan en de handelaars uit Tarsis zullen tegen je zeggen: ‘Waarom heb jij dat leger verzameld? Alleen om te roven en te stelen? Ben je van plan om alles te grijpen wat je maar grijpen kunt? Wil je alles van de mensen afpakken: hun goud en zilver, hun vee en al hun andere bezit?’’

Gog zal Israël verwoesten

14Mensenkind, jij moet namens mij tegen Gog zeggen: ‘Dit zegt God, de Heer: Zodra mijn volk zonder zorgen in zijn eigen land leeft, zul jij dat te weten komen. 15Je zult je woonplaats in het verre noorden verlaten, samen met je grote leger. Samen met je soldaten die allemaal op paarden rijden, en die uit allerlei volken komen. 16En je zult Israël aanvallen. Jullie zullen door het land trekken en alles verwoesten. Net zoals een hevige storm door een land heen trekt en alles verwoest.

Al die dingen zullen in de toekomst gebeuren. Dan zal ik jou, koning Gog, naar mijn land Israël sturen. Zo zal ik mijn macht laten zien aan alle volken. Dan zullen ze begrijpen dat ik een heilige God ben.

17De profeten hebben lang geleden al over jou gesproken, Gog. Zij hebben toen al verteld dat jij Israël zou aanvallen. Ik had die profeten de opdracht gegeven om dat te zeggen.’

De Heer is woedend op Gog

18Luister naar wat ik, de Heer, zeg: Als Gog het land Israël aanvalt, zal ik heel kwaad op hem worden. 19Ik zal woedend zijn! Op diezelfde dag laat ik een zware aardbeving komen in Israël. 20Dan zal iedereen bang voor mij zijn. Iedereen zal trillen van angst: de vissen in de zee, de vogels in de lucht, de dieren op het land en alle mensen die op aarde leven. Bergen zullen instorten, rotsen zullen afbreken, en muren zullen omvallen.

21Ik zal ervoor zorgen dat de soldaten van Gog overal in Israël gedood worden. Ze zullen tegen elkaar gaan vechten en elkaar doden.

22Ik zal Gog en zijn leger straffen. Ik laat hagelstenen, enorme regenbuien en vuur op hen neerkomen. Ik laat hen ziek worden en sterven. 23Zo zal ik aan de volken laten zien dat ik een machtige en heilige God ben. Ze zullen begrijpen dat ik de Heer ben.’