Bijbel in Gewone Taal (BGT)
16

Jeruzalem lijkt op een ontrouwe vrouw

Jeruzalem is ontrouw aan de Heer

161De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2-3‘Mensenkind, de inwoners van Jeruzalem zijn andere goden gaan dienen. Ze zijn mij ontrouw geworden. Vertel hun maar hoe verschrikkelijk dat is.

Een kind waar niemand voor zorgt

Vergelijk Jeruzalem maar eens met een vrouw. Die vrouw werd geboren in het land Kanaän. Haar vader kwam uit het land van de Amorieten, en haar moeder uit het land van de Hethieten.

4Toen ze net geboren was, wilde niemand voor haar zorgen. Er was niemand die de navelstreng van het meisje doorsneed, en niemand die haar waste en in doeken wikkelde. 5Niemand zorgde voor het kind. Niemand had medelijden met haar.

Op de dag van haar geboorte lieten haar ouders haar achter in een veld. Want ze wilden het kind niet houden.

De Heer redt het kind

6Toen kwam ik, de Heer, daar voorbij. Ik zag het kind liggen, helemaal onder het bloed. En ik zei tegen het kind: ‘Ik zal ervoor zorgen dat je in leven blijft. Nu zit je nog onder het bloed. 7Maar je zult groeien en mooi worden, net zoals een bloem in het veld.’

Het kind wordt volwassen

Het kind groeide op en werd volwassen. Het werd een prachtige jonge vrouw. Ze kreeg mooie borsten, en haar haar groeide. Maar ze was nog steeds helemaal naakt.

8Weer kwam ik voorbij. Ik zag dat het meisje volwassen geworden was. Ze was oud genoeg om te trouwen. Toen deed ik mijn mantel om haar heen, zodat ze niet meer naakt was. En ik beloofde haar dat ik haar voor altijd trouw zou zijn. Zo werd ze mijn vrouw.

De Heer maakt de vrouw mooi

9Ik waste het bloed van haar lichaam af, en smeerde haar huid in met olie. 10Ik gaf haar prachtige kleren, leren sandalen, een witte sluier en een mantel van kostbare stof. 11Ik gaf haar ook sieraden: armbanden, een ketting, 12een neusringetje en oorbellen. En ik zette een prachtige kroon op haar hoofd. 13Ze zag er schitterend uit met haar gouden en zilveren sieraden, en met haar mooie kleren van kostbare stoffen.

Ik gaf haar ook heerlijk eten: koeken van fijn meel, honing en olijfolie.

De vrouw werd mooier en mooier. Ze werd net zo mooi als een koningin. 14Over de hele wereld was ze beroemd om haar schoonheid. Ik, de Heer, had haar zo mooi gemaakt.

De vrouw gedraagt zich als een hoer

15Maar omdat de vrouw zo mooi en beroemd was, werd ze trots. Ze wist dat ze elke man kon krijgen die ze wilde. Ze ging zich gedragen als een hoer, en sliep met iedere man die ze tegenkwam.

16Ze legde haar prachtige kleren op een bed, en daarop sliep ze met die mannen. Zoiets was nooit eerder gebeurd, en zal ook nooit meer gebeuren!

De vrouw maakt afgodsbeelden

17De vrouw liet de prachtige zilveren en gouden sieraden die ik haar gegeven had, smelten. Ze maakte er afgodsbeelden van, en vereerde die. En aan mij dacht ze niet meer! 18Ze kleedde de beelden aan met haar prachtige kleren. En ze offerde mijn olie en mijn wierook aan hen. 19En ook het eten dat ik haar gegeven had, de koeken van fijn meel, olijfolie en honing, offerde ze aan de beelden. Het offer rook heerlijk. Zo wilde ze de goden een plezier doen.

20-21Zelfs de kinderen die ze met mij gekregen had, offerde ze aan die goden. Ze slachtte mijn kinderen om hen aan de goden te offeren! Ze dacht zeker dat haar ontrouw nog niet erg genoeg was.

22Het was afschuwelijk wat ze deed. Ze had mij verlaten, en leefde als een hoer. Ze dacht er geen ogenblik meer aan dat ik haar vroeger gered had. Dat ik voor haar gezorgd had, toen ze als baby achtergelaten was, helemaal naakt en onder het bloed.

Het wordt steeds erger

23-25Het zal slecht aflopen met die vrouw! Want nadat ze al die verschrikkelijke dingen gedaan had, werd het nog veel erger. Overal waar ze kwam, ging ze met mannen naar bed. Op elk plein en op de hoek van elke straat. Ze maakte misbruik van haar schoonheid, en probeerde iedereen die voorbijkwam, te verleiden.

26Ze sliep ook met haar buren, de Egyptenaren. Dat waren mannen die alleen maar aan seks dachten.

De Heer straft de vrouw

De vrouw ging zich steeds meer als een hoer gedragen. Ik voelde me diep beledigd door haar. 27Daarom besloot ik haar te straffen. Ik pakte de spullen af die ik haar gegeven had. En ik leverde haar uit aan haar vijanden, de Filistijnse vrouwen. Die mochten met haar doen wat ze wilden. Maar zelfs zij schaamden zich voor haar schandelijke gedrag.

De vrouw gaat naar andere volken

28De vrouw ging ook naar bed met de Assyriërs. Maar daarna had ze er nog steeds geen genoeg van. 29Daarom sliep ze ook nog met de Babyloniërs, die handelaars. Maar zelfs dat was niet genoeg. 30Ze liet zich helemaal gaan en schaamde zich nergens voor.

De vrouw betaalt mannen voor seks

31De vrouw ging overal met mannen naar bed, op elk plein en op de hoek van elke straat. Maar toch was ze anders dan andere hoeren. Want ze wilde niet dat de mannen haar betaalden. 32Ze liet haar eigen man in de steek en ging naar bed met vreemde mannen. 33Maar terwijl andere hoeren betaald worden, wilde zij er niets voor hebben. Nee, zij betaalde juist de mannen! Want ze wilde dat die overal vandaan naar haar toe zouden komen.

34Het ging bij haar dus precies andersom als bij andere hoeren. De mannen liepen niet achter haar aan, maar zij liep achter de mannen aan. En de mannen betaalden haar niet, maar zij betaalde de mannen.

De Heer is woedend

35Daarom is dit mijn boodschap: ‘Luister naar mij, hoer! 36Je verlangde naar seks met allerlei mannen. Je kleedde je voor hen uit, en ging met hen naar bed. Je vereerde die afschuwelijke afgoden, en offerde je eigen kinderen aan hen.

37-38Daarom zal ik je straffen! Ik zal je net zo streng straffen als andere vrouwen die vreemdgegaan zijn of die een moord gepleegd hebben. Je zult zo hard geslagen worden, dat je onder het bloed komt te zitten. Want ik ben woedend op jou!

De vrouw wordt gestraft

Dit ga ik doen: Ik ga alle mannen met wie jij geslapen hebt, bij elkaar roepen. De mannen van wie je hield, maar ook de mannen die je haatte. Zij zullen in een kring om je heen gaan staan. Dan zal ik jou voor hun ogen uitkleden, zodat je helemaal naakt voor hen zult staan.

39Die mannen mogen met je doen wat ze willen. Ze zullen de plaatsen afbreken waar je met hen geslapen hebt. Ze zullen je kleren van je lijf trekken, en al je mooie spullen van je afpakken. Daarna zullen ze je naakt achterlaten.

40Dan zullen ze een heleboel mensen bij elkaar roepen. Die zullen stenen naar je gooien en je neerslaan met hun zwaarden. 41Daarna steken ze je huizen in brand. Zo zullen ze je straffen, terwijl andere vrouwen toekijken.

De Heer zal niet meer kwaad zijn

Zo komt er een einde aan je afschuwelijke gedrag. Je zult je niet meer als een hoer gedragen. En je zult geen mannen meer betalen om met je naar bed te gaan.

42Als ik je genoeg gestraft heb, zal ik weer rustig worden. Dan zal ik niet meer jaloers zijn, en niet meer kwaad op je zijn.

43Maar eerst zal ik je straffen voor je afschuwelijke gedrag. Want je hebt er geen ogenblik meer aan gedacht dat ik je vroeger gered heb. En je had geen enkele eerbied voor mij toen je al die vreselijke dingen deed. Je hebt je schandelijk en afschuwelijk gedragen!

De vrouw is slechter dan haar zussen

44De mensen zeggen over jou: ‘De dochter lijkt precies op haar moeder!’ 45Want ook je moeder haatte haar man en haar kinderen. En je lijkt ook op je zussen. Want ook zij haatten hun man en hun kinderen.

Jullie moeder komt uit het land van de Hethieten, en jullie vader uit het land van de Amorieten. 46Je oudste zus, Samaria, woonde met haar dochters in het noorden. En je jongste zus, Sodom, woonde met haar dochters in het zuiden.

47Je zussen gedroegen zich vreselijk. En jij was al net zo erg. Maar al snel werd je nog veel erger dan zij. 48Het is bijna niet te geloven, maar jij en je dochters gingen zich nog slechter gedragen dan je zus Sodom en haar dochters!

49Sodom en haar dochters waren trots en verwend. Ze leefden zonder zorgen, en hadden meer dan genoeg te eten. Maar ze deden helemaal niets om arme en zwakke mensen te helpen. 50Ze dachten dat ze zelf belangrijker waren dan anderen. Ze deden dingen die ik verschrikkelijk vond. Toen ik dat merkte, heb ik hen weggejaagd.

51Maar jij bent nog veel erger dan je zussen! Vergeleken met jouw afschuwelijke gedrag valt hun gedrag wel mee. 52Je moet je schamen! Jouw misdaden zijn zo groot, dat die van je zussen klein lijken. Schaam je diep!

Het zal weer goed gaan met de vrouw

53Toch zal ik ervoor zorgen dat het weer goed gaat met Sodom en haar dochters, en met Samaria en haar dochters. En daarna zal ik ervoor zorgen dat het ook weer goed gaat met jou.

54Dan zul jij je schamen voor alles wat je gedaan hebt. Je zult je vernederd voelen. En dat zal Sodom en Samaria troosten.

55Met Sodom en Samaria en hun dochters zal het weer net zo goed gaan als vroeger. En ook met jou en je dochters zal het weer goed gaan.

Andere mensen spotten met de vrouw

56Vroeger roddelde jij over Sodom. Je was trots, je dacht dat je beter was dan zij. 57De mensen wisten toen nog niet hoe slecht jij zelf eigenlijk was.

Maar nu roddelen de andere vrouwen over jou: de vrouwen uit Aram en de landen daaromheen, en ook de Filistijnse vrouwen die naast je wonen. Ze spotten allemaal met jou. 58En dat is je eigen schuld! Want je hebt je schandelijk en afschuwelijk gedragen.

De Heer doet een nieuwe belofte

59Luister, Jeruzalem! Je krijgt je verdiende loon! Want je bent mij ontrouw geworden. We hadden beloofd dat we elkaar voor altijd trouw zouden zijn. Maar jij hebt je niet aan die belofte gehouden.

60Toch zal ik de belofte die we elkaar vroeger gedaan hebben, niet vergeten. Ik zal opnieuw een belofte aan je doen. Je mag weer bij me terugkomen, en dan zullen we voor altijd bij elkaar horen.

61Je oudste en je jongste zus zullen weer bij je terugkomen. En jij zult de baas over hen zijn, ook al heb je dat niet verdiend. Je zult terugdenken aan wat je vroeger gedaan hebt, en je zult je er diep voor schamen.

62Als ik die nieuwe belofte aan je gedaan heb, zul je begrijpen dat ik de Heer ben. 63Dan zul je terugdenken aan al je misdaden. En je zult je daar zo voor schamen, dat je niets meer durft te zeggen. Maar ik zal je alles vergeven wat je gedaan hebt. Dat heb ik, de Heer, besloten.’’

17

Een verhaal over twee adelaars

171-2De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: ‘Mensenkind, vertel de Israëlieten namens mij het volgende verhaal.

De adelaar en de druivenplant

3-4Eens kwam er een grote adelaar naar de Libanon-bergen. Hij had grote, sterke vleugels en prachtige veren. Hij brak de bovenste tak van een cederboom af en bracht die naar een land waar veel handelaars wonen. In dat land was een stad die het centrum van de handel was. Daar legde de adelaar de tak neer.

5Daarna trok de adelaar een jonge druivenplant uit de grond. Hij zette die in een vruchtbare akker, op een plaats waar veel water was.

6De plant groeide en kreeg nieuwe takken. Aan die takken kwamen druiven. De druivenplant werd niet zo hoog, maar wel heel breed. Zijn takken groeiden omhoog in de richting van de adelaar, en zijn wortels stonden stevig in de aarde.

Er komt een andere adelaar

7Maar op een dag kwam er een andere adelaar. Ook die was groot, en had sterke vleugels en veel veren. Toen draaide de druivenplant zich met zijn wortels en takken naar die adelaar toe. Want hij wilde water krijgen van die adelaar. 8Hij wilde geen water meer van de grond waarin hij geplant was, ook al was die grond heel vruchtbaar. En ook al was daar genoeg water om goed te kunnen groeien, om vruchten te krijgen en om een prachtige druivenplant te worden.

De druivenplant zal verdorren

9Wat denken jullie, zal het goed aflopen met de druivenplant? Nee, zeker niet! Want die andere adelaar zal alle vruchten van de plant af halen, en de plant uit de grond trekken. Dat zal niet moeilijk voor hem zijn.

Dan zullen de bladeren van de druivenplant verdorren. 10En als de hete oostenwind gaat waaien, zal de plant verdrogen. Het zal slecht aflopen met de druivenplant!’

De eerste adelaar is de koning van Babylonië

11Toen zei de Heer tegen mij: 12‘Vraag aan dat ongehoorzame volk of ze begrijpen wat dat verhaal betekent. En vertel hun dan het volgende.

Op een dag kwam de koning van Babylonië naar Jeruzalem. Hij nam de koning en de leiders van Juda gevangen en bracht hen naar Babel. 13Daarna wees hij iemand anders uit de koninklijke familie in Juda aan als nieuwe koning. Hij sloot een verdrag met de nieuwe koning en liet hem plechtig trouw beloven.

Alle andere machtige mensen haalde hij weg uit Juda. 14Want hij wilde dat Juda een zwak koninkrijk zou zijn. Dan zouden de inwoners zich niet tegen hem gaan verzetten. Ze zouden zich houden aan het verdrag met de koning van Babylonië. En dan zou Juda als koninkrijk mogen blijven bestaan.

De tweede adelaar is de koning van Egypte

15Maar de nieuwe koning van Juda hield zich niet aan het verdrag met de koning van Babylonië. Hij kwam tegen hem in opstand, en stuurde boodschappers naar Egypte. Want hij hoopte dat de Egyptenaren hem soldaten en paarden zouden sturen om hem te helpen.

De ene koning zal de andere doden

Zal het goed aflopen met die koning die zich niet aan het verdrag hield? Zal hij kunnen ontsnappen aan zijn straf? 16Nee, zeker niet! De koning van Juda zal gedood worden. Hij zal sterven in Babel. Want hij heeft zich niet gehouden aan het verdrag met de koning van Babylonië, ook al had die hem koning van Juda gemaakt.

17Daarna zal de koning van Babylonië Jeruzalem aanvallen en veel van de inwoners doden. En de koning van Egypte zal niet met zijn machtige leger naar Jeruzalem komen om de inwoners te helpen.

18De koning van Juda heeft zich niet aan zijn belofte gehouden. Hij heeft zich niet gehouden aan het verdrag met de koning van Babylonië. Hij had die koning trouw beloofd, maar hij is toch tegen hem in opstand gekomen. Daarom zal hij zeker gestraft worden!

God zal de koning van Juda straffen

19Dit is wat ik, de Heer, besloten heb: Ik zal de koning van Juda straffen! Dat is zo zeker als ik leef! Want hij heeft zich ook niet gehouden aan de belofte die hij aan mij gedaan had.

20Daarom zal ik hem gevangennemen en naar Babel brengen. Daar zal ik hem veroordelen, omdat hij mij ontrouw geworden is. 21Alle soldaten uit zijn leger die proberen te vluchten, zullen worden gedood. En de soldaten die overblijven, zullen alle kanten op gejaagd worden.

Dan zullen jullie begrijpen dat ik, de Heer, doe wat ik gezegd heb.

God zal voor een nieuwe koning zorgen

22-23Luister naar wat ik, de Heer, zeg: Ikzelf zal een jonge tak afbreken van de top van de hoge cederboom. En ik zal die planten op een hoge berg, de hoogste berg van Israël. Uit dat takje zal een prachtige cederboom groeien. Die boom zal heel veel takken krijgen en er zullen vruchten aan groeien. Vogels zullen hun nesten maken in die boom.

24Alle bomen in het veld zullen zien wat ik doe: Ik laat kleine takjes uitgroeien tot hoge bomen. Maar hoge bomen haal ik juist omlaag. Verdorde bomen laat ik weer bloeien. Maar groene bomen maak ik juist dor.

Dat is mijn besluit. En wat ik besloten heb, zal ik ook doen.’

18

God oordeelt eerlijk

God beslist over het leven van alle mensen

181De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2‘Jullie zeggen in Israël: ‘Kinderen worden gestraft voor de fouten van hun ouders.’ Waarom zeggen jullie dat toch? 3Jullie moeten daarmee ophouden. 4Want ik beslis over het leven van alle mensen: over het leven van de ouders, en ook over het leven van de kinderen. En alleen de mensen die zondigen, zullen sterven.

Goede mensen zullen in leven blijven

5Stel dat iemand een goed mens is. Hij leeft op een goede en eerlijke manier. 6Hij vereert geen afgoden, en doet niet mee aan feesten ter ere van die afgoden. Hij slaapt niet met de vrouw van een ander, of met een vrouw die ongesteld is.

7-8Arme mensen onderdrukt hij niet, en hij steelt nooit. Hij vraagt geen rente als hij geld uitleent. En als anderen hem iets geven als bewijs dat ze het geleende geld zullen terugbetalen, dan geeft hij dat altijd terug.

Hij geeft eten aan mensen die honger hebben, en kleren aan mensen die naakt zijn. Hij doet geen onrecht. En als er ruzie is tussen twee personen, geeft hij altijd een eerlijk oordeel. 9Hij houdt zich aan mijn wetten, en leeft volgens mijn regels.

Zo iemand is goed en eerlijk. Zo iemand zal zeker in leven blijven.

Slechte mensen zullen sterven

10-11Maar stel dat die man een slechte zoon krijgt. Die zoon doet allerlei dingen die zijn vader nooit gedaan heeft. Hij pleegt geweld en vermoordt mensen. Hij doet mee aan feesten ter ere van de afgoden, en hij slaapt met de vrouw van een ander.

12-13Hij steelt, en hij onderdrukt arme en machteloze mensen. Hij vraagt rente als hij geld uitleent. En als anderen hem iets kostbaars geven als bewijs dat ze hem terug zullen betalen, dan geeft hij dat niet terug. Hij vereert afgoden en pleegt de meest afschuwelijke misdaden.

Zal zo iemand in leven blijven? Nee, zeker niet! Iemand die zulke vreselijke dingen doet, zal zeker sterven. Hij zal gestraft worden voor zijn eigen misdaden.

Een kind wordt niet gestraft voor de fouten van zijn vader

14Stel dat die slechte man een zoon krijgt. Die zoon ziet alle fouten van zijn vader, maar wil niet zo leven als hij. 15Hij vereert de afgoden van de Israëlieten niet. Hij doet niet mee aan feesten ter ere van die afgoden. En hij slaapt niet met de vrouw van een ander.

16-17Hij vraagt geen rente als hij geld uitleent. En anderen hoeven hem niets te geven als bewijs dat ze hem terug zullen betalen. Hij doet arme mensen geen kwaad en onderdrukt niemand. Hij steelt nooit, maar geeft eten aan mensen die honger hebben, en kleren aan mensen die naakt zijn. Hij houdt zich aan mijn wetten, en leeft volgens mijn regels.

Zo iemand zal zeker in leven blijven. Hij hoeft niet te sterven voor de fouten van zijn vader. 18Alleen zijn vader zal sterven, want alleen die is schuldig. Zijn vader heeft gestolen, arme mensen onderdrukt, en mensen van zijn volk slecht behandeld.

Iedereen wordt zelf beoordeeld

19Jullie vragen: ‘Waarom wordt de zoon niet gestraft voor de fouten van zijn vader?’ Omdat de zoon altijd eerlijk geleefd heeft, en omdat hij zich steeds aan mijn regels gehouden heeft. Daarom zal hij in leven blijven.

20Mensen die zondigen, zullen sterven. Maar kinderen worden niet gestraft voor de fouten van hun ouders. En ouders worden ook niet gestraft voor de fouten van hun kinderen. Als iemand misdaden pleegt, wordt alleen hijzelf daarvoor gestraft. En als iemand goed en eerlijk is, wordt alleen hijzelf daarvoor beloond.

Wie spijt krijgt, blijft leven

21Stel dat iemand verkeerde dingen doet. Maar hij krijgt spijt, en stopt met zijn verkeerde gedrag. Hij gaat zich aan mijn regels houden en zich goed en eerlijk gedragen. Dan zal hij zeker in leven blijven. Hij hoeft niet te sterven. 22Al zijn misdaden zullen hem vergeven worden. Hij mag in leven blijven omdat hij nu goede dingen doet.

23Of denken jullie soms dat ik blij ben met de dood van een slecht mens? Nee, ik wil veel liever dat hij ophoudt met zijn verkeerde gedrag, zodat hij in leven blijft.

Wie zondigt, moet sterven

24Maar stel dat een goed mens ophoudt met goed te leven. Stel dat hij verschrikkelijke dingen gaat doen, en een misdadiger wordt. Dan zullen de goede dingen die hij vroeger gedaan heeft, hem niet redden van de straf. Hij zal sterven omdat hij nu zondigt en misdaden pleegt.

Wat de Heer doet, is eerlijk

25Jullie zeggen: ‘Wat de Heer doet, is oneerlijk!’ Maar luister eens, Israëlieten! Jullie zijn zelf oneerlijk!

26Als een goed mens ophoudt met goed te leven, en slechte dingen gaat doen, dan zal hij sterven. 27-28En als een slecht mens spijt krijgt van zijn misdaden, en zich goed gaat gedragen, dan zal hij blijven leven. Hij hoeft niet te sterven.

29Hoe durven jullie te zeggen dat ik oneerlijke dingen doe, Israëlieten! Jullie zijn zelf oneerlijk!

Ga op een goede manier leven

30Luister, Israëlieten. Ik zal ieder van jullie beoordelen op zijn eigen gedrag. Maak daarom een einde aan het kwaad dat jullie doen! Zorg ervoor dat jullie niet voor je fouten gestraft worden. 31Houd op met jullie misdaden. En begin een nieuw leven, zodat jullie niet hoeven te sterven. 32Want de dood van een mens maakt mij niet blij. Ga dus op een goede manier leven, zodat jullie in leven blijven!’