Bijbel in Gewone Taal (BGT)
21

Het zwaard van de Heer

Ezechiël moet de bossen waarschuwen

211De Heer zei tegen mij: 2‘Mensenkind, kijk in de richting van het zuiden, en waarschuw de bossen die daar zijn. 3Zeg tegen die bossen: ‘Luister naar wat God, de Heer, tegen jullie zegt: Kijk uit, want ik zal jullie in brand steken! Al jullie bomen zullen door het vuur verbrand worden, niet alleen de dorre bomen, maar ook de groene. En dat felle vuur zal niet uitgaan.’

In het hele land zullen de mensen de hitte van het vuur voelen. 4En ze zullen zien dat het vuur niet uitgaat. Dan zullen ze begrijpen dat ik, de Heer, het aangestoken heb.’

God zegt tegen Ezechiël wat de boodschap betekent

5Ik zei: ‘Ach, Heer, mijn God, de mensen zullen zeggen: ‘Wat zegt die man toch weer geheimzinnige dingen!’’

6Toen zei de Heer tegen mij: 7‘Mensenkind, kijk in de richting van Jeruzalem en de tempel. En waarschuw de inwoners van Israël. 8-9Zeg namens mij tegen hen: ‘Kijk uit, Israëlieten, want ik ben jullie vijand! Ik haal mijn zwaard tevoorschijn, en daarmee ga ik iedereen doden. Niet alleen de slechte mensen, maar ook de goede. Ik zal iedereen doden in het hele land!

10Dan zal de hele wereld weten dat ik, de Heer, mijn zwaard tevoorschijn gehaald heb. Ik houd het stevig vast, en laat het niet meer los.’’

Ezechiël moet huilen van ellende

11Daarna zei de Heer: ‘Mensenkind, ik wil dat je huilt van ellende en verdriet. Laat iedereen zien hoe wanhopig je bent.

12Als de mensen aan je vragen waarom je zo huilt, zeg dan: ‘Omdat jullie slecht nieuws te horen krijgen. Als jullie dat nieuws horen, zullen jullie de moed verliezen. Jullie handen zullen trillen, en jullie knieën zullen beven van angst. Dat slechte nieuws zal al snel komen. God, de Heer, heeft dat besloten!’’

Gods zwaard ligt al klaar

13De Heer zei tegen mij: 14-15‘Mensenkind, waarschuw de Israëlieten en zeg tegen hen: ‘Dit zegt God, de Heer: Mijn zwaard ligt al klaar. Het is scherp gemaakt, en het zal schitteren en flitsen als de bliksem. Mijn zwaard zal mensen doden!

Denk maar niet dat jullie tegen dat zwaard beschermd zullen worden. Nee, mijn zwaard zal iedereen doden.

16Het zwaard is al scherp gemaakt. Moordenaars zullen het grijpen!’’

Het volk wordt gestraft

17De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, huil van ellende en schreeuw het uit van paniek! Want dat zwaard is gericht tegen mijn volk en tegen de leiders van mijn volk. Zij zullen door het zwaard neergestoken worden. 18Niemand kan hen beschermen.

Zo zal ik mijn volk straffen. Dat heb ik, de Heer, besloten.’

Het zwaard zal veel mensen doden

19De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, waarschuw de Israëlieten. Zwaai met je vuisten van woede, en zwaai met je zwaard door de lucht. Zo laat je zien dat mijn zwaard heel veel mensen zal doden. Zij zullen door het zwaard neergestoken worden. 20Als dat gebeurt, zal iedereen in paniek raken en de moed verliezen. In alle steden zullen mensen liggen die door het zwaard gedood zijn.

Het zwaard is scherp gemaakt, het ligt klaar om mensen te doden. Het zal schitteren en flitsen als de bliksem. 21Het slaat om zich heen, naar rechts en naar links. Het wordt alle kanten op gestuurd.’

22Toen zei de Heer: ‘Ook ik zal met mijn vuisten zwaaien van woede. Pas als ik de mensen gestraft heb, zal mijn woede voorbijgaan. Dat heb ik, de Heer, besloten!’

Jeruzalem zal aangevallen worden

23De Heer gaf mij opnieuw een opdracht. Hij zei: 24-25‘Mensenkind, maak een tekening van een weg. Dat is de weg die de koning van Babylonië zal volgen als hij met zijn leger aanvalt. Die weg moet zich in twee wegen splitsen. De ene weg gaat naar Rabba, de hoofdstad van de Ammonieten. De andere weg gaat naar Jeruzalem, die stad in Juda die zulke sterke muren heeft.

Op de plaats waar de twee wegen uit elkaar gaan, moet je een open plek tekenen. 26Op die plek blijft de koning van Babylonië stilstaan. Hij vraagt daar zijn goden om een teken. Want hij moet kiezen welke van de twee wegen hij zal nemen. 27Hij krijgt een teken, en daaruit blijkt dat hij naar Jeruzalem moet gaan. Die stad moet hij omsingelen en veroveren. Daar moet hij vechten.

28De inwoners van Jeruzalem zullen niet geloven dat de koning van Babylonië hun stad echt zal aanvallen. Ze denken dat die koning hun geen kwaad zal doen. Want ze hebben hem beloofd dat ze hem voor altijd trouw zullen zijn. Maar ze zullen door de koning van Babylonië gevangen worden genomen. En dan zullen ze zich weer herinneren dat ze hem ontrouw zijn geworden.

De Heer gaat Jeruzalem straffen

29Dit zeg ik, de Heer, tegen de inwoners van Jeruzalem: ‘Jullie hebben laten zien hoe slecht jullie zijn. Iedereen heeft jullie misdaden gezien. Daarom zullen jullie door je vijanden gevangen worden genomen.’

30En tegen de koning van Juda zeg ik: ‘Jij slechte koning! Een misdadiger, dat ben je! Je zult voor je misdaden gestraft worden. Al heel snel! 31Haal die kroon maar alvast van je hoofd. Want alles wordt anders! Machtige mensen zullen hun macht verliezen, maar zwakke mensen zullen juist macht krijgen.’

32Ik heb iemand uitgekozen die Jeruzalem zal straffen. Als hij komt, zal de hele stad verwoest worden.’

Het zwaard zal de Ammonieten doden

33De Heer zei verder tegen mij: ‘Mensenkind, de Ammonieten lachen om de ellende van de Israëlieten. Daarom moet je namens mij tegen hen zeggen: ‘Er ligt een zwaard klaar om jullie te doden! Het is zo scherp gemaakt dat het alles kan vernietigen. Dat zwaard zal schitteren en flitsen als de bliksem!

34Want jullie vertellen leugens. En alles wat jullie voorspellen, is bedrog. Jullie zijn misdadigers! Maar het zwaard zal een einde aan jullie leven maken. Zo zullen jullie worden gestraft. Al heel snel!’

De Heer zal de Babyloniërs straffen

35Binnenkort zal ik, de Heer, het zwaard neerleggen. Maar eerst zal ik Babylonië, het land waar het zwaard gemaakt is, straffen. 36Want ik ben woedend op de Babyloniërs, en ik zal hun mijn woede laten voelen! Mijn woede zal over hen heen razen als een vuur.

Ik zal hen uitleveren aan wrede volken. Aan mensen die er goed in zijn om anderen te vernietigen. 37Heel Babylonië zal door vuur verwoest worden. Overal zal bloed stromen. En uiteindelijk zullen de Babyloniërs door iedereen vergeten worden. Dat heb ik, de Heer, besloten.’

22

Jeruzalem wordt veroordeeld

De mensen in Jeruzalem zijn schuldig

221De Heer zei tegen mij: 2‘Mensenkind, de stad Jeruzalem is vol geweld. Vertel de mensen hoe afschuwelijk ze zich gedragen, en veroordeel hen! 3-4Zeg namens mij: ‘Luister, inwoners van Jeruzalem! Jullie zijn schuldig, omdat jullie mensen vermoorden. En jullie zijn onrein, omdat jullie afgodsbeelden maken. Daarom is jullie einde gekomen!

Alle andere volken zullen met jullie spotten. 5Mensen uit landen ver weg en dichtbij zullen jullie uitlachen. Want Jeruzalem is vol onrecht, en niemand houdt zich aan de regels.

In Jeruzalem worden misdaden gepleegd

6Kijk eens wat er in Jeruzalem gebeurt! De leiders van de stad maken misbruik van hun macht en plegen moorden. 7Kinderen hebben geen respect meer voor hun ouders. Vreemdelingen worden slecht behandeld. Weduwen en kinderen zonder vader worden onderdrukt. 8De mensen hebben geen eerbied voor heilige dingen, en ze houden zich niet aan de regels voor de sabbat.

9Er zijn mensen in de stad die anderen vals beschuldigen. Ze zorgen ervoor dat die de doodstraf krijgen. Anderen doen mee aan maaltijden ter ere van de afgoden.

Ook zijn er mensen die verboden seks hebben. 10Ze gaan naar bed met de vrouw van hun vader. Of ze dwingen een vrouw die ongesteld is, om met hen naar bed te gaan. 11Weer anderen gaan vreemd, of verleiden hun schoondochter om seks met hen te hebben. Er zijn zelfs mannen die hun eigen zus verkrachten.

12Sommige mensen laten zich betalen om een moord te plegen. Anderen vragen een hoge rente als ze geld uitlenen. Ze worden rijk door te stelen. En aan mij, de Heer, denken ze niet meer.

De Heer zal Jeruzalem straffen

13Inwoners van Jeruzalem, ik zwaai met mijn vuisten van woede! Want jullie stelen en plegen moorden. 14De dag komt dat ik jullie zal straffen. Dan zullen jullie alle moed verliezen. Jullie handen zullen trillen van angst. Ik, de Heer, heb al die dingen besloten. En wat ik besloten heb, laat ik ook gebeuren.

15Ik zal een einde maken aan jullie misdaden. Want ik zal jullie wegjagen naar verre landen. Daar zullen jullie bij onbekende volken wonen. 16Alle volken zullen zien dat jullie niet langer mijn heilige volk zijn.

Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.’’

De Heer zal straffen met vuur

17De Heer zei tegen mij: 18‘Luister, mensenkind. Als een smid zilver, ijzer of een ander metaal zuiver maakt in een oven, blijft er afval over. Dat afval is waardeloos. Het volk van Israël lijkt op dat afval: het is waardeloos!

19-22Zeg daarom namens mij tegen de Israëlieten: ‘Jullie zijn waardeloos! Daarom zal ik, de Heer, met jullie hetzelfde doen als wat een smid doet met metaal. Een smid verzamelt allerlei soorten metaal en doet ze in de oven. Dan steekt hij het vuur aan, zodat het metaal smelt.

Op dezelfde manier zal ik jullie verzamelen in Jeruzalem. Daar zal ik mijn woede over jullie heen laten razen als een vuur. Jeruzalem zal worden als een hete oven, zo heet als een oven waarin zilver gesmolten wordt. Dan zal iedereen verbranden. Dan zullen jullie weten dat ik woedend ben op jullie, en dat ik jullie daarom straf.’’

Het hele volk pleegt misdaden

23De Heer zei tegen mij: 24‘Mensenkind, zeg tegen de inwoners van Israël dat hun land onrein is, en vol onrecht. Ik ben zo boos op de Israëlieten, dat ik geen regen meer laat vallen in hun land.

25De koningen van Israël lijken op brullende leeuwen. Ze grijpen mensen en doden hen, net zoals een leeuw een dier grijpt en het doodt. Ze beroven mensen van hun kostbare spullen. Ze doden de mannen, en laten de vrouwen als weduwen achter.

26De priesters van Israël houden zich niet aan mijn wetten. Ze hebben geen enkele eerbied voor heilige dingen. Ze maken geen verschil tussen wat heilig is en wat niet. En ze leggen niet meer uit aan het volk wat rein is en wat niet. Ook houden ze zich niet aan de regels voor de sabbat. Zo zorgen ze ervoor dat ik niet meer vereerd kan worden in Israël.

27De leiders van het volk plegen moorden. Ze doden mensen om er geld mee te verdienen. Ze lijken op wolven die een dier grijpen en aan stukken scheuren.

28De profeten van Israël zijn net als mensen die een laag kalk smeren op een zwakke muur. Want ze zeggen tegen het volk dat alles goed gaat, ook al gaat het helemaal niet goed. Ze vertellen leugens aan de mensen, en bedriegen hen. Ze beweren dat ze namens mij spreken. Maar ik heb nooit tegen hen gesproken.

29De mensen van het volk bedriegen en beroven elkaar. Ze onderdrukken arme en machteloze mensen. En ze behandelen vreemdelingen op een oneerlijke manier.

Niemand kan het volk beschermen

30Ik heb bij de Israëlieten gezocht naar iemand die het volk kon verdedigen. Naar iemand die de stad kon beschermen tegen mijn straf. Dan zou de stad niet vernietigd worden. Maar ik heb zo iemand niet kunnen vinden.

31Daarom houd ik mijn woede niet langer tegen. Ik laat mijn boosheid over mijn volk heen razen als een vuur. Zo maak ik een einde aan mijn volk. Ik straf de Israëlieten voor hun misdaden.’

23

Een verhaal over twee zussen

231De Heer zei tegen mij: 2-4‘Mensenkind, er waren eens twee zussen. De oudste zus heette Ohola, en de jongste Oholiba. Ohola stelt de stad Samaria voor. En Oholiba stelt Jeruzalem voor.

Toen de zussen nog jong waren, woonden ze in Egypte. Daar leefden ze als hoeren. Ze lieten hun borsten strelen door allerlei mannen.

Ohola wordt ontrouw aan de Heer

Later trouwde ik, de Heer, met allebei de zussen, en ze kregen allebei kinderen met mij. 5-6Maar Ohola liet mij in de steek. Want ze verlangde naar andere mannen. Die kwamen uit Assyrië. Het waren bestuurders, officieren met prachtige uniformen, en soldaten die op wagens reden. Het waren allemaal knappe, jonge mannen 7met belangrijke functies. Met al die mannen ging Ohola vreemd. Ze verlangde zo naar hen, dat ze zelfs hun goden ging vereren.

8En Ohola ging ook weer vreemd met mannen uit Egypte. Met hen was ze al naar bed geweest toen ze nog jong was. Die mannen hadden haar toen al als hoer gebruikt en haar borsten gestreeld.

De Assyriërs doden Ohola

9Omdat Ohola mij in de steek liet, leverde ik haar uit aan de Assyriërs, die mannen naar wie ze zo verlangd had. 10Die trokken al haar kleren uit, en doodden haar met hun zwaard. Haar kinderen namen ze gevangen.

Zo werd Ohola gestraft voor haar slechte gedrag. Haar straf was een waarschuwing voor alle vrouwen.

Oholiba laat Babyloniërs komen

11Oholiba zag wat er met haar zus gebeurde. Maar toch ging ze zich nog slechter gedragen dan zij. Ze ging nog vaker vreemd dan haar zus. 12Net als Ohola verlangde ze naar mannen uit Assyrië. Naar bestuurders, officieren met prachtige uniformen, en soldaten die op wagens reden. Allemaal knappe, jonge mannen.

13Ik, de Heer, zag hoe Oholiba zichzelf onrein maakte, net als haar zus. 14-15Maar Oholiba ging nog veel ergere dingen doen. Want op een dag zag ze tekeningen van Babylonische mannen. Die waren met rode verf op een muur gemaakt. De mannen zagen eruit als hoge officieren, met een riem om hun middel en een tulband op hun hoofd.

16Toen Oholiba die mannen zag, begon ze erg naar hen te verlangen. Daarom stuurde ze boodschappers naar Babylonië om hen op te halen. 17De Babylonische mannen kwamen naar haar toe om met haar naar bed te gaan. Ze gebruikten haar als hoer, zodat ze onrein werd. Daarna kreeg ze een hekel aan die mannen.

Oholiba verlangt terug naar Egypte

18Oholiba schaamde zich er niet voor dat ze vreemdging. Iedereen mocht zien dat ze als een hoer leefde. Daarom kreeg ik, de Heer, een hekel aan haar. Net zoals ik een hekel had gekregen aan haar zus.

19Toch hield Oholiba niet op met haar ontrouw. Ze ging zich steeds meer als een hoer gedragen. Ze dacht weer terug aan vroeger, toen ze een hoer was in Egypte. 20-21Toen ze nog jong was, en de mannen haar borsten streelden. Ze verlangde terug naar die tijd. En ze verlangde naar de mannen die ze toen had gehad, mannen die alleen maar aan seks dachten. Daarom ging Oholiba zich weer net zo gedragen als vroeger in Egypte.

Oholiba wordt gestraft

22Omdat Oholiba zich als een hoer gedragen heeft, zeg ik, de Heer, tegen haar: ‘Luister, Oholiba. Je bent met allerlei mannen naar bed geweest. Daarna ben je hen gaan haten. Nu stuur ik diezelfde mannen naar jou toe om je te straffen. Van alle kanten komen ze eraan, 23uit Babylonië, Pekod, Soa, Koa en Assyrië. Het zijn allemaal knappe, jonge mannen met hoge functies: bestuurders, soldaten en andere belangrijke personen. Ze komen naar je toe op hun paarden. 24Ze vallen je aan met een groot leger, met paarden en wagens. Gewapende soldaten komen van alle kanten op je af. Ze zullen over je rechtspreken, en je straffen volgens hun eigen wetten.

25-26Ze zullen woedend op je zijn. Ze zullen je neus en je oren afsnijden, en je neerslaan met hun zwaard. Ze zullen je kleren uittrekken en al je prachtige sieraden afpakken. Je kinderen zullen ze gevangennemen. En al je bezittingen zullen ze verbranden.

Zo zal ik je straffen. 27Ik zal een einde maken aan je schandelijke gedrag. Je zult ophouden met de ontrouw waarmee je in Egypte begonnen bent. Je zult niet meer verlangen naar andere mannen, en je zult niet meer terugdenken aan de tijd in Egypte.

Iedereen ziet dat Oholiba een hoer is

28Luister, Oholiba. Dit is wat ik, de Heer, tegen je zeg: Ik zal je uitleveren aan de mannen die jij haat. 29Zij haten jou ook. Daarom zullen ze al je bezit afpakken en je naakt achterlaten. Dan zal iedereen kunnen zien dat jij als een hoer geleefd hebt. Iedereen zal zien hoe schandelijk jij je gedragen hebt.

30Dat zal gebeuren omdat je mij in de steek gelaten hebt. Je bent vreemdgegaan met mannen uit andere volken, en je hebt hun goden vereerd. Zo heb jij jezelf onrein gemaakt.

Oholiba krijgt dezelfde straf als haar zus

31Jij hebt hetzelfde gedaan als je zus. Daarom zal het met jou net zo slecht aflopen als met haar. 32Ook jij zult gestraft worden. De mensen zullen je uitlachen en je bespotten. 33En jij zult je ellendig en bedroefd voelen. Je zult wanhopig zijn en doodsbang, net als je zus. 34Want je zult net zo zwaar gestraft worden als zij. Je zult zo zwaar gestraft worden, dat je je eigen borsten zult openkrabben van ellende. Dat heb ik, de Heer, besloten.

35Je hebt mij in de steek gelaten, en je bent mij vergeten. Daarom zul je de gevolgen voelen van je ontrouw en je schandelijke gedrag.’’

Ohola en Oholiba worden veroordeeld

36De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, jij moet Ohola en Oholiba veroordelen. Je moet hun vertellen wat voor afschuwelijke dingen ze gedaan hebben. 37Want ze zijn vreemdgegaan en hebben moorden gepleegd. Ze hebben andere goden vereerd. En ze hebben hun kinderen aan die goden geofferd, kinderen die ze met mij gekregen hadden. 38-39Nadat ze hun kinderen geofferd hadden, zijn ze mijn tempel binnengegaan. Ze hebben mijn huis onrein gemaakt! En ze hebben zich niet gehouden aan de regels voor de sabbat.

40Bovendien stuurden ze boodschappers naar verre landen om daar mannen op te halen. Toen die mannen naar hen toe kwamen, hebben de twee zussen zich mooi gemaakt voor hen. Ze namen een bad, maakten hun ogen op en deden sieraden om. 41Daarna gingen ze op een prachtig bed liggen. Naast dat bed hadden ze de wierook en de geurige olie neergezet die ik hun zelf gegeven had.

42In hun huis klonk altijd het lawaai van mannen die feest aan het vieren waren. Er waren mannen uit Saba bij, die uit de woestijn waren gekomen. Die gaven de twee zussen armbanden, en zetten hun een prachtige kroon op het hoofd.

43Ik dacht bij mezelf: Die mannen gaan vreemd met twee vrouwen die al met iedereen naar bed geweest zijn! 44Want Ohola en Oholiba gedroegen zich als hoeren. De mannen gingen net zo vaak met hen naar bed als ze wilden.

Een waarschuwing voor andere vrouwen

45Op een dag zullen eerlijke rechters over de twee zussen rechtspreken. Zij zullen hen straffen voor ontrouw en moord. Want daar zijn de twee zussen schuldig aan.

46Dit zal hun straf zijn: Een grote groep mensen zal op hen afkomen. Die mensen zullen alles van hen afpakken en hen doodsbang maken. 47Ze zullen stenen naar hen gooien en hen neerslaan met hun zwaard. Ze zullen hun kinderen doden en hun huizen in brand steken.

48Dat zal een waarschuwing zijn voor andere vrouwen, zodat zij het voorbeeld van Ohola en Oholiba niet volgen. Zo zal ik ervoor zorgen dat niemand in dit land zich meer als een hoer zal gedragen.

49Luister, Ohola en Oholiba! Jullie hebben geleefd als hoeren, en jullie hebben andere goden vereerd. Daarom worden jullie door mij gestraft. Dan zullen jullie eindelijk begrijpen dat ik de Heer ben.’