Bijbel in Gewone Taal (BGT)
7

71Maar de Heer zei: ‘Aäron zal namens jou spreken, en jij hebt de leiding. 2Jij moet Aäron alles vertellen wat ik tegen je gezegd heb. Dan moet hij tegen de farao spreken. Hij moet zeggen dat de farao de Israëlieten moet laten vertrekken uit zijn land.

3Maar ik zal ervoor zorgen dat de farao niet toegeeft en blijft weigeren. Ik zal in Egypte veel wonderen doen. 4En toch zal de farao niet luisteren. Dan zal ik de Egyptenaren mijn macht laten voelen en hen streng straffen. Daarna zal ik alle stammen van Israël uit Egypte weghalen. 5En dan zullen de Egyptenaren begrijpen dat ik de Heer ben.’

6Mozes en Aäron deden alles wat de Heer gezegd had. 7Toen ze naar de farao gingen, was Mozes tachtig jaar oud en Aäron 83 jaar.

Mozes en Aäron gaan naar de farao

8De Heer zei tegen Mozes: 9‘Als de farao om een wonder vraagt, moet Aäron zijn stok voor de farao op de grond gooien. Die stok zal dan veranderen in een slang.’

10Mozes en Aäron gingen naar de farao. Ze deden alles wat de Heer gezegd had. Aäron gooide zijn stok neer voor de farao en zijn dienaren. En de stok veranderde in een slang.

11Toen liet de farao de wijze mannen en tovenaars van Egypte komen. En zij konden hetzelfde. 12Ze gooiden hun stok op de grond, en elke stok veranderde in een slang. Maar de slang van Aäron at alle andere slangen op.

13Toch hield de farao vol. Hij luisterde niet naar Mozes en Aäron. Dat had de Heer al gezegd.

De eerste straf

God zegt dat hij Egypte zal straffen

14De Heer zei tegen Mozes: ‘De farao wil niet toegeven. Hij weigert om het volk te laten gaan. 15Ga morgen naar hem toe, als hij naar de rivier de Nijl gaat. Wacht op hem aan de waterkant. Je moet de stok die in een slang veranderde, meenemen. 16Zeg tegen de farao: ‘De Heer, de God van de Israëlieten, heeft mij gestuurd. Hij vraagt u om zijn volk te laten vertrekken. Dan kunnen ze hem in de woestijn vereren. Maar tot nu toe hebt u niet willen luisteren.

17Daarom zal de Heer u laten zien wie hij is. Ik zal met deze stok op het water van de Nijl slaan. Dan zal het water veranderen in bloed. 18Alle vissen in de Nijl zullen sterven. De rivier zal stinken, en de Egyptenaren zullen geen water meer uit de rivier kunnen drinken.’

19Zeg tegen Aäron dat hij zijn stok boven alle rivieren, kanalen en meren van Egypte moet houden. Overal zal het water veranderen in bloed, zelfs in waterbakken en bekers bij de mensen thuis.’

Water verandert in bloed

20Mozes en Aäron deden alles wat de Heer gezegd had. Aäron sloeg met zijn stok op het water van de Nijl, en het water veranderde in bloed. De farao en zijn dienaren zagen wat er gebeurde. 21Toen gingen alle vissen in de Nijl dood. De rivier ging stinken, en de Egyptenaren konden geen water meer drinken uit de rivier.

22Maar de Egyptische tovenaars konden precies hetzelfde doen. Daarom hield de farao vol, hij luisterde niet naar Mozes en Aäron. Dat had de Heer al gezegd. 23De farao draaide zich om en ging naar huis. Hij veranderde niet van gedachten, ook niet door dit wonder.

24De mensen in Egypte gingen in de buurt van de Nijl waterputten graven. Want het water van de Nijl was niet te drinken. 25Die ramp duurde zeven dagen.

De tweede straf

Er komen kikkers uit de rivier

26De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga naar de farao en zeg tegen hem: ‘De Heer wil dat u zijn volk laat gaan. Dan kunnen ze hem gaan vereren. 27Als u weigert, zal hij het hele land straffen met een kikkerplaag. 28De rivier de Nijl zal vol zitten met kikkers. Maar ze zullen ook uit de rivier komen en het paleis in gaan. Ze zullen in uw slaapkamer zitten en in uw bed, in de huizen van uw dienaren en van uw hele volk. Overal, zelfs in ovens en pannen, zullen kikkers zitten. 29Ze zullen boven op u springen, en op uw dienaren en uw volk.’

8

81Zeg daarna tegen Aäron dat hij zijn stok boven de rivieren, kanalen en meren moet houden. Dan zullen er overal in Egypte kikkers tevoorschijn komen.’

2Aäron hield zijn stok boven het water van Egypte, en toen kwamen er kikkers tevoorschijn. Het hele land was bedekt met kikkers.

3Maar de Egyptische tovenaars konden precies hetzelfde doen. Zij lieten ook kikkers tevoorschijn komen in het hele land.

De farao luistert niet

4Toen liet de farao Mozes en Aäron komen. Hij zei: ‘Vraag alsjeblieft aan de Heer of hij de kikkers laat verdwijnen. Dan zal ik zijn volk laten gaan. Ze mogen offers gaan brengen aan de Heer.’ 5Mozes zei: ‘Ik zal bidden voor u, en voor uw dienaren en uw volk. Dan zullen de kikkers verdwijnen uit de huizen. Er blijven alleen nog kikkers over in de Nijl. Zegt u maar wanneer ik tot de Heer moet bidden.’

6De farao antwoordde: ‘Morgen.’ Mozes zei: ‘Dat is goed. Morgen zult u begrijpen dat niemand zo machtig is als de Heer, onze God. 7Want morgen zullen alle kikkers verdwijnen uit uw paleis en uit alle huizen. Dan zullen er alleen nog kikkers in de Nijl zijn.’

8Mozes en Aäron gingen bij de farao vandaan. Mozes vroeg de Heer om de kikkers weg te halen uit het land. 9De Heer deed wat Mozes vroeg. Overal gingen de kikkers dood, in de huizen, op straat en op het land. 10De mensen raapten ze op en gooiden ze op een hoop. Het hele land stonk van de dode kikkers.

11Toen de farao zag dat de ramp voorbij was, weigerde hij weer om naar Mozes en Aäron te luisteren. Precies zoals de Heer gezegd had.

De derde straf

Er komen muggen

12De Heer zei tegen Mozes: ‘Zeg tegen Aäron dat hij met zijn stok op de grond moet slaan. Dan zal in heel Egypte het stof veranderen in muggen.’

13En dat gebeurde. Aäron sloeg met zijn stok op de grond en meteen zaten er muggen op de mensen en de dieren. Overal in Egypte veranderde het stof in muggen. 14De tovenaars probeerden hetzelfde te doen. Maar dat lukte niet. Alle mensen en dieren zaten intussen onder de muggen. 15De tovenaars zeiden tegen de farao: ‘Dit moet wel het werk van een god zijn!’

Maar de farao hield vol, hij weigerde om naar Mozes en Aäron te luisteren. Dat had de Heer al gezegd.

De vierde straf

Er komen steekvliegen

16De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga morgenochtend vroeg naar de farao, als hij naar de rivier gaat. Zeg tegen hem: ‘De Heer wil dat u zijn volk laat gaan. Dan kunnen ze hem gaan vereren. 17Als u ze niet laat gaan, zal hij steekvliegen op u afsturen, en op uw dienaren en uw volk. Alle huizen in Egypte zullen vol zitten met steekvliegen, en de grond zal ermee bedekt zijn. 18-19Maar in Gosen, waar de Israëlieten wonen, zullen geen steekvliegen zijn. Want de Heer maakt verschil tussen uw volk en zijn eigen volk. Daardoor zult u begrijpen dat de Heer in uw land is. Morgen zal dat gebeuren.’’

20De Heer deed wat hij gezegd had. Er kwamen heel veel steekvliegen. Ze zaten in het paleis van de farao en in de huizen van zijn dienaren. De steekvliegen waren een ramp voor het hele land.

De farao luistert niet

21Toen liet de farao Mozes en Aäron komen. Hij zei: ‘Goed, jullie mogen offers gaan brengen aan je God. Maar dat moet hier in het land gebeuren.’

22‘Dat kan niet,’ zei Mozes. ‘Want de Egyptenaren vinden het afschuwelijk dat wij dieren offeren aan de Heer, onze God. Ze zullen ons doden als we dat doen. 23Nee, u moet ons de woestijn in laten gaan, zo ver als we in drie dagen kunnen komen. Dan kunnen we daar offers brengen aan de Heer, onze God. Dat wil hij van ons.’

24Toen zei de farao: ‘Goed, ik laat jullie gaan. Maar jullie mogen niet te ver gaan. En bid voor mij!’ 25Mozes zei: ‘Zodra ik hier weg ben, zal ik bidden tot de Heer. Morgen zullen de vliegen verdwijnen, bij u, bij uw dienaren en bij uw hele volk. Maar u moet ons niet weer bedriegen. U moet ons volk niet weer tegenhouden.’

26Mozes ging bij de farao vandaan en hij bad tot de Heer. 27De Heer deed wat Mozes vroeg. Hij liet de vliegen verdwijnen bij de farao, bij zijn dienaren en bij alle Egyptenaren. Er bleef nergens meer een vlieg over. 28Maar de farao wilde ook deze keer niet toegeven. Hij weigerde om het volk te laten gaan.

9

De vijfde straf

Het vee wordt ziek

91De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga naar de farao en zeg tegen hem: ‘De Heer wil dat u zijn volk laat gaan. Dan kunnen ze hem gaan vereren. 2Als u hen niet laat gaan en hen nog langer tegenhoudt, 3zal de Heer het vee ziek maken. Alle paarden, ezels, kamelen, koeien, schapen en geiten krijgen dan een vreselijke ziekte. 4Maar er zal verschil zijn tussen het vee van de Egyptenaren en het vee van de Israëlieten. Want bij de Israëlieten zal er geen enkel dier doodgaan. 5Morgen zal de Heer dat laten gebeuren.’’

6De volgende dag gebeurde wat de Heer gezegd had. Al het vee van de Egyptenaren stierf. Maar bij de Israëlieten ging er geen enkel dier dood.

7De farao liet uitzoeken of er bij de Israëlieten werkelijk geen enkel dier dood was. En dat was inderdaad zo. Maar de farao gaf niet toe. Hij liet het volk niet gaan.

De zesde straf

Iedereen krijgt zweren

8De Heer zei tegen Mozes en Aäron: ‘Jullie moeten allebei een handvol as uit een oven pakken. Die as moet Mozes bij de farao in de lucht gooien. 9Daarna zal de as over heel Egypte waaien en op de mensen en de dieren terechtkomen. En dan zullen alle mensen en dieren zweren op hun lichaam krijgen.’

10Mozes en Aäron pakten as uit een oven. Ze gingen naar de farao, en Mozes gooide de as in de lucht. Daarna kregen alle mensen en dieren zweren op hun lichaam. 11Ook de Egyptische tovenaars kregen zweren, net als iedereen. En deze keer konden zij niets doen.

12Maar de Heer zorgde ervoor dat de farao niet wilde toegeven. Hij luisterde niet naar Mozes en Aäron. Precies zoals de Heer al tegen Mozes gezegd had.

De zevende straf

De Heer zal een zware straf sturen

13Toen zei de Heer tegen Mozes: ‘Ga morgenochtend vroeg naar de farao. Zeg tegen hem: ‘De Heer, de God van de Israëlieten, wil dat u zijn volk laat gaan. Dan kunnen ze hem gaan vereren. 14Anders zal hij deze keer de zwaarste straf sturen naar u, naar uw dienaren en naar uw volk. Dan zult u begrijpen dat er op de hele aarde niemand is zoals hij. 15Hij had u en uw volk kunnen laten sterven aan een vreselijke ziekte. Dan waren jullie allang van de aarde verdwenen. 16Maar hij heeft jullie laten leven. Nu kunt u zien hoe machtig hij is. Iedereen op aarde zal weten wie hij is.

17U blijft u verzetten en u weigert om het volk te laten gaan. 18Daarom zal het morgen om deze tijd verschrikkelijk gaan hagelen. Het heeft in de hele geschiedenis van Egypte nog nooit zo hard gehageld. 19Breng alle dieren naar binnen. En laat alles wat buiten is, naar binnen brengen. Want alle mensen en dieren die buiten zijn, zullen sterven door de hagel.’’

20De dienaren van de farao hoorden dat. Sommigen werden bang en haalden hun slaven en hun dieren naar binnen. 21Maar anderen luisterden niet en lieten hun slaven en hun dieren buiten.

Er komt hagel

22Toen zei de Heer tegen Mozes: ‘Houd je stok omhoog naar de hemel. Dan zal het gaan hagelen in heel Egypte, op de mensen, op de dieren, en op alles wat er op het land groeit.’

23Mozes hield zijn stok omhoog naar de hemel. Toen liet de Heer het onweren en hagelen. Het hagelde in heel Egypte. 24En terwijl het hagelde, bliksemde het vreselijk. Zolang Egypte bestond, had het nog nooit zo hard gehageld. 25Overal in Egypte sloeg de hagel neer op alles wat buiten was, op mensen, dieren en planten. Zelfs bomen werden vernield. 26-32De hagel vernielde al het rijpe koren op de akkers. Alleen het koren dat pas gezaaid was, werd niet vernield.

Maar in Gosen, waar de Israëlieten woonden, hagelde het niet.

De farao luistert niet

De farao liet Mozes en Aäron bij zich komen. Hij zei: ‘Nu moet ik schuld bekennen. De Heer heeft gelijk: mijn volk en ik zijn schuldig. Bid dat de Heer het onweer en de hagel laat ophouden. Dan zal ik jullie laten gaan. Ik zal jullie niet langer tegenhouden.’

Mozes zei: ‘Zodra ik de stad uit ben, zal ik bidden tot de Heer. Het onweer en de hagel zullen ophouden. Dan zult u begrijpen dat de aarde van de Heer is. Maar ik weet best dat u en uw dienaren nog steeds geen eerbied hebben voor God, de Heer.’

33Mozes ging bij de farao vandaan. Hij ging de stad uit en bad tot de Heer. Meteen hielden het onweer, de hagel en de regen op. 34Maar toen de farao dat zag, ging hij door met zijn slechte gedrag. Hij gaf niet toe, en zijn dienaren ook niet. 35Hij weigerde om de Israëlieten te laten gaan. Precies zoals Mozes al namens de Heer gezegd had.