Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

God stuurt Mozes naar Egypte

God spreekt met Mozes

31Mozes zorgde voor de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan. Op een dag ging hij met de dieren ver de woestijn in. Hij kwam bij de berg Horeb. De Horeb was een heilige berg. 2Daar kwam de engel van de Heer naar hem toe, als een vuur in een doornstruik. Mozes zag dat de struik in brand stond, maar de struik verbrandde niet. 3Mozes dacht: Hoe kan dat? Hoe komt het dat die struik niet verbrandt? Ik zal eens gaan kijken.

4Toen de Heer zag dat Mozes dichterbij kwam, riep hij vanuit de struik: ‘Mozes!’ ‘Ja, ik luister,’ antwoordde Mozes. 5De Heer zei: ‘Kom niet dichterbij, en trek je schoenen uit. Want je staat op heilige grond. 6Ik ben de God van je vader, ik ben de God van Abraham, Isaak en Jakob.’ Toen hield Mozes zijn handen voor zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.

Mozes moet de Israëlieten uit Egypte halen

7De Heer zei: ‘Ik heb gezien hoe moeilijk mijn volk het heeft in Egypte. Ik heb gezien hoe ze onderdrukt worden, en ik heb gehoord hoe ze om hulp roepen. Ik weet hoe ze lijden. 8Nu ben ik gekomen om ze te bevrijden uit de macht van de Egyptenaren. Ik zal ze naar een land brengen waar nu andere volken wonen: Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. Het is een mooi, groot land. En er is genoeg te eten en te drinken, meer dan genoeg voor iedereen.

9-10Ik stuur jou naar de farao. Want ik heb gehoord hoe de Israëlieten om hulp roepen. En ik heb gezien hoe de Egyptenaren hen onderdrukken. Jij moet mijn volk uit Egypte weghalen.’

Mozes weigert

11Maar Mozes zei tegen God: ‘Ik? Moet ik naar de farao gaan en de Israëlieten uit Egypte weghalen? Dat kan ik niet.’ 12God zei: ‘Ik zal altijd bij je zijn. Jij zult het volk uit Egypte weghalen, en hier op deze berg zullen jullie mij vereren. Dan zul je zeker weten dat ik je gestuurd heb.’

13Mozes zei: ‘Ik moet dus tegen de Israëlieten zeggen dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft. Maar wat moet ik zeggen als ze vragen hoe die God heet?’

14-15Toen zei God: ‘Ik ben degene die er altijd is. Je moet tegen de Israëlieten zeggen dat ‘Ik ben er altijd’ je gestuurd heeft. Dat zal mijn naam zijn. Zo moeten ze mij voortaan noemen. Ik ben de Heer, de God van hun voorouders, de God van Abraham, Isaak en Jakob.’

Mozes moet naar de farao gaan

16God zei verder: ‘Je moet de leiders van de Israëlieten bij elkaar roepen, en tegen ze zeggen: ‘De Heer, de God van jullie voorouders, de God van Abraham, Isaak en Jakob, is bij mij gekomen. Hij heeft gezegd dat hij medelijden met jullie heeft. Want hij heeft gezien hoe moeilijk jullie het hebben in Egypte. 17Hij zal jullie bevrijden uit de ellende. Hij zal jullie naar een ander land brengen, het land van de Kanaänieten en de andere volken die daar wonen. In dat land is genoeg te eten en te drinken, meer dan genoeg voor iedereen.’

18De leiders van het volk zullen naar je luisteren. Daarna moet je samen met de leiders naar de farao gaan. Tegen hem moet je zeggen: ‘De Heer, onze God, is bij ons gekomen. Mogen wij naar de woestijn gaan om hem daar offers te brengen? Dat is een reis van drie dagen.’

19Ik weet dat de farao dat niet goed zal vinden. Alleen als ik hem dwing om jullie te laten gaan, zal hij het goedvinden. 20Ik zal de Egyptenaren laten zien hoe machtig ik ben. Ik zal vreselijke dingen doen om ze te straffen. Daarna zal de farao jullie laten gaan. 21Ik zal ervoor zorgen dat de Egyptenaren jullie dan goed behandelen. Jullie zullen niet arm uit Egypte weggaan. 22Jullie vrouwen moeten aan de Egyptische vrouwen gouden en zilveren sieraden vragen, en ook kleren. Die moeten jullie je kinderen laten aantrekken. Zo zullen jullie de Egyptenaren arm maken.’

4

Mozes weigert weer

41Mozes zei tegen de Heer: ‘De Israëlieten zullen me vast niet geloven. Ze zullen niet naar me luisteren. Ze zullen zeggen dat u helemaal niet bij mij gekomen bent.’

2Toen zei de Heer: ‘Wat heb je daar in je hand?’ ‘Een stok,’ zei Mozes. 3De Heer zei: ‘Gooi hem eens op de grond.’ Toen Mozes dat deed, veranderde de stok in een slang.

Mozes rende weg. 4Maar de Heer zei: ‘Pak hem bij zijn staart!’ Mozes pakte de slang, en toen was het weer een stok. 5De Heer zei: ‘Als je dat aan de Israëlieten laat zien, zullen ze je geloven. Dan geloven ze dat de God van hun voorouders, de God van Abraham, Isaak en Jakob, bij jou gekomen is.’

6Daarna zei de Heer: ‘Doe je hand eens onder je jas.’ Mozes deed dat, en toen hij zijn hand er weer onder vandaan haalde, zag die er wit en ziek uit. 7‘Doe je hand nog eens onder je jas,’ zei de Heer. Mozes deed dat nog eens. En toen hij zijn hand weer onder zijn jas vandaan haalde, zag die er weer gewoon uit.

8De Heer zei: ‘Als de Israëlieten je niet geloven na het eerste wonder, zullen ze je misschien geloven na het tweede wonder. 9Maar als ze je dan nog niet geloven, moet je water uit de rivier de Nijl halen. Dat moet je over de grond gieten. Dan zal dat water in bloed veranderen.’

God zal Aäron met Mozes meesturen

10Mozes zei tegen de Heer: ‘Neem me niet kwalijk, Heer. Maar ik ben niet zo’n goede spreker. Dat is altijd al zo geweest. En nu u met mij gesproken hebt, is dat nog steeds zo. Ik kan nooit de goede woorden vinden.’

11Maar de Heer zei: ‘Wie heeft de mens een mond gegeven? Wie zorgt ervoor dat een mens kan spreken en horen? Wie zorgt ervoor dat een mens kan zien? Of wie maakt hem blind? Dat doe ik, de Heer! 12Ga nu. Ik zal je helpen als je moet spreken. Ik zal je vertellen wat je moet zeggen.’

13Maar Mozes zei: ‘Neem me niet kwalijk, Heer, maar stuur alstublieft iemand anders!’

14Toen werd de Heer boos op Mozes. Hij zei: ‘Je hebt toch een broer die Aäron heet? Die kan goed spreken. Hij komt naar je toe. Hij is al onderweg, en hij zal blij zijn om je te zien. 15Jij moet hem vertellen wat hij moet zeggen. Ik zal jullie helpen en zeggen wat je moet doen. 16Jij hebt de leiding, en Aäron zal namens jou tegen de Israëlieten spreken. 17Neem je stok mee, want daarmee moet je de wonderen doen.’

Mozes gaat naar Egypte

18-19Mozes ging terug naar Midjan, naar zijn schoonvader Jetro. De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga nu naar Egypte. De mensen daar die jou wilden doden, zijn gestorven.’ Toen zei Mozes tegen Jetro: ‘Ik wil graag terug naar Egypte om te zien hoe het met de mensen van mijn volk gaat.’ ‘Dat is goed,’ zei Jetro. ‘Ga maar.’

20Mozes zette zijn vrouw en zijn kinderen op een ezel en vertrok naar Egypte. Hij nam zijn stok mee, want dat had God tegen hem gezegd. 21Toen zei de Heer tegen Mozes: ‘In Egypte moet je voor de farao alle wonderen doen die ik je geleerd heb. Maar de farao zal het volk niet laten gaan. Want ik zal ervoor zorgen dat hij niet toegeeft en blijft weigeren. 22Dan moet jij de farao vertellen dat ik gezegd heb: ‘Ik ben de Heer. Ik houd van het volk van Israël alsof het mijn oudste zoon is. 23Ik heb je gezegd, farao, dat je mijn volk moest laten gaan. Ik wilde dat ze mij zouden vereren. Maar jij liet ze niet gaan. Daarom zal ik jouw oudste zoon doden.’’

De zoon van Mozes wordt besneden

24Toen Mozes onderweg was naar Egypte, kwam de Heer in een nacht op Mozes af. Hij wilde Mozes doden. 25Toen ging Sippora, de vrouw van Mozes, vlug haar zoon besnijden. Ze pakte een scherp stuk steen. Daarmee sneed ze de voorhuid van haar zoon af.

Met de voorhuid raakte ze de voeten van Mozes aan. En ze zei: ‘Door dit bloed kun je mijn man blijven.’ 26Dat zei ze omdat hun zoon nu besneden was. Toen liet de Heer Mozes met rust.

Aäron gaat met Mozes mee

27De Heer had tegen Aäron gezegd: ‘Je moet naar de woestijn gaan, naar Mozes.’ Aäron was op weg gegaan. Hij ontmoette Mozes bij de heilige berg, en hij kuste hem. 28En Mozes vertelde Aäron alles wat de Heer gezegd had. Hij vertelde dat hij naar Egypte moest gaan, en welke wonderen hij moest doen.

29Toen gingen Mozes en Aäron samen naar Egypte. Daar riepen ze de leiders van de Israëlieten bij elkaar. 30Aäron vertelde hun precies wat de Heer tegen Mozes gezegd had. En Mozes liet de wonderen aan het volk zien. 31De Israëlieten geloofden Mozes en Aäron. Toen ze hoorden dat de Heer hun ellende gezien had en medelijden met hen had, knielden ze om de Heer te vereren.

5

Mozes en Aäron bij de farao

Mozes en Aäron gaan naar de farao

51Mozes en Aäron gingen naar de farao. Ze zeiden tegen hem: ‘De Heer, de God van Israël, heeft gezegd dat u de Israëlieten naar de woestijn moet laten gaan. Ze moeten daar een feest voor hem vieren.’ 2De farao zei: ‘Wie is die Heer? Waarom zou ik naar hem luisteren? Waarom zou ik de Israëlieten laten gaan? Ik ken de Heer niet, en ik laat de Israëlieten niet gaan!’

3Toen zeiden Mozes en Aäron: ‘De God van de Israëlieten heeft met ons gesproken. Geef ons alstublieft toestemming om de woestijn in te gaan! We willen zo ver gaan als we in drie dagen kunnen komen. Daar in de woestijn willen we offers brengen aan de Heer. Anders zal hij ons straffen met ziekte of oorlog.’

4-5Maar de farao zei: ‘Mozes en Aäron! Jullie willen zeker dat er niet gewerkt wordt! Er zijn heel veel Israëlieten aan het werk, en nu willen jullie dat ze daarmee stoppen. Nee, aan het werk allemaal!’

De Israëlieten moeten harder werken

6Diezelfde dag liet de farao de bewakers van de Israëlieten bij zich komen. Ook de Israëlieten die het werk moesten controleren, riep hij bij zich. Hij zei: 7‘Voortaan mogen jullie de mensen geen stro meer geven voor het maken van stenen. Ze moeten zelf maar stro zoeken. 8Maar ze moeten net zo veel stenen maken als anders, niet één steen minder! Ze zijn lui! Daarom roepen ze dat ze offers willen brengen aan hun God. 9Ze moeten gewoon harder werken. Dan hebben ze geen tijd meer om naar die onzin te luisteren.’

10De bewakers en de controleurs vertelden dat aan de Israëlieten. Ze zeiden: ‘We mogen jullie geen stro meer geven van de farao. 11Jullie moeten het zelf maar gaan zoeken. Maar toch moeten jullie net zo veel stenen maken als eerst.’

12De Israëlieten gingen in het hele land stro zoeken. 13De bewakers schreeuwden intussen: ‘Doorwerken! Net zo veel stenen als vroeger!’ 14En de bewakers sloegen de Israëlitische controleurs die ze zelf in dienst genomen hadden. Want er werden minder stenen gemaakt dan vroeger.

De farao luistert niet

15De Israëlitische controleurs gingen klagen bij de farao. Ze zeiden: ‘Waarom behandelt u ons zo? 16We worden geslagen omdat we niet genoeg stenen maken. Maar dat is de schuld van uw bewakers. Want zij geven ons geen stro meer!’ 17Maar de farao zei: ‘Jullie zijn lui! Jullie zijn te lui om te werken. Daarom willen jullie offers gaan brengen aan jullie God. 18Vooruit, aan het werk! Stro krijgen jullie niet. Maar jullie moeten net zo veel stenen maken als vroeger.’

19Toen begrepen de controleurs hoe moeilijk de situatie was. Want de farao had nu zelf gezegd dat ze net zo veel stenen moesten maken als vroeger.

20Toen ze terugkwamen van de farao, stonden Mozes en Aäron op hen te wachten. 21De controleurs riepen: ‘Het is jullie schuld dat de farao en zijn bewakers zo’n hekel aan ons hebben. Het is jullie schuld dat ze ons zo slecht behandelen. We hopen dat de Heer jullie daarvoor straft!’

God stuurt Mozes en Aäron opnieuw

Mozes klaagt tegen God

22Mozes vroeg aan de Heer: ‘Heer, waarom behandelt u dit volk zo slecht? Waarom hebt u mij hierheen gestuurd? 23Ik heb namens u met de farao gesproken. Maar daardoor is alles nog erger geworden. U hebt uw volk helemaal niet gered!’