Bijbel in Gewone Taal (BGT)
34

De slechte herders en de goede herder

De leiders van Israël zijn slecht

341De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2-3‘Mensenkind, waarschuw de leiders van Israël en zeg tegen hen: ‘Dit zegt God, de Heer: Het zal slecht met jullie aflopen, leiders van Israël! Want jullie zorgen niet goed voor mijn volk.

Jullie lijken op herders die niet goed voor hun schapen zorgen. Zulke herders zorgen alleen maar voor zichzelf. Ze drinken de melk van hun schapen, ze gebruiken de wol om er kleren van te maken, en ze slachten de vette dieren. Maar ze zorgen niet voor de kudde. 4De zwakke schapen helpen ze niet. De zieke schapen maken ze niet beter. Gewonde schapen verzorgen ze niet. En ze gaan niet op zoek naar verdwaalde of weggelopen schapen. Ze zijn hard voor hun schapen en gebruiken geweld tegen de dieren.

5Omdat die herders niet goed op hun kudde letten, verdwalen de schapen. Sommige schapen worden gedood door wilde dieren. 6Andere zwerven rond door de bergen en over de heuvels. De schapen raken verspreid over de hele aarde. Er is niemand die zich zorgen over ze maakt, en niemand die ze gaat zoeken.

De slechte leiders worden gestraft

7Daarom zeg ik, de Heer, tegen die slechte herders: 8‘Mijn schapen zijn door wilde dieren gedood omdat ze geen herder hadden. Want jullie hebben niet op mijn schapen gelet. Jullie hebben alleen maar voor jezelf gezorgd, en niet voor mijn schapen.

9-10Daarom ga ik jullie straffen! Dat is zo zeker als ik leef! Ik ga mijn schapen bij jullie weghalen. Jullie mogen geen herders meer zijn. En jullie kunnen niet langer gebruikmaken van mijn schapen. Want ik ga mijn schapen redden, zodat jullie ze niet meer op kunnen eten.’

God zal zelf voor zijn volk zorgen

11Ik, de Heer, zal zelf op mijn schapen gaan letten. Ik zal zelf voor ze zorgen. 12Ik zal naar ze op zoek gaan, net zoals een herder naar zijn schapen zoekt. Want op een donkere, dreigende dag zijn mijn schapen weggejaagd. Ze zijn verspreid over de hele aarde. Maar ik zal ze bevrijden uit alle plaatsen waar ze naartoe gejaagd zijn. 13-14Ik zal ze weghalen uit de volken waarbij ze terechtgekomen zijn. Ik zal ze weer verzamelen, en ze terugbrengen naar hun eigen land. Ik breng ze naar de bergen van Israël, naar plekken waar water is, en waar genoeg te eten is. Ik breng ze naar plaatsen waar mensen wonen. Daar kunnen ze uitrusten, in velden met heerlijk groen gras.

15Ik, de Heer, zal zelf voor mijn schapen zorgen, en ze laten uitrusten. 16Ik zal de verdwaalde schapen gaan zoeken. De weggejaagde schapen zal ik weer terugbrengen. De gewonde schapen zal ik verzorgen. De zieke schapen zal ik gezond maken. En ik zal goed letten op de vette en sterke dieren. Ik zal goed voor mijn schapen zorgen, zoals het hoort.

God gaat over iedereen rechtspreken

17-18Ik, de Heer, ga rechtspreken over mijn schapen. Ik ga rechtspreken over de hele kudde: over de sterke en de zwakke schapen. Tegen de sterke schapen zeg ik: ‘Jullie zorgen ervoor dat jullie het beste gras van het veld krijgen. En daarna vertrappen jullie de rest van het gras met je poten! Jullie zorgen ervoor dat jullie het helderste water krijgen. En daarna maken jullie de rest van het water vies met je poten! 19De andere schapen moeten het gras eten dat jullie vertrapt hebben, en het water drinken dat jullie vies gemaakt hebben.

20Luister, sterke schapen! Ik, de Heer, ga rechtspreken over alle schapen, over de sterke en de zwakke. En jullie ga ik veroordelen. 21Want jullie jagen de zwakke schapen weg. Met jullie hoorns duwen jullie ze weg uit de kudde.

22Daarom zal ik de zwakke schapen te hulp komen. Ik zal ervoor zorgen dat ze niet langer onderdrukt worden. Ik zal rechtspreken over alle schapen.’

God kiest een nieuwe leider

23Ik, de Heer, zal mijn schapen een nieuwe herder geven: mijn dienaar David. Hij zal de leider van mijn volk zijn, hij zal goed voor hen zorgen.

24Dan zal ik hun God zijn, en David zal hun leider zijn. Dat heb ik, de Heer, besloten.

God belooft vrede aan zijn volk

25Ik zal een belofte doen aan mijn volk. Ik beloof hun dat er voor altijd vrede zal zijn. Ik zal alle wilde dieren wegjagen uit het land. Zelfs in de woestijn en in de bossen zal mijn volk veilig kunnen leven.

26De Israëlieten zullen wonen rondom mijn heilige berg. Daar zal het goed met hen gaan. Ik zal op tijd regen geven, zodat hun grond vruchtbaar wordt. 27Dan zullen er aan de bomen veel vruchten groeien, en de akkers zullen een goede oogst geven.

De mensen zullen veilig kunnen leven in hun eigen land. Want ik zal hen bevrijden van hun onderdrukkers. Dan zullen ze begrijpen dat ik de Heer ben. 28Andere volken zullen het land niet meer leegroven. En de mensen van mijn volk worden niet meer door wilde dieren gedood. Ze zullen veilig kunnen leven. Ze hoeven nergens meer bang voor te zijn.

29Ik zal hun akkers zo vruchtbaar maken, dat iedereen erover spreekt. Niemand in het hele land hoeft meer honger te lijden. En mijn volk zal niet langer bespot worden door andere volken.

30Dan zullen de Israëlieten weten dat ik, de Heer, bij hen ben. En ze zullen begrijpen dat ze mijn volk zijn. 31Want zij zijn de schapen voor wie ik zorg. En ik ben hun God.’’

35

Een waarschuwing voor Edom

De Heer straft de inwoners van Edom

351De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2‘Mensenkind, kijk in de richting van het land Edom, en waarschuw de mensen die daar wonen. 3Zeg tegen hen: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik zal jullie straffen, inwoners van Edom! Ik ga jullie land veranderen in een woestijn, een plek waar niemand woont. 4Jullie steden zal ik totaal verwoesten. Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.

5Jullie zijn altijd vijanden geweest van de Israëlieten. Toen de Israëlieten gestraft werden met een oorlog, hebben jullie hen niet geholpen. Nee, jullie zorgden er juist voor dat ze gedood werden in de strijd. 6Zo groot was jullie haat tegen de Israëlieten. Daarom zal ik jullie straffen! Jullie zullen zelf ook gedood worden. Jullie zullen niet aan de dood kunnen ontsnappen. Dat is zo zeker als ik, de Heer, leef!

De Heer zal Edom verwoesten

7Ik zal de bergen van Edom leeg en verlaten maken. Iedereen die erdoorheen reist, zal gedood worden. 8Overal in de bergen zullen dode en gewonde mensen liggen. En ook de heuvels, de dalen en de rivieren liggen dan vol met mensen die gedood zijn in de strijd.

9Jullie land zal voor altijd een verlaten woestijn zijn. En jullie steden zullen nooit meer bewoond worden. Als dat gebeurt, zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.

De inwoners van Edom beledigen Israël

10Luister, inwoners van Edom. Toen Juda en Israël verwoest waren, zeiden jullie: ‘Dat land is voor ons! Wij nemen het in bezit, ook al heeft de Heer daar gewoond.’ 11Omdat jullie dat gezegd hebben, zal ik jullie straffen. Dat is zo zeker als ik, de Heer, leef!

Jullie hebben mijn volk steeds gehaat. Jullie waren jaloers op hen, en hebben hun kwaad gedaan. Daarom zal ik jullie straffen! Dan zal mijn volk zien hoe machtig ik ben. 12En dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.

Ik heb gehoord hoe jullie Israël beledigden. Jullie zeiden: ‘Israël is verwoest! Het land is nu van ons. Wij gaan het land leegroven!’ 13Ja, ik heb alles gehoord wat jullie zeiden! Jullie hebben ook mij beledigd met die brutale woorden.

Edom wordt een woestijn

14Luister, inwoners van Edom. Dit is wat ik, de Heer, tegen jullie zeg: Ik ga jullie hele land totaal verwoesten. En alle volken van de wereld zullen daar blij om zijn. 15Net zoals jullie blij waren toen Israël verwoest werd.

Het hele land Edom zal veranderen in een woestijn, een gebied waar niemand woont. Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.’’

36

Israël zal niet meer bespot worden

Andere volken spotten met Israël

361De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, spreek tegen de bergen van Israël en zeg tegen ze: ‘Luister naar de woorden van de Heer! 2-3Dit zegt God, de Heer: Toen Israël verwoest was, spotten de andere volken met het land. Ze riepen: ‘Die bergen van Israël, die al zolang bestaan, zijn nu eindelijk van ons!’ Ze probeerden het land aan te vallen en in bezit te nemen. Steeds beledigden en bespotten ze de Israëlieten.

Israëls vijanden zullen bespot worden

4Luister, bergen en heuvels. Luister, land langs de rivieren en in de dalen. Alle verwoeste dorpen en verlaten steden in Israël moeten luisteren. En ook alle plaatsen die leeggeroofd en bespot zijn door de volken om Israël heen.

Dit zegt God, de Heer: 5-6Ik, de Heer, ben woedend op het volk van Edom en op al die andere volken! Want ze hebben heel Israël in bezit genomen en leeggeroofd. Wat waren ze blij toen ze dat deden! En wat hebben ze Israël uitgelachen!

Daarom ben ik woedend op ze. 7Ik zal die volken straffen. Ik zal ervoor zorgen dat ze zelf uitgelachen worden. Dat is mijn besluit.

Het zal weer goed gaan met Israël

8Maar met het land Israël zal het weer goed gaan. De bomen in het land zullen nieuwe bladeren krijgen, en er zullen veel vruchten aan groeien. De Israëlieten zullen die vruchten zelf kunnen eten, want ze komen al snel naar hun land terug.

9Ik zal goed voor mijn land zorgen. Er zal weer gewerkt worden op de akkers, en er zal weer gezaaid worden. 10Er zullen weer veel mensen in het land wonen, want het hele volk van Israël komt weer naar het land terug. Dan zijn de steden weer bewoond, en worden de verwoeste dorpen weer opgebouwd. 11De mensen krijgen veel kinderen en de dieren veel jongen. Er zullen weer evenveel mensen in het land wonen als vroeger. Ik zal zorgen dat alles nog beter wordt dan toen. Dan zullen de mensen begrijpen dat ik de Heer ben.

12De mensen van mijn volk zullen weer door hun eigen land kunnen reizen. Ze zullen het land opnieuw in bezit nemen. Dan zal het voor altijd van hen zijn. Ze zullen veilig in hun land kunnen leven. En ouders zullen hun kinderen niet langer verliezen.

Israël zal niet meer bespot worden

13Nu zeggen de andere volken nog: ‘In Israël gaan veel mensen dood omdat er niet genoeg op de akkers groeit. Veel ouders verliezen er hun kinderen.’ 14Maar ik, de Heer, zeg: Er zullen in Israël niet langer mensen sterven door honger. En ouders zullen er hun kinderen niet meer verliezen. 15Dan zullen de andere volken Israël niet langer uitlachen en bespotten. Ik, de Heer, zal daar zelf voor zorgen.’’

God zal zijn volk groot maken

Het land is onrein gemaakt

16De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 17-18‘Mensenkind, toen de Israëlieten nog in hun eigen land woonden, hebben ze misdaden gepleegd. Ze pleegden moorden en vereerden afgoden. Zo hebben ze het hele land onrein gemaakt.

Daarom werd ik woedend op de Israëlieten. 19Ik heb hen weggejaagd naar andere landen. Daar moesten ze wonen bij volken die ze niet kenden. Zo strafte ik hen voor hun misdaden.

De volken beledigen de Heer

20Maar toen de Israëlieten bij die andere volken kwamen, werd ik daar bespot. Dat kwam door de Israëlieten. Ik werd beledigd, terwijl ik een heilige God ben. Want die volken zeiden: ‘Dus dit is het volk van de Heer! Had hij er dan niet voor kunnen zorgen dat ze veilig in zijn land konden blijven?’

21Overal waar de Israëlieten kwamen, werd ik bespot, en dat kwam door hen. Dat deed me veel verdriet.

God laat zijn volk teruggaan

22Zeg daarom tegen de Israëlieten: ‘Dit zegt God, de Heer: Overal waar jullie kwamen, werd ik bespot, en dat was jullie schuld. Ik werd beledigd, terwijl ik een heilige God ben.

Maar nu ga ik daar iets aan doen! Dat doe ik niet voor jullie. Nee, ik doe het om iedereen te laten zien dat ik heilig ben. 23-24Ik zal zorgen dat de volken weer eerbied voor mij krijgen. Ik zal ze laten zien dat ik een heilige God ben. Want ik ga jullie weghalen uit de landen waar jullie terechtgekomen zijn. Ik zal jullie bij elkaar brengen, en weer terug laten gaan naar je eigen land. Dan zullen de volken begrijpen dat ik de Heer ben.

De Heer zal zijn volk rein maken

25Als jullie in je eigen land terug zijn, zal ik jullie weer rein maken. Ik zal zuiver water op jullie druppelen. En ik zal alles wat onrein is, bij jullie weghalen. Dan zullen jullie geen afgoden meer vereren.

26Ik zal ervoor zorgen dat jullie mij weer dienen en liefhebben. Jullie zullen niet langer ongehoorzaam zijn aan mij, maar weer doen wat ik wil. 27Mijn geest zal in jullie zijn, en jullie zullen je houden aan mijn wetten en regels.

28Jullie zullen weer in het land wonen dat ik aan jullie voorouders gegeven heb. Dan zullen jullie mijn volk zijn, en ik zal jullie God zijn.

De Heer zal zijn volk helpen

29Ik zal alles wat onrein is, bij jullie weghalen. En ik zal zorgen dat er heel veel koren groeit op het land. Niemand hoeft dan meer honger te lijden. 30Er zullen veel vruchten groeien aan de bomen, en de oogst van de akkers zal groot zijn. Dan zullen jullie geen honger meer hebben, en niet meer door andere volken bespot worden.

Het volk zal spijt krijgen

31Als dat gebeurt, zullen jullie terugdenken aan je slechte gedrag. Jullie zullen denken aan alle verkeerde dingen die jullie gedaan hebben. En jullie zullen jezelf haten om al die vreselijke misdaden.

32Luister, Israëlieten! Ik help jullie wel, maar dat doe ik niet voor jullie zelf. Onthoud dat goed! En schaam je diep voor jullie slechte gedrag!

Het land zal weer bewoond worden

33Als ik jullie rein gemaakt heb en jullie schuld heb weggenomen, zullen de verwoeste steden weer opgebouwd worden. Dan kunnen er weer mensen wonen. 34Er zal weer gewerkt worden op de akkers. Mensen die door het land reizen, zien niet langer een verlaten en verwaarloosd gebied. 35Ze zullen zeggen: ‘Eerst was dat land verwaarloosd, maar nu is het een prachtige plek geworden. Het is er net zo mooi als in de tuin van Eden! De steden van dat land waren ooit verlaten en helemaal verwoest. Maar nu zijn het weer sterke steden, waar mensen wonen.’

36Dan zullen de volken om jullie heen begrijpen dat ik de Heer ben. Ik zal ervoor zorgen dat de verwoeste steden weer opgebouwd worden. En ik zorg ervoor dat er weer gezaaid wordt op de verwaarloosde akkers.

Dat is mijn besluit. En wat ik besloten heb, dat zal ik ook doen.’

De Heer zal zijn volk groot maken

37Dit zegt God, de Heer: Ik zal de Israëlieten geven waar ze naar verlangen: Ik laat hun volk steeds groter worden, net zoals een kudde schapen steeds groter wordt. 38De steden die nu nog verwoest zijn, zullen eens vol zijn met mensen. Net zoals Jeruzalem op feestdagen vol is met schapen voor offers.

Dan zullen de mensen begrijpen dat ik de Heer ben.’