Bijbel in Gewone Taal (BGT)
28

God waarschuwt de koning

De koning van Tyrus is trots

281De Heer zei tegen mij: 2‘Mensenkind, zeg namens mij tegen de koning van Tyrus: ‘Wat ben jij trots! Je denkt dat je een god bent. Je denkt dat je op de troon van een god zit, op een eiland midden in zee. Je denkt dat je net zo wijs bent als een god. Maar je bent geen god! Je bent maar een mens.

3Zeker, je bent heel wijs, zelfs wijzer dan Daniël. Geen enkel geheim blijft voor jou verborgen. 4Doordat je zo wijs en slim bent, ben je heel rijk geworden. Je hebt zilver en goud verzameld in je schatkamers. 5Je bent zo goed geworden in de handel, dat je steeds meer bezit gekregen hebt. Maar door je rijkdom ben je trots geworden.

De Heer stuurt vijanden naar Tyrus

6Luister, koning van Tyrus! Omdat jij denkt dat je een god bent, 7zal ik, de Heer, vijanden op je afsturen. De wreedste volken die er zijn. Zij zullen al je prachtige bezittingen vernielen, alles wat je door je wijsheid verzameld hebt. Zo zullen ze een einde maken aan je beroemdheid.

8-10Daarna zullen ze je op een wrede manier doden. Ze zullen je mishandelen en vermoorden alsof je een hond bent. En ze zullen je lichaam in zee gooien.

Als je moordenaars voor je staan, zul je dan nog steeds denken dat je een god bent? Nee, als zij je vastgrijpen, zul je weten dat je geen god bent, maar een mens.’’

Een lied over de koning van Tyrus

11De Heer zei tegen mij: 12‘Mensenkind, zing een klaaglied over de koning van Tyrus, en zeg namens mij tegen hem:

‘Ooit was alles aan jou volmaakt,

je was bijzonder wijs en geweldig mooi.

13Je leefde in Eden, in de tuin van God.

Overal op je kleren zaten edelstenen.

Die stenen hadden allerlei kleuren,

en ze waren vastgezet in goud.

Ze lagen al voor je klaar toen je geboren werd.

14Je was een engel met uitgespreide vleugels.

Je was aangesteld als bewaker op de heilige berg van God.

Daar wandelde je tussen schitterende edelstenen.

15-16Je was eerlijk in alles wat je deed

vanaf de dag dat je geboren werd.

Maar toen je steeds meer ging handelen,

kwam je in de macht van het kwaad.

Je begon onrecht te doen,

je werd oneerlijk en pleegde geweld.

Daarom stuurde de Heer je weg van zijn heilige berg.

Je mocht geen bewaker meer zijn.

Je mocht niet meer wonen op die prachtige plek

tussen de schitterende edelstenen.

17Want je werd trots doordat je mooi was,

en je verloor je wijsheid doordat je beroemd was.

Daarom gooide ik je op de aarde neer,

en alle koningen konden dat zien.

18Toen je steeds meer ging handelen, werd je oneerlijk.

Je ging onrecht doen en je pleegde geweld.

Zo heb je de tempels van Tyrus onrein gemaakt.

Daarom zal er vuur uit je komen,

en dat vuur zal jou helemaal verbranden.

Wat er van je overblijft, is een hoopje as.

En iedereen zal dat kunnen zien.

19Alle volken die je kennen,

zullen zien hoe slecht het met je afloopt.

Ze zullen vreselijk schrikken,

want je zult voor altijd verdwenen zijn!’’

God waarschuwt Sidon

De Heer gaat Sidon straffen

20De Heer zei tegen mij: 21‘Mensenkind, kijk in de richting van Sidon, en waarschuw de inwoners van die stad. 22Zeg tegen hen: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik ga jullie straffen, inwoners van Sidon! Ik zal jullie laten zien hoe machtig ik ben. Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben, de heilige God.’

De Heer stuurt rampen naar Sidon

23Ik zal de pest laten uitbreken in Sidon. En ik zal zorgen dat de stad van alle kanten aangevallen wordt door vijanden. Overal in de straten zal bloed liggen. De stad zal vol zijn met doden.

Dan zullen de inwoners van Sidon begrijpen dat ik de Heer ben.

De Heer brengt zijn volk terug

24De volken rondom Israël bespotten de Israëlieten. Maar ik zal zorgen dat ze de Israëlieten niet meer beledigen, en dat ze hun geen verdriet meer doen. Dan zullen die volken begrijpen dat ik de Heer ben.

25De Israëlieten leven nu nog bij andere volken. Daar heb ik hen naartoe gestuurd. Maar ik zal hen weer terugbrengen naar hun eigen land. Naar het land dat ik aan mijn dienaar Jakob gegeven heb. Zo zal ik alle volken laten zien dat ik heilig ben.

26In hun eigen land zullen de Israëlieten in vrede leven. Ze zullen er huizen bouwen en wijngaarden aanleggen. En alle volken die hen bespot hebben, zal ik straffen. Dan zullen de Israëlieten begrijpen dat ik de Heer ben, hun God.’

29

Egypte zal verwoest worden

De farao lijkt op een krokodil

291Toen mijn volk en ik tien jaar in Babylonië woonden, sprak de Heer tegen mij. Dat gebeurde op de twaalfde dag van de tiende maand. De Heer zei: 2‘Mensenkind, kijk in de richting van Egypte, en waarschuw de farao en alle andere inwoners van het land. 3Zeg tegen hen: ‘Dit zegt God, de Heer, tegen de koning van Egypte: Ik zal je straffen, farao! Want je zegt dat de Nijl van jou is, en dat jij die rivier gemaakt hebt.

4Je lijkt op een grote krokodil in de Nijl: iedereen is bang voor jou. Maar ik zal je vangen, krokodil! Ik zal een haak door je bek slaan en je uit de Nijl trekken. Ik haal je uit het water, samen met de vissen die aan je vast blijven zitten. 5Daarna gooi ik je samen met al die vissen in de woestijn. Daar zullen jullie blijven liggen in het zand. Niemand zal jullie begraven. De wilde dieren en de vogels zullen komen om jullie op te eten.

6Dan zullen de inwoners van Egypte begrijpen dat ik de Heer ben.’

Egypte lijkt op een rietstengel

Toen de Israëlieten hulp zochten bij Egypte, lieten de Egyptenaren hen in de steek. Egypte was voor de Israëlieten net als een rietstengel. 7Als je zo’n stengel vastpakt, splijt hij doormidden en snijdt je hand open. En als je erop leunt, dan breekt hij, zodat je valt en je heupen breekt.

8Daarom zeg ik, de Heer, tegen de inwoners van Egypte: ‘Luister, Egyptenaren! Ik zal vijanden op jullie afsturen. Alle mensen en dieren in Egypte zullen sterven in de strijd. 9Egypte blijft leeg achter, als een verwoest land. Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.’

Egypte zal een woestijn worden

De koning van Egypte heeft gezegd: ‘De Nijl is van mij, ik heb hem gemaakt.’ 10Omdat hij dat gezegd heeft, zal het slecht aflopen met Egypte en de Nijl. Ik zal het land totaal verwoesten. Heel Egypte zal veranderen in een verlaten woestijn, van het noorden tot het zuiden. 11Er komt niemand meer in het land, geen mens en geen dier.

Dat zal veertig jaar duren. 12Veertig jaar lang zal Egypte een woestijn zijn, net als de landen eromheen. En veertig jaar lang zullen de steden van Egypte helemaal verlaten zijn, net als de steden in de landen eromheen.

De inwoners van Egypte zullen weggejaagd worden naar andere landen. Daar zullen ze wonen bij volken die ze niet kennen.

Egypte zal een zwak land blijven

13Maar als die veertig jaar voorbij zijn, zal ik de Egyptenaren weer terughalen uit de landen waar ze naartoe gejaagd waren. 14Ik zal zorgen dat het weer goed gaat met de Egyptenaren. Ik zal hen terugbrengen naar Patros, het gebied waar ze vandaan komen.

Maar Egypte zal altijd een onbelangrijk en zwak koninkrijk blijven. 15Het zal zwakker zijn dan alle andere koninkrijken. En het zal nooit meer over andere volken heersen.

16De Israëlieten zullen niet langer hulp zoeken bij Egypte. Ze zullen niet opnieuw de fout maken om op Egypte te vertrouwen. Ze zullen begrijpen dat ik de Heer ben, hun God.’

Babylonië krijgt Egypte

De Babyloniërs worden beloond

17Toen mijn volk en ik 27 jaar in Babylonië woonden, sprak de Heer opnieuw tegen mij. Dat gebeurde op de eerste dag van de eerste maand. De Heer zei tegen mij: 18‘Luister, mensenkind. Nebukadnessar, de koning van Babylonië, heeft met zijn leger een hevige strijd gevoerd tegen Tyrus. Zijn soldaten moesten een zware last op hun schouders en op hun hoofd dragen. Zo zwaar, dat de huid op hun schouders kapot is gegaan, en dat hun hoofden kaal geworden zijn. Maar ze hebben geen schatten mee kunnen nemen uit Tyrus als beloning voor hun strijd.

19-20Daarom zal ik, de Heer, een andere beloning geven aan de koning van Babylonië en zijn leger: ik geef hun het land Egypte. Koning Nebukadnessar zal alle kostbare spullen uit dat land weghalen, en hij zal er alle schatten roven. Zo zal hij toch nog beloond worden voor de zware strijd die hij van mij moest voeren. Dat heb ik, de Heer, besloten.

De Israëlieten krijgen nieuwe kracht

21Daarna zal ik het volk van Israël nieuwe kracht geven. En jij, Ezechiël, zult dan weer tegen de Israëlieten spreken. Dan zullen de Israëlieten begrijpen dat ik de Heer ben.’

30

Egypte wordt verwoest

De verschrikkelijke dag van de Heer

301De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2‘Mensenkind, waarschuw de mensen, en zeg namens mij: ‘Iedereen moet huilen en roepen: ‘Wat een verschrikkelijke dag!’ 3Want de dag dat de Heer komt, is dichtbij. Het zal een donkere, dreigende dag zijn. Op die dag zal de Heer rechtspreken over alle volken.

Er komt oorlog in Egypte

4-5Dan zal er in Egypte oorlog zijn, en er zullen veel mensen sterven. Alle kostbare schatten zullen uit Egypte weggehaald worden, en het land zal helemaal worden verwoest.

In het Egyptische leger zullen ook soldaten uit Nubië, Libië, Lydië en Kub zijn. Ook zij zullen in die oorlog gedood worden.

Als de mensen in Nubië horen wat er met Egypte gebeurt, zullen ze beven van angst.

De macht van Egypte is voorbij

6Dit zegt de Heer: Iedereen die Egypte helpt, zal gedood worden in de strijd. Overal in het land, van het noorden tot het zuiden, worden mensen gedood. Zo komt er een einde aan de macht van Egypte. De Egyptenaren zullen niets meer hebben om trots op te zijn.

7Egypte zal een woestijn worden, net zoals de landen eromheen. En de steden in Egypte zullen leeg en verlaten zijn, net zoals de steden in de landen eromheen. 8Want heel Egypte zal door vuur verwoest worden. En iedereen die Egypte geholpen heeft, wordt gedood.

Als dat gebeurt, zullen de mensen begrijpen dat ik de Heer ben.

De mensen in Nubië zijn doodsbang

9Op de dag dat ik Egypte straf, stuur ik boodschappers in boten naar Nubië. De mensen in Nubië maken zich nooit zorgen. Maar als ze horen wat er met Egypte gebeurd is, zullen ze beven van angst.

Let op, want die verschrikkelijke dag komt al snel!

Nebukadnessar komt Egypte verwoesten

10Dit zegt God, de Heer: Ik laat Nebukadnessar, de koning van Babylonië, een einde maken aan de rijkdom van Egypte. 11Ik stuur hem naar Egypte, samen met zijn leger. Dat is het wreedste leger van de wereld. De koning en zijn leger zullen tegen Egypte strijden, en het land totaal verwoesten. Dan zal Egypte vol zijn met doden.

12Alle rivieren in Egypte laat ik opdrogen. En ik zal het land uitleveren aan andere volken. Zij zullen alles in Egypte vernielen. Dat heb ik, de Heer, besloten.

Egypte wordt gestraft

13Dit zegt God, de Heer: Ik zal de afgoden van Egypte vernietigen en de godenbeelden laten verdwijnen uit Memfis. Er zal geen koning meer zijn in Egypte. Dan zal iedereen in Egypte doodsbang zijn.

14Ik zal het gebied Patros verwoesten, de stad Soan in brand steken, en de inwoners van Thebe straffen. 15Pelusium, die sterke stad aan de grens van Egypte, zal merken hoe woedend ik ben. En in Thebe zal ik alle kostbare schatten vernielen. 16De inwoners van Pelusium zullen beven van angst. De muren van Thebe worden stukgeslagen. En Memfis wordt midden op de dag door vijanden aangevallen. Heel Egypte wordt door vuur verwoest.

17De jonge mannen uit Heliopolis en Bubastis zullen sterven in de strijd. En de andere inwoners zullen naar een ver land gebracht worden.

18In Dafne zal het overdag donker zijn. Want daar zal ik een einde maken aan de macht van Egypte. Dan hebben de Egyptenaren niets meer om trots op te zijn.

Donkere wolken zullen het land bedekken. De inwoners van Egypte worden naar een ver land gebracht. 19Zo zal ik Egypte straffen.

Als dat gebeurt, zullen de Egyptenaren begrijpen dat ik de Heer ben.’’

De farao verliest zijn macht

De Heer is de vijand van de farao

20Toen mijn volk en ik elf jaar in Babylonië woonden, sprak de Heer opnieuw tegen mij. Dat gebeurde op de zevende dag van de eerste maand. De Heer zei: 21-22‘Mensenkind, ik zal de koning van Egypte machteloos maken. Hij zal zijn macht niet terugkrijgen. Dan lijkt hij op iemand met een gebroken arm die door niemand verzorgd wordt. Niemand doet verband om de arm, niemand zorgt ervoor dat de arm geneest. En ook zijn andere arm, de arm die nog gezond was, zal breken. Als allebei zijn armen gebroken zijn, kan hij zijn zwaard niet meer vasthouden. Dan heeft hij geen enkele macht meer. Zo zal het ook gaan met de farao: hij zal al zijn macht verliezen. Want ik ben de vijand van de farao.

23De Egyptenaren zelf zal ik wegjagen naar andere landen. Daar zullen ze wonen bij volken die ze niet kennen.

De koning van Babylonië krijgt veel macht

24-25Aan de koning van Babylonië zal ik juist veel macht geven. Ik zal hem sterk maken, en mijn zwaard aan hem geven. Maar de farao zal ik machteloos maken. Hij zal op de grond liggen voor de koning van Babylonië. Hij zal het uitschreeuwen van pijn, en sterven.

Als ik mijn zwaard aan de koning van Babylonië gegeven heb, zal hij Egypte aanvallen. Dan zal iedereen weten dat ik de Heer ben.

26Ik zal de Egyptenaren wegjagen naar andere landen. Daar zullen ze wonen bij volken die ze niet kennen. Dan zullen de Egyptenaren begrijpen dat ik de Heer ben.’