Bijbel in Gewone Taal (BGT)
32

Het volk vereert een stier

Aäron maakt een beeld van een stier

321De Israëlieten wachtten tot Mozes terug zou komen van de berg Sinai. Maar het duurde erg lang. Toen gingen ze naar Aäron, en zeiden: ‘Mozes is de man die ons uit Egypte weggehaald heeft. Maar we weten niet wat er met hem gebeurd is. Maak daarom een god voor ons! Dan kan die ons door de woestijn leiden.’

2Aäron zei: ‘Dat is goed. Geef me dan eerst alle gouden sieraden van jullie vrouwen, zonen en dochters.’ 3Meteen deden alle Israëlieten hun gouden sieraden af en gaven die aan Aäron. 4Aäron liet de sieraden smelten, en van het goud maakte hij een beeld van een stier.

De Israëlieten riepen: ‘Dit is onze god. Hij heeft ons weggehaald uit Egypte!’ 5Toen Aäron dat hoorde, bouwde hij een altaar voor het beeld. Hij zei: ‘Morgen is er een feest voor de Heer.’

6De volgende ochtend stond iedereen vroeg op. Ze brachten offers aan het beeld, en daarna gingen ze zitten eten en drinken. Het werd een vrolijk feest.

De Heer is kwaad op de Israëlieten

7De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga terug, de berg af. Want dat volk van jou, dat je uit Egypte gehaald hebt, gedraagt zich heel slecht. 8Ze doen nu al niet meer wat ik gezegd heb. Ze hebben een stierenbeeld gemaakt. Ze hebben voor het beeld geknield en ze hebben er offers aan gebracht. Ze zeiden: ‘Dit is onze god. Hij heeft ons weggehaald uit Egypte!’

9Ik ken dit volk, Mozes! Ik weet hoe ongehoorzaam de Israëlieten zijn. 10Ik ben woedend op hen. Ik zal hen allemaal vernietigen, het hele volk. En probeer me niet tegen te houden!

Maar van jou zal ik een groot volk maken.’

De Heer blijft niet kwaad

11Mozes probeerde de Heer, zijn God, op andere gedachten te brengen. Hij zei: ‘Natuurlijk bent u kwaad. Maar u hebt uw grote macht laten zien, toen u uw volk uit Egypte bevrijdde. 12Als u de Israëlieten nu vernietigt, zullen de Egyptenaren zeggen: ‘Hij heeft hen wel bevrijd, maar alleen om hun kwaad te doen. Hij wilde hen in de bergen doden en van de aarde laten verdwijnen!’

Dat wilt u toch niet? Wees toch niet boos meer! Doe uw volk toch geen kwaad! 13Denk aan uw dienaren Abraham, Isaak en Jakob. U hebt plechtig beloofd om hun zo veel nakomelingen te geven als er sterren aan de hemel zijn. En het land dat u hun beloofde, zou u voor altijd aan die nakomelingen geven.’

14Toen kreeg de Heer er spijt van dat hij zijn volk had willen vernietigen.

Mozes wordt woedend

15Mozes draaide zich om en ging de berg af. Hij had de twee stenen platen met de wet in zijn handen. Er was aan twee kanten op geschreven, aan de voorkant en aan de achterkant. 16God had de platen gemaakt, en God had er zelf op geschreven.

17Jozua, die bij Mozes was, hoorde het lawaai van de Israëlieten. Hij zei: ‘Ik hoor geschreeuw in het kamp. Het lijkt wel of er oorlog is.’ 18Mozes zei: ‘Het klinkt niet als juichen omdat ze gewonnen hebben. En ook niet als klagen omdat ze verloren hebben. Ze zijn hard aan het zingen, dat hoor ik.’

19Toen Mozes dichter bij het kamp was, zag hij het stierenbeeld. En hij zag de Israëlieten dansen. Hij werd woedend, en onder aan de berg gooide hij de stenen platen kapot. 20Daarna verbrandde hij het stierenbeeld. De resten sloeg hij kapot, en de as strooide hij op het water. Dat water moesten de Israëlieten drinken.

Mozes vraagt uitleg aan Aäron

21Mozes zei tegen Aäron: ‘Hoe kon zoiets verschrikkelijks gebeuren? Wat heeft het volk met je gedaan dat je dit goedvond?’

22Aäron antwoordde: ‘Wees alsjeblieft niet boos! Je weet hoe dit volk is. Ze willen altijd verkeerde dingen doen. 23Ze zeiden tegen mij: ‘Maak een god voor ons. Dan kan die ons door de woestijn leiden. Want we weten niet wat er met Mozes gebeurd is, die ons uit Egypte heeft weggehaald.’ 24Ik zei toen dat ik goud nodig had voor zo’n beeld. Meteen deden ze al hun sieraden af en gaven die aan mij. Ik heb het goud in het vuur gegooid, en toen werd het die stier.’

Mozes straft het volk

25Nu begreep Mozes het. Dat beeld was er gekomen omdat Aäron de Israëlieten niet tegengehouden had. En Mozes wist dat de vijanden de Israëlieten zouden uitlachen om hun gedrag.

26Hij ging bij de ingang van het kamp staan en zei: ‘Iedereen die voor de Heer is, moet hier komen.’ Alle mannen van de stam Levi kwamen bij Mozes staan.

27Mozes zei tegen hen: ‘De Heer, de God van Israël, wil dat jullie je zwaard pakken en door het kamp gaan. Ga van de ene kant naar de andere kant en dood iedereen die je tegenkomt. Ook als het je broer is, of je vriend, of iemand van je familie.’

28De Levieten deden wat Mozes gezegd had. Er werden die dag ongeveer drieduizend mensen gedood. 29Mozes zei tegen de Levieten: ‘Jullie hebben vandaag laten zien dat je bij de Heer hoort. Want jullie hebben voor hem zelfs je eigen familie gedood. De Heer zal jullie daarvoor belonen.’

Mozes vraagt de Heer om vergeving

30De volgende ochtend zei Mozes tegen de Israëlieten: ‘Jullie hebben verschrikkelijke dingen gedaan. Daarom zal ik de berg op gaan om met de Heer te spreken. Misschien wil hij jullie vergeven, als ik het vraag.’

31En Mozes ging terug naar de Heer. Hij zei: ‘Ach, Heer! De Israëlieten hebben iets verschrikkelijks gedaan. Ze hebben een god van goud gemaakt. 32Maar ik vraag u om hen te vergeven. En als u dat niet wilt, wilt u mij dan straffen in plaats van hen?’

33De Heer antwoordde: ‘Alleen de mensen die iets verkeerds gedaan hebben, zal ik straffen. Zij mogen niet meer bij mij horen. 34Reis nu maar verder met het volk. Ga naar de plaats die ik je genoemd heb. Mijn engel zal vooropgaan en jullie de weg wijzen. Maar ooit zal ik de Israëlieten straffen voor wat ze gedaan hebben.’

35Dat heeft de Heer later ook gedaan. Hij heeft de Israëlieten gestraft omdat ze Aäron een stierenbeeld hadden laten maken.

33

De nieuwe stenen platen

De Heer wil niet met het volk meegaan

331De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga hiervandaan, en neem het volk mee dat je uit Egypte gehaald hebt. Ga met hen naar het land dat ik plechtig beloofd heb aan Abraham, Isaak en Jakob, en aan hun nakomelingen. 2Ik zal een engel voor je uit sturen. En ik zal de andere volken daar wegjagen: de Kanaänieten, de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten.

3Ga naar dat land, waar genoeg te eten en te drinken is voor iedereen, meer dan genoeg. Maar ik ga zelf niet met jullie mee. Want de Israëlieten willen nooit naar me luisteren. Ik zou onderweg zo kwaad op ze worden, dat ik ze zou doden.’

De Israëlieten hebben spijt

4De Israëlieten hoorden dat de Heer niet met hen mee wilde gaan. Daar schrokken ze van. En ze deden allemaal hun sieraden af om te laten zien dat ze spijt hadden. 5Want de Heer had tegen Mozes gezegd: ‘De Israëlieten willen nooit naar me luisteren. Als ik met hen mee zou gaan, dan zou ik hen doden. Zelfs als ik maar heel even mee zou gaan. Maar laat iedereen zijn sieraden afdoen. Dan zal ik er nog over nadenken of ik mee zal gaan of niet.’

6Vanaf de dag dat ze bij de berg Sinai weggingen, droegen de Israëlieten geen sieraden meer.

Mozes ontmoet de Heer in een tent

7Een heel eind buiten het kamp zette Mozes een tent op. Die tent noemde hij ‘de Tent om de Heer te ontmoeten’. Iedereen die iets aan de Heer wilde vragen, ging naar die tent buiten het kamp.

8Telkens als Mozes naar die tent ging, kwam iedereen naar buiten. Dan keken ze naar Mozes tot hij de tent in gegaan was. 9Zodra Mozes in de tent was, kwam de wolk van God naar beneden. De wolk bleef voor de ingang hangen. Dan sprak de Heer met Mozes.

10Als de Israëlieten de wolk bij de ingang van de tent zagen, knielden ze allemaal voor hun eigen tent. 11De Heer sprak persoonlijk met Mozes, net zoals iemand spreekt met zijn vriend. Daarna ging Mozes altijd weer terug naar het kamp. Maar zijn jonge dienaar Jozua, de zoon van Nun, bleef dan in de tent.

Mozes vraagt of de Heer meegaat

12-13Mozes zei tegen de Heer: ‘U hebt gezegd dat ik verder moet reizen met de Israëlieten. Maar u hebt niet gezegd wie u met ons meestuurt. Vertel me toch alstublieft wat u van plan bent. Dan leer ik u echt kennen. U hebt mij toch uitgekozen? U wilt toch goed voor me zijn? Dat hebt u zelf gezegd. En vergeet niet dat de Israëlieten uw eigen volk zijn.’

14De Heer zei: ‘Ik zal zelf met je meegaan. Je kunt gerust zijn.’ 15‘Ja,’ zei Mozes, ‘als u wilt dat we verder reizen, dan moet u zelf met ons meegaan. 16Dan weet ik dat u goed wilt zijn voor mij en voor uw volk. Dan begrijpen we dat wij een bijzonder volk voor u zijn, anders dan alle andere volken.’

17De Heer zei tegen Mozes: ‘Ik zal zeker doen wat je vraagt, ik zal goed voor je zijn. Want ik heb je uitgekozen.’

Mozes vraagt of hij de Heer mag zien

18Daarna zei Mozes: ‘Laat mij toch zien wie u bent!’ 19De Heer zei: ‘Ik zal in stralend licht voor je langs gaan. Ik zal mijn naam roepen. Mijn naam betekent: Ik zal goed zijn voor wie ik goed wil zijn. Ik zal zorgen voor wie ik wil zorgen.

20Maar je zult mijn gezicht niet kunnen zien. Want geen mens kan blijven leven als hij mijn gezicht gezien heeft.

21Er is een plek op de rots waar je dicht bij me kunt staan. 22Als ik in stralend licht voorbijkom, zal ik je in een grot laten staan. Ik zal je met mijn hand bedekken tot ik voorbij ben. 23Dan zal ik mijn hand weghalen en dan kun je mij van achteren zien. Maar mijn gezicht mag niemand zien.’

34

Mozes maakt twee nieuwe stenen platen

341De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Hak twee stenen platen uit de rots. Ze moeten net zo zijn als de platen die je kapotgegooid hebt. Ik zal mijn regels op de platen schrijven, net als de vorige keer.

2Zorg dat je morgenochtend vroeg klaar bent. Klim dan de berg Sinai op en kom bij mij, boven op de berg. 3Er mag niemand met je meegaan. En er mag niemand op de berg komen. Ook de koeien, schapen en geiten mogen niet dicht bij de berg komen.’

4Mozes hakte twee stenen platen uit de rots, net zulke platen als de vorige. De volgende ochtend vroeg klom hij de berg Sinai op, zoals de Heer gezegd had. Hij nam de stenen platen mee.

De Heer komt bij Mozes

5Toen kwam de Heer in een wolk naar beneden. Hij kwam naast Mozes staan en hij zei: ‘Ik ben de Heer.’

6Daarna ging de Heer voor Mozes langs. De Heer riep: ‘Ik ben de Heer! Ik ben een goede God. Ik zorg voor de mensen. Ik ben geduldig, trouw en vol liefde.

7Mijn liefde voor mensen duurt duizenden generaties. Ik vergeef mensen alles wat ze verkeerd doen, ook als ze grote fouten maken. Maar ik straf mensen als ze mij ontrouw zijn. En ik straf ook hun kinderen, tot en met de vierde generatie.’

8Meteen knielde Mozes. Hij boog diep voorover 9en zei: ‘Heer, als u vertrouwen in mij hebt, ga dan toch met ons mee! Ik weet dat het volk van Israël ongehoorzaam is. Maar vergeef ons onze fouten en zonden. Laat ons alstublieft weer uw volk zijn!’

Het volk mag geen andere goden vereren

10Toen zei de Heer tegen Mozes: ‘Ik ga jou iets beloven en jullie moeten mij iets beloven. Ik zal grote wonderen doen. Zulke wonderen zijn op de hele aarde nog nooit gedaan, voor geen enkel volk. Ik zal geweldige dingen voor jou doen. Het hele volk dat bij je is, zal het zien.

11En jullie moeten je houden aan de wetten en regels die ik jullie vandaag geef. Ik zal de andere volken wegjagen uit het land waar jullie naartoe gaan. 12Maar denk erom: jullie mogen geen vriendschap sluiten met die volken. Want dan zal het helemaal verkeerd gaan met jullie. 13Jullie moeten hun altaren afbreken, hun heilige stenen kapotslaan en hun heilige palen omhakken. 14Want jullie mogen geen andere goden vereren. Ik, de Heer, ben jullie God, ik alleen. Ik wil niet dat jullie andere goden dienen.

15Sluit dus geen vriendschap met die andere volken. Want dan vragen zij misschien of jullie met hen meedoen. En ik wil niet dat jullie hun afgoden gaan vereren en van hun offers eten! 16Ik wil ook niet dat jullie zonen trouwen met hun dochters, die ook afgoden vereren. Want dan gaan jullie zonen die afgoden ook vereren!

17Ik wil ook niet dat jullie godenbeelden maken.

Regels over offers en feesten

18Jullie moeten het Feest van het Brood zonder Gist vieren. Zeven dagen moeten jullie dan brood zonder gist eten, zoals ik jullie eerder gezegd heb. Vier dat feest in de maand dat jullie uit Egypte weggegaan zijn.

19Alles wat het eerst geboren wordt en mannelijk is, is voor mij bestemd. Dus alle mannetjesdieren die het eerst geboren worden, moet je aan mij geven. 20Behalve het eerste jong van een ezel. In plaats daarvan moet je mij een lam of een geitje geven. Of je moet de nek van het jong van de ezel breken. Ook je oudste zoon hoef je niet aan mij te geven. In plaats daarvan moet je mij een geldbedrag geven.

Als jullie naar mijn heilige tent komen, moeten jullie mij offers brengen.

21Zes dagen mogen jullie werken. Maar op de zevende dag moeten jullie uitrusten. Ook als je het heel druk hebt met het werk op het land.

22Jullie moeten het Wekenfeest vieren in het begin van de zomer, als je de eerste tarwe van het land haalt. En jullie moeten een oogstfeest vieren in de herfst.

23Drie keer per jaar moeten alle mannen mij, de machtige Heer, de God van Israël, komen vereren. 24Ik zal jullie veel land geven en de andere inwoners daar wegjagen. Dan zal niemand je akkers afpakken als je op reis gaat om mij te vereren.

25Als je een dier offert, mag je geen brood met gist bij het offer doen. Het vlees van het offer voor het Paasfeest mag niet blijven liggen tot de volgende dag.

26Breng ieder jaar het eerste koren dat je oogst en de eerste vruchten die je plukt, naar mijn tempel.

Je mag het vlees van een geitje niet koken in melk van de moedergeit.’

Mozes schrijft de tien regels op

27Toen zei de Heer tegen Mozes: ‘Schrijf mijn regels op. Ik beloof dat ik voor jullie zal zorgen. Maar dan moeten jullie beloven dat jullie je houden aan mijn regels.’

28Mozes bleef weer veertig dagen en nachten daar bij de Heer. Hij at en dronk niets. Hij schreef op de stenen platen de tien belangrijke regels die de Heer gegeven had.

Mozes gaat terug naar het volk

29Mozes ging de berg Sinai af. Hij had de twee stenen platen met de tien regels bij zich. Zijn gezicht had een stralende glans, want hij had met de Heer gesproken. Maar Mozes wist niet dat zijn gezicht zo straalde.

30Aäron en de andere Israëlieten zagen de glans op het gezicht van Mozes. Daarom durfden ze niet naar hem toe te gaan. 31Maar Mozes riep Aäron en de leiders van het volk bij zich en sprak met hen. 32Daarna kwamen ook de andere Israëlieten dichterbij.

Mozes vertelde de Israëlieten alles wat de Heer op de berg Sinai gezegd had. En hij zei dat ze zich aan alle regels moesten houden. 33Toen Mozes klaar was met spreken, deed hij een doek voor zijn gezicht. 34Telkens als Mozes met de Heer ging spreken, deed hij de doek af. En daarna ging hij steeds terug om de Israëlieten te vertellen wat de Heer gezegd had. 35Ze zagen dan de stralende glans op zijn gezicht. En dan deed Mozes de doek weer voor zijn gezicht, totdat hij weer naar de Heer ging.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]