Bijbel in Gewone Taal (BGT)
26

God waarschuwt Tyrus

De Heer gaat Tyrus straffen

261Toen mijn volk en ik elf jaar in Babylonië woonden, sprak de Heer opnieuw tegen mij. Dat gebeurde op de eerste dag van de maand. De Heer zei: 2‘Mensenkind, toen Jeruzalem verwoest werd, waren de inwoners van de stad Tyrus daar blij om. Ze riepen: ‘Hoera! Jeruzalem is verwoest! Nu is Jeruzalem niet meer het centrum van de handel, maar nu is Tyrus dat! We worden rijk!’

3Omdat de inwoners van Tyrus dat gezegd hebben, zeg ik tegen hen: ‘Ik zal jullie straffen, inwoners van Tyrus! Jullie zullen aangevallen worden door heel veel volken. Die zullen op jullie afkomen, zoals de golven van de zee op het land afkomen. 4-5Ze zullen de muren van Tyrus vernielen, en de torens van de stad verwoesten. En ze zullen jullie hele stad leegroven. Zelfs het puin van de stad zal worden weggehaald. Dan is een kale rots het enige wat er van Tyrus overblijft. Die rots, midden in de zee, zal alleen nog maar door vissers gebruikt worden om hun netten te laten drogen. Dat heb ik, de Heer, besloten.

6Ook de steden op het vasteland die bij Tyrus horen, zullen verwoest worden. Als dat allemaal gebeurt, zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.’

Tyrus zal veroverd worden

7Ik, de Heer, zeg tegen de inwoners van Tyrus: ‘Let op! Ik zal Nebukadnessar, de koning van Babylonië, naar jullie stad sturen. Hij komt uit het noorden, en hij is de machtigste van alle koningen. Hij zal Tyrus aanvallen met een groot leger, met paarden en wagens, en met veel soldaten.

8Eerst zal hij met zijn leger de steden op het vasteland aanvallen. En hij zal daar alle mensen doden. Daarna zal hij Tyrus zelf aanvallen. Hij zal de stad omsingelen en dan veroveren.

De Babylonische soldaten zullen zichzelf beschermen met schilden. 9Ze breken de muren van Tyrus open met zware, houten palen. En ze slopen de torens van de stad met bijlen. 10Ze komen met geweldig veel paarden op de stad af. Dan waait er zo veel stof op, dat de hele stad erdoor bedekt wordt.

Als de poorten opengebroken zijn, zal de koning met zijn leger de stad binnenkomen. Dan zullen de muren van Tyrus heen en weer schudden door het gedreun van de paarden en de strijdwagens. 11De straten van de stad zullen door de paarden kapotgetrapt worden. De geweldige zuilen in de tempels worden vernield. En de inwoners van Tyrus worden gedood in de strijd.

12De soldaten zullen de hele stad leegroven. Alle kostbare schatten en alles wat ze kunnen verkopen, nemen ze mee. Ze breken de muren van de stad af, en ze verwoesten alle mooie huizen.

Dan zijn er van Tyrus alleen nog maar stukken hout, puin en stenen over. En die worden door de soldaten in zee gegooid.

Tyrus zal veranderen in een kale rots

13Dan zal er geen muziek meer klinken in Tyrus. Er wordt niet meer gezongen en niet meer op de harp gespeeld.

14De stad zal veranderen in een kale rots. Een rots die alleen nog door vissers gebruikt wordt om er hun netten te laten drogen. De stad zal nooit meer opgebouwd worden. Dat heb ik, de Heer, besloten.’

Een klaaglied over Tyrus

15Ik, de Heer, zeg tegen de inwoners van Tyrus: ‘De volken langs de kust en op de eilanden zullen horen dat Tyrus verwoest wordt. Ze zullen het geschreeuw horen van de mensen die vermoord worden. Dan zullen ze doodsbang zijn en beven van angst.

16Alle koningen van de landen langs de kust zullen opstaan van hun troon. Ze zullen hun prachtige kleren en hun koninklijke mantels uitdoen, en rouwkleren aantrekken. Ze zullen op de grond gaan zitten en trillen van angst. Want ze zijn vreselijk geschrokken door de verwoesting van de stad.

17Dan zullen ze dit klaaglied zingen over Tyrus:

‘O, stad aan de zee, je bent helemaal verwoest!

Ooit was je beroemd,

je was de sterkste stad aan zee,

je maakte andere volken bang.

18Maar nu beven alle volken van angst

omdat ze zien dat jij vernietigd bent.’’

Tyrus komt in het land van de dood

19Ik, de Heer, zeg tegen de inwoners van Tyrus: ‘Ik zal Tyrus totaal vernietigen. Er zal niemand meer in de stad kunnen wonen. Ik laat de golven van de zee op de stad afkomen, zodat Tyrus helemaal bedekt wordt met water.

20Zo zal er een einde komen aan Tyrus. De stad zal verdwijnen uit het land van de levenden. Alleen in het land van de dood zal nog plaats zijn voor Tyrus. In dat land wonen mensen die lang geleden gestorven zijn. Ze wonen daar in steden die lang geleden verwoest zijn.

21Iedereen die hoort wat er met Tyrus gebeurd is, zal vreselijk schrikken. De stad zal voor altijd verdwenen zijn. Mensen zullen op zoek gaan naar Tyrus, maar ze zullen de stad nooit meer terugvinden. Dat heb ik, de Heer, besloten.’’

27

Tyrus lijkt op een schip

Een lied over Tyrus

271De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2‘Mensenkind, zing een lied over Tyrus, 3die machtige stad met al die havens. Die stad die handelt met zo veel volken en eilanden.

‘Tyrus, wat ben jij trots op jezelf,

je vindt jezelf de mooiste stad op aarde.

4Je ligt op een eiland midden in zee,

en je bent prachtig gebouwd.

Je lijkt op een schitterend schip,

5gemaakt van cipressenhout uit Senir.

Met een mast van cederhout uit de Libanon-bergen,

6en roeispanen van eikenhout uit Basan.

Met een dek van dennenhout uit Cyprus,

versierd met kostbaar ivoor.

7Met vrolijk gekleurde zeilen uit Egypte,

die al van ver te herkennen zijn.

En met een dak van kostbare kleden

die van de Alasia-eilanden komen.

8De roeiers van het schip komen uit Sidon en Arwad,

en de kapiteins zijn wijze mannen uit Tyrus.

9Er varen ook timmermannen uit Gebal mee,

die goed zijn in het repareren van schepen.’

Allerlei volken komen naar Tyrus toe

Alle schepen die op zee varen, komen naar Tyrus toe. Want de zeemannen willen graag handelen met de inwoners van de stad.

10-11Er komen ook mensen helpen om de stad te verdedigen. Soldaten uit Perzië, Lydië en Libië vechten in het leger van de stad. Mannen uit Arwad en Chelek bewaken de muren, en mannen uit Gammad staan op de torens. Ze hangen hun helmen, hun schilden en hun pijlen en bogen op aan de muren van de stad. Zo versieren ze de muren, en maken ze de stad nog mooier.

Allerlei volken handelen met Tyrus

12De inwoners van Tarsis handelen graag met Tyrus, omdat die stad zo rijk is. In ruil voor producten uit Tyrus bieden ze zilver, ijzer, tin en lood aan. 13De inwoners van Griekenland, Tubal en Mesech ruilen slaven en bronzen voorwerpen tegen producten uit Tyrus. 14En de inwoners van Bet-Togarma ruilen paarden en ezels tegen spullen uit Tyrus.

15Ook de bewoners van Rhodos en andere eilanden handelen met Tyrus. Ze betalen met ivoor en duur hout. 16Verder kopen de inwoners van Edom allerlei producten in Tyrus. Ze betalen die met rode wol, vrolijk gekleurde stoffen, fijn linnen, parels en edelstenen. 17Handelaars uit Juda en Israël verkopen rijst, fijn meel, honing, olijfolie en dure kruiden aan Tyrus.

18-19Ook handelaars uit Damascus komen naar Tyrus omdat de stad zo rijk is. Ze kopen er allerlei producten, zoals ijzer en geurige kruiden. En ze betalen die met wijn uit Chelbon en Izalla, en met wol uit Sachar.

20De inwoners van Dedan verkopen aan Tyrus kleden die je over zadels kunt leggen. 21De Arabieren en de koningen van Kedar verkopen schapen, geiten en bokken aan Tyrus. 22En handelaars uit Seba en Rama verkopen in Tyrus kostbare kruiden, en allerlei edelstenen en goud.

23-24Ook handelaars uit Charan, Kanne en Eden, en uit Seba, Assur en Kilmad komen naar Tyrus. Ze verkopen er schitterende kleding van blauwe wol en van vrolijk gekleurde stoffen. Ook verkopen ze stevige touwen en kleden in allerlei kleuren.

25Alles wordt vervoerd door grote schepen die uit Tarsis komen.

Tyrus lijkt op een schip dat zinkt

Tyrus wordt steeds rijker. De stad wordt voller en voller. Tyrus lijkt op een schip met een zware lading. 26Dat schip wordt door zeemannen ver de zee op gebracht.

Maar dan, als het schip midden op zee is, gaat het stormen. En het schip breekt doormidden. 27Alle kostbare spullen komen in zee terecht. De zeemannen, de timmermannen en alle anderen aan boord, verdrinken in de diepe zee. Ze vergaan samen met het schip. 28De mensen aan de kust zullen hun geschreeuw horen. En ze zullen beven van angst en schrik.

Alle zeemannen zullen rouwen om Tyrus

29Als Tyrus verwoest is, zullen alle zeemannen hun schepen verlaten. Ze zullen aan land gaan, 30en schreeuwen en klagen over de verwoeste stad. Ze zullen zand over hun hoofd gooien en op de grond gaan liggen, als teken van rouw. 31Ze zullen hun hoofd kaalscheren en rouwkleren aantrekken. En ze zullen huilen van verdriet.

De zeemannen zingen een klaaglied

32Dan zingen de zeemannen dit klaaglied over Tyrus:

‘Geen enkele stad was zo machtig als Tyrus,

die stad midden in zee.

33Tyrus bracht zijn producten naar andere volken

in schepen over zee.

Zo heeft de stad aan veel volken rijkdom gebracht,

en koningen rijk gemaakt met allerlei schatten.

34Maar nu is Tyrus verwoest door de golven,

zijn inwoners zijn verdronken,

en al zijn bezittingen zijn verdwenen in zee.

35De volken aan de kust zijn doodsbang,

hun koningen beven van angst.

36Handelaars uit de hele wereld zijn geschrokken.

Iedereen die aan Tyrus denkt, raakt in paniek.

Want de stad is voor altijd verdwenen.’’

28

God waarschuwt de koning

De koning van Tyrus is trots

281De Heer zei tegen mij: 2‘Mensenkind, zeg namens mij tegen de koning van Tyrus: ‘Wat ben jij trots! Je denkt dat je een god bent. Je denkt dat je op de troon van een god zit, op een eiland midden in zee. Je denkt dat je net zo wijs bent als een god. Maar je bent geen god! Je bent maar een mens.

3Zeker, je bent heel wijs, zelfs wijzer dan Daniël. Geen enkel geheim blijft voor jou verborgen. 4Doordat je zo wijs en slim bent, ben je heel rijk geworden. Je hebt zilver en goud verzameld in je schatkamers. 5Je bent zo goed geworden in de handel, dat je steeds meer bezit gekregen hebt. Maar door je rijkdom ben je trots geworden.

De Heer stuurt vijanden naar Tyrus

6Luister, koning van Tyrus! Omdat jij denkt dat je een god bent, 7zal ik, de Heer, vijanden op je afsturen. De wreedste volken die er zijn. Zij zullen al je prachtige bezittingen vernielen, alles wat je door je wijsheid verzameld hebt. Zo zullen ze een einde maken aan je beroemdheid.

8-10Daarna zullen ze je op een wrede manier doden. Ze zullen je mishandelen en vermoorden alsof je een hond bent. En ze zullen je lichaam in zee gooien.

Als je moordenaars voor je staan, zul je dan nog steeds denken dat je een god bent? Nee, als zij je vastgrijpen, zul je weten dat je geen god bent, maar een mens.’’

Een lied over de koning van Tyrus

11De Heer zei tegen mij: 12‘Mensenkind, zing een klaaglied over de koning van Tyrus, en zeg namens mij tegen hem:

‘Ooit was alles aan jou volmaakt,

je was bijzonder wijs en geweldig mooi.

13Je leefde in Eden, in de tuin van God.

Overal op je kleren zaten edelstenen.

Die stenen hadden allerlei kleuren,

en ze waren vastgezet in goud.

Ze lagen al voor je klaar toen je geboren werd.

14Je was een engel met uitgespreide vleugels.

Je was aangesteld als bewaker op de heilige berg van God.

Daar wandelde je tussen schitterende edelstenen.

15-16Je was eerlijk in alles wat je deed

vanaf de dag dat je geboren werd.

Maar toen je steeds meer ging handelen,

kwam je in de macht van het kwaad.

Je begon onrecht te doen,

je werd oneerlijk en pleegde geweld.

Daarom stuurde de Heer je weg van zijn heilige berg.

Je mocht geen bewaker meer zijn.

Je mocht niet meer wonen op die prachtige plek

tussen de schitterende edelstenen.

17Want je werd trots doordat je mooi was,

en je verloor je wijsheid doordat je beroemd was.

Daarom gooide ik je op de aarde neer,

en alle koningen konden dat zien.

18Toen je steeds meer ging handelen, werd je oneerlijk.

Je ging onrecht doen en je pleegde geweld.

Zo heb je de tempels van Tyrus onrein gemaakt.

Daarom zal er vuur uit je komen,

en dat vuur zal jou helemaal verbranden.

Wat er van je overblijft, is een hoopje as.

En iedereen zal dat kunnen zien.

19Alle volken die je kennen,

zullen zien hoe slecht het met je afloopt.

Ze zullen vreselijk schrikken,

want je zult voor altijd verdwenen zijn!’’

God waarschuwt Sidon

De Heer gaat Sidon straffen

20De Heer zei tegen mij: 21‘Mensenkind, kijk in de richting van Sidon, en waarschuw de inwoners van die stad. 22Zeg tegen hen: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik ga jullie straffen, inwoners van Sidon! Ik zal jullie laten zien hoe machtig ik ben. Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben, de heilige God.’

De Heer stuurt rampen naar Sidon

23Ik zal de pest laten uitbreken in Sidon. En ik zal zorgen dat de stad van alle kanten aangevallen wordt door vijanden. Overal in de straten zal bloed liggen. De stad zal vol zijn met doden.

Dan zullen de inwoners van Sidon begrijpen dat ik de Heer ben.

De Heer brengt zijn volk terug

24De volken rondom Israël bespotten de Israëlieten. Maar ik zal zorgen dat ze de Israëlieten niet meer beledigen, en dat ze hun geen verdriet meer doen. Dan zullen die volken begrijpen dat ik de Heer ben.

25De Israëlieten leven nu nog bij andere volken. Daar heb ik hen naartoe gestuurd. Maar ik zal hen weer terugbrengen naar hun eigen land. Naar het land dat ik aan mijn dienaar Jakob gegeven heb. Zo zal ik alle volken laten zien dat ik heilig ben.

26In hun eigen land zullen de Israëlieten in vrede leven. Ze zullen er huizen bouwen en wijngaarden aanleggen. En alle volken die hen bespot hebben, zal ik straffen. Dan zullen de Israëlieten begrijpen dat ik de Heer ben, hun God.’