Bijbel in Gewone Taal (BGT)
9

Mannen komen de stad vernietigen

91Opeens hoorde ik de Heer roepen: ‘Kom tevoorschijn, jullie die de stad gaan straffen! En neem jullie wapens mee om de stad te vernietigen!’ 2Onmiddellijk kwamen er zes mannen tevoorschijn. Ze kwamen vanuit het noorden. Alle zes droegen ze dodelijke wapens. Er was ook een man bij die witte kleren aanhad. Hij had spullen bij zich om alles wat er zou gebeuren, op te schrijven.

De mannen gingen naast het bronzen altaar in de tempel staan.

Sommige mensen krijgen een teken

3Toen zag ik dat de God van Israël opstond van zijn troon, die gedragen werd door engelen. De Heer ging naar de ingang van de tempel, en riep de man in de witte kleren die schrijfspullen droeg. 4Hij zei tegen de man: ‘Loop door de stad Jeruzalem. Zet dan een teken op het voorhoofd van alle mensen die bedroefd zijn over het onrecht in de stad.’

5Tegen de vijf andere mannen zei hij: ‘Loop achter de man in de witte kleren aan. En dood iedereen in de stad die geen teken op zijn voorhoofd heeft. Jullie mogen geen medelijden met die mensen hebben, 6-7jullie moeten hen allemaal doden: ouderen, jongeren, vrouwen en kinderen. Maar als mensen wel een teken op hun voorhoofd hebben, mogen jullie hun geen kwaad doen.’

Mensen zonder het teken worden gedood

Toen zei de Heer tegen de zes mannen: ‘Begin bij de tempel. Dood iedereen op de pleinen van de tempel, zodat er overal dode lichamen liggen en de tempel onrein wordt. Ga daarna de stad in.’

De mannen deden direct wat de Heer gezegd had. Eerst doodden ze de leiders van de tempel. Daarna gingen ze de stad in. Ook daar doodden ze de mensen.

8Toen de mannen in de stad waren, bleef ik alleen achter in de tempel. Ik was wanhopig, en liet me neervallen op mijn knieën. Ik riep: ‘Ach, Heer, mijn God, gaat u nu die paar Israëlieten die over zijn, ook nog doden? Bent u dan zo woedend op de stad?’

9Toen zei de Heer tegen mij: ‘De schuld van Israël en Juda is heel groot. Het land is vol moordenaars, en de stad is vol onrecht. Want de mensen denken dat ik niet zie wat ze doen. Ze denken dat ik het land verlaten heb. 10Daarom zal ik hen straffen. Ik zal met niemand medelijden hebben. Nee, ik zal met hen doen wat zij zelf met anderen gedaan hebben.’

11Toen kwam de man die witte kleren aanhad, terug. Hij vertelde aan de Heer wat hij gedaan had. Hij zei: ‘Ik heb precies gedaan wat u gezegd hebt.’

10

De man in de witte kleren

101Ik keek naar de koepel boven de engelen. Daar zag ik iets dat leek op een troon van edelstenen. 2Toen hoorde ik dat de Heer iets zei tegen de man in de witte kleren. Hij zei: ‘Ga naar de engelen die onder de troon staan. Onder die engelen staan wielen, en daartussen liggen gloeiende kolen. Pak zo veel van die kolen als je kunt dragen. En strooi ze daarna uit over de stad.’

Ik zag dat de man naar de wielen ging. 3-4De engelen stonden op dat moment aan de zuidkant van de tempel.

De Heer komt naar de tempel

Toen zag ik dat een wolk de tempel vulde. Die wolk was een teken dat de Heer daar was. Want de Heer was opgestaan van zijn troon en de tempel binnengegaan. Ik zag ook dat het plein rondom de tempel vol was met het stralende licht van de Heer.

5Opeens hoorde ik het geluid van de vleugels van de engelen. Het was zelfs te horen op het buitenste plein van de tempel. Het klonk als de stem van de machtige God.

De man krijgt gloeiende kolen

6De man in de witte kleren, die gloeiende kolen moest halen, was intussen naar de wielen gegaan. 7-8Bij die wielen stonden de engelen. Onder hun vleugels zag ik iets dat leek op een hand.

Eén van de engelen pakte wat gloeiende kolen, en legde die in de handen van de man. De man nam ze aan, en ging toen weer weg.

De vier wielen

9-13Ik keek nog eens goed naar die wielen waarover ik de Heer had horen spreken. Het waren er vier. Naast iedere engel stond één wiel.

De wielen schitterden alsof ze gemaakt waren van edelstenen. Ze zagen er alle vier hetzelfde uit: midden door elk wiel heen zat een ander wiel. Daardoor konden de wielen alle kanten op, zonder om te keren. Ze hoefden alleen maar mee te gaan met het voorste wiel.

De wielen zaten vol met ogen, aan alle kanten. En ook op de engelen zaten overal ogen: op hun rug, op hun handen en op hun vleugels.

De vier engelen

14De engelen hadden elk vier gezichten: het gezicht van een engel, van een mens, van een leeuw en van een adelaar. 15-17Ze leken op de dieren met vleugels die ik bij het Kebar-kanaal gezien had.

Als de engelen zich bewogen, bewogen de wielen met hen mee. Ook als de engelen hun vleugels uitspreidden en omhooggingen, gingen de wielen met hen mee omhoog. En als de engelen weer stilstonden, stonden de wielen ook stil. Want de engelen en de wielen vormden één geheel.

De Heer verlaat de tempel

18Toen zag ik dat de Heer de tempel verliet. Om hem heen was een stralend licht. Hij ging naar zijn troon boven de engelen.

19Daarna zag ik dat de engelen hun vleugels uitspreidden en omhooggingen. De wielen bewogen met hen mee omhoog. De engelen gingen staan bij de poort aan de oostkant van de tempel. Op de troon boven de engelen zag ik de God van Israël, stralend en machtig.

Ezechiël herkent de engelen

20-22Ik herkende de engelen. Het waren de dieren met vleugels die ik bij het Kebar-kanaal gezien had, onder de troon van de God van Israël. Net als die dieren hadden de engelen elk vier gezichten en vier vleugels. En ook bij hen was onder hun vleugels iets te zien dat leek op een hand. Bovendien hadden de engelen dezelfde gezichten als de dieren bij het Kebar-kanaal. En net als zij gingen ze steeds recht vooruit.

11

De leiders zeggen dat de stad van hen is

111Daarna tilde de geest van God mij opnieuw op. Hij bracht me naar de oostelijke poort van de tempel. Bij die poort zag ik vijfentwintig mannen staan. Ik zag dat Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, daar ook bij waren. Zij waren leiders van het volk.

2De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, dat zijn mannen die kwade plannen bedenken en slechte raad geven aan de inwoners van Jeruzalem. 3Ze zeggen: ‘Het is niet nodig om nieuwe huizen te bouwen. Want er mogen geen andere mensen in deze stad komen wonen. De stad is alleen van ons!’

4Luister goed, mensenkind! Omdat die mannen zulke dingen zeggen, moet jij hen waarschuwen.’

De leiders hebben mensen vermoord

5Op dat moment kwam de geest van de Heer in mij. Hij gaf me de opdracht om tegen de leiders van Jeruzalem te zeggen: ‘Ik weet wel wat jullie zeggen. En ik weet wel wat jullie denken! 6Jullie hebben in deze stad heel veel mensen vermoord. Zo veel, dat de straten vol liggen met dode lichamen.

7Jullie zeggen dat Jeruzalem alleen van jullie is. Maar dat is niet zo! De stad is van de mensen die door jullie vermoord zijn! Jullie zullen uit Jeruzalem moeten vluchten. 8Want ik zal ervoor zorgen dat er oorlog komt in de stad. Dan zal gebeuren waar jullie zo bang voor zijn. Dat heb ik besloten!

De leiders zullen worden weggejaagd

9-10Ik zal jullie wegjagen uit de stad, en jullie zullen vluchten naar de grenzen van het land. Maar daar worden jullie gevangengenomen en gedood door vreemdelingen. Zo zal ik jullie straffen. Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.

11Jeruzalem zal niet meer van jullie zijn. Nee, jullie zullen vluchten naar de grenzen van het land. Maar ook daar zal ik jullie straffen. 12Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben. Ik heb wetten en regels gegeven, maar jullie wilden je daar niet aan houden. Jullie hielden je alleen maar aan de wetten van andere volken.’

Eén van de leiders sterft

13Terwijl ik tegen de groep mannen aan het spreken was, stierf Pelatja, de zoon van Benaja. Toen liet ik me neervallen op mijn knieën, en ik schreeuwde: ‘Ach, Heer, mijn God, gaat u nu die paar Israëlieten die over zijn, ook nog doden?’

De Israëlieten zullen terugkeren

14De Heer zei tegen mij: 15‘Mensenkind, de inwoners van Jeruzalem zeggen tegen de Israëlieten in Babylonië: ‘Blijf maar waar jullie zijn, ver weg van Israël en ver bij de Heer vandaan. Want het land Israël is aan ons gegeven. Het is ons bezit.’

16Maar jij moet iets anders zeggen tegen de Israëlieten in Babylonië. Geef hun de volgende boodschap: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik heb jullie weggejaagd naar verre landen. Nu wonen jullie ver weg, bij andere volken. Daar hebben jullie geen tempel waarin jullie dicht bij mij kunnen zijn. 17Maar ik beloof dat ik jullie bij die volken zal weghalen. Ik zal jullie ophalen uit die verre landen waar jullie naartoe gejaagd zijn. En ik zal het land Israël aan jullie geven. 18Jullie zullen naar Israël terugkeren. En dan zullen jullie al die afschuwelijke afgodsbeelden uit het land verwijderen.

De Israëlieten zullen God weer dienen

19Ik zal ervoor zorgen dat jullie alleen mij willen dienen en liefhebben. Jullie zullen niet meer ongehoorzaam zijn aan mij, maar weer doen wat ik wil. 20Jullie zullen je houden aan mijn wetten en regels. Dan zullen jullie mijn volk zijn, en ik zal jullie God zijn.

21Maar de mensen die hun afschuwelijke afgoden blijven dienen, zal ik straffen. Dat heb ik besloten.’’

De Heer verlaat Jeruzalem

22-23Toen spreidden de engelen hun vleugels uit om weer te gaan vliegen. De wielen gingen met hen mee omhoog. Op de troon boven de engelen zag ik de God van Israël, stralend en machtig. Zo ging de Heer weg uit Jeruzalem. Hij werd door de engelen naar een berg aan de oostkant van de stad gebracht.

24Daarna tilde de geest van God mij weer op. Hij bracht mij terug naar Babylonië, naar de mensen van mijn volk. Toen eindigde mijn droom.

25De volgende dag vertelde ik mijn droom aan de mensen van mijn volk. Ik vertelde hun alles wat de Heer mij had laten zien.