Bijbel in Gewone Taal (BGT)
30

Andere opdrachten voor de heilige tent

Het altaar voor de wierook

301De Heer zei tegen Mozes: ‘Je moet ook een altaar maken voor het branden van wierook. Je moet het maken van acaciahout. 2Het altaar moet vierkant zijn: 50 centimeter lang en 50 centimeter breed. Het moet 1 meter hoog zijn. Maak het altaar op de hoeken extra hoog. Het altaar en de hoeken moeten één geheel zijn. 3Je moet het altaar helemaal bedekken met een laagje goud. Dus ook de bovenkant, de zijkanten en de hoge hoeken.

Maak om het altaar een gouden rand. 4En maak onder de rand links en rechts een gouden ring. Door die ringen kun je de stokken steken om het altaar te dragen. 5De draagstokken moet je ook van acaciahout maken, en bedekken met een laagje goud.

6Zet het altaar voor het gordijn waarachter de heilige kist staat. Op die kist ligt het deksel met de engelen. Dat is de plaats waar ik je zal ontmoeten.

7Aäron moet op het altaar wierook branden, met een heerlijke geur. Dat moet hij elke ochtend doen, als hij de olielampen schoonmaakt. 8En ook in het begin van de avond, als hij de lampen aansteekt. Er moet elke dag wierook voor mij gebrand worden, ook door jullie nakomelingen. 9Er mag alleen speciale wierook gebrand worden. En er mag geen vlees, graan of wijn geofferd worden op dit altaar.

10Eén keer per jaar moet Aäron het altaar weer heilig maken. Dat moet hij doen als hij een offer brengt om de fouten van de Israëlieten goed te maken. Hij moet wat bloed van het offerdier aan de hoeken van het altaar smeren. Dat moet elk jaar opnieuw gedaan worden, ook in de toekomst. Dit altaar is heel heilig, het is van mij.’

Als het volk geteld wordt

11De Heer zei ook tegen Mozes: 12‘Als de Israëlieten geteld worden, zijn ze in levensgevaar. Daarom moeten ze dan iets aan mij geven om hun leven te redden. Anders zullen ze sterven.

13Dit is wat iedereen die geteld wordt, aan mij moet geven: een zilverstuk van 5 gram volgens het officiële gewicht. Het is een geschenk voor mij. 14Iedereen die geteld wordt, iedereen van twintig jaar en ouder, moet dat geven. 15Iemand die rijk is, hoeft niet meer dan 5 gram te betalen. En iemand die arm is, mag niet minder betalen. De prijs om je leven te redden, is voor iedereen hetzelfde: 5 gram zilver.

16Het zilver dat de Israëlieten geven, moet je gebruiken voor het werk in de heilige tent. Dan zal ik niet vergeten dat ik de Israëlieten in leven moet laten.’

De waterbak

17-19De Heer zei tegen Mozes: ‘Je moet een waterbak maken van brons. Ook het onderstel voor de bak moet van brons zijn. Doe water in de bak en zet hem tussen de heilige tent en het altaar.

Met het water uit die bak moeten Aäron en zijn zonen hun handen en voeten wassen. 20-21Dat moeten ze altijd doen voordat ze de tent in gaan. Ook als ze naar het altaar gaan om een offer aan mij te brengen, moeten ze hun handen en voeten wassen. Als ze dat niet doen, zullen ze sterven. Die regel geldt voor Aäron en zijn zonen, en ook voor hun nakomelingen.’

De heilige olie

22De Heer zei ook tegen Mozes: 23-25‘Je moet speciale olie maken, die gebruikt kan worden in de heilige tent. Meng daarvoor 15 kilo van de allerbeste geurige kruiden met 7,5 liter olijfolie. Maak daarvan een olie die heerlijk ruikt. Het moet een olie zijn zoals een vakman die maakt.

26Daarna moet je wat van die olie over de tent gieten, over de kist met de wet, 27over de tafel en de kandelaar en alle voorwerpen die daarbij horen, over het altaar voor de wierook, 28over het altaar voor de offers en alle voorwerpen die daarbij horen, over de waterbak en over het onderstel van de waterbak. 29Door overal olie over te gieten, laat je zien dat het allemaal voor mij bestemd is. Zo wordt alles heilig. Ook iedereen die deze heilige dingen aanraakt, wordt heilig. 30Je moet de olie ook over Aäron en zijn zonen gieten. Dat is het teken dat ze bij mij horen om mij als priester te dienen.

31Je moet tegen de Israëlieten zeggen: ‘Dit is heilige olie. Hij is alleen voor de Heer bestemd, ook in de toekomst. 32Niemand mag deze olie gebruiken om zijn lichaam te verzorgen. En niemand mag zulke olie maken om die voor gewone dingen te gebruiken. Het is heilige olie, die heilig moet blijven. 33Jullie mogen deze olie niet namaken of gebruiken voor iemand die geen priester is. Wie dat wel doet, mag niet meer bij het volk van Israël horen.’’

De wierook

34-35De Heer zei tegen Mozes: ‘Je moet speciale wierook maken, zoals een vakman die maakt. Daarvoor moet je allerlei geurige kruiden door gewone wierook mengen. Je moet van alle kruiden evenveel gebruiken. Je moet er ook zout doorheen doen. Zo maak je wierook die zuiver en heilig is.

36Maak een deel van die wierook fijn en leg dat in de heilige tent. Leg het voor de heilige kist, op de plaats waar ik je zal ontmoeten. Die wierook is heel heilig.

37De heilige wierook is alleen voor de Heer bestemd. Je mag zulke wierook niet voor jezelf maken, om voor gewone dingen te gebruiken. 38Iemand die toch zulke wierook maakt om voor zichzelf te gebruiken, mag niet meer bij het volk van Israël horen.’

31

God zegt wie de tent moeten maken

311De Heer zei tegen Mozes: 2‘Ik heb Besaleël uitgekozen om aan de tent te werken. Besaleël komt uit de stam Juda. Hij is een zoon van Uri en een kleinzoon van Chur. 3Ik heb hem heel knap, verstandig en wijs gemaakt. Hij is een vakman op veel gebieden. 4Hij kan iets bedenken en het daarna maken, in goud, zilver, koper en brons. 5Hij kan edelstenen bewerken en ze vastzetten. Hij kan hout bewerken, en hij kan nog veel meer.

6Oholiab, de zoon van Achisamach, uit de stam Dan, zal hem overal bij helpen. Ik heb ervoor gezorgd dat ook alle anderen die meewerken, goed zijn in hun vak. Ze kunnen alles maken wat ik met je besproken heb: 7de heilige tent, de kist met de wet en het deksel dat op de kist moet liggen, alle voorwerpen die bij de tent horen, 8de tafel en alles wat erbij hoort, de kandelaar en alles wat erbij hoort, het altaar voor de wierook, 9het altaar voor de offers en alles wat erbij hoort, de waterbak en het onderstel voor de bak, 10de priesterkleren voor Aäron en zijn zonen, 11de heilige olie en de wierook voor de heilige tent.

Ze moeten alles precies zo maken als ik je gezegd heb.’

Er mag op sabbat nooit gewerkt worden

12De Heer zei tegen Mozes: 13‘Zeg namens mij tegen de Israëlieten: ‘Jullie moeten steeds de sabbat vieren. Want zo laten jullie zien dat jullie een bijzonder volk voor mij zijn. 14Houd je dus aan de sabbat. Het is een heilige dag voor jullie.

Wie zich niet aan de sabbat houdt, moet gedood worden. Wie dan werkt, mag niet meer bij het volk van Israël horen. 15Zes dagen mogen jullie werken. Maar op de zevende dag is het sabbat. Dan mag er beslist niet gewerkt worden. Die dag is voor mij bestemd. Wie op die dag werkt, moet gedood worden.

16-17Jullie moeten altijd de sabbat blijven vieren. Dat is een afspraak tussen mij en jullie, die voor alle generaties geldt. Het is een teken dat ik, de Heer, in zes dagen de hemel en de aarde gemaakt heb, en dat ik op de zevende dag uitrustte.’’

God geeft de stenen platen met de wet

18Dat alles zei God tegen Mozes op de berg Sinai. Daarna gaf hij aan Mozes twee stenen platen. Daarop had God zelf zijn wetten en regels geschreven.

32

Het volk vereert een stier

Aäron maakt een beeld van een stier

321De Israëlieten wachtten tot Mozes terug zou komen van de berg Sinai. Maar het duurde erg lang. Toen gingen ze naar Aäron, en zeiden: ‘Mozes is de man die ons uit Egypte weggehaald heeft. Maar we weten niet wat er met hem gebeurd is. Maak daarom een god voor ons! Dan kan die ons door de woestijn leiden.’

2Aäron zei: ‘Dat is goed. Geef me dan eerst alle gouden sieraden van jullie vrouwen, zonen en dochters.’ 3Meteen deden alle Israëlieten hun gouden sieraden af en gaven die aan Aäron. 4Aäron liet de sieraden smelten, en van het goud maakte hij een beeld van een stier.

De Israëlieten riepen: ‘Dit is onze god. Hij heeft ons weggehaald uit Egypte!’ 5Toen Aäron dat hoorde, bouwde hij een altaar voor het beeld. Hij zei: ‘Morgen is er een feest voor de Heer.’

6De volgende ochtend stond iedereen vroeg op. Ze brachten offers aan het beeld, en daarna gingen ze zitten eten en drinken. Het werd een vrolijk feest.

De Heer is kwaad op de Israëlieten

7De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga terug, de berg af. Want dat volk van jou, dat je uit Egypte gehaald hebt, gedraagt zich heel slecht. 8Ze doen nu al niet meer wat ik gezegd heb. Ze hebben een stierenbeeld gemaakt. Ze hebben voor het beeld geknield en ze hebben er offers aan gebracht. Ze zeiden: ‘Dit is onze god. Hij heeft ons weggehaald uit Egypte!’

9Ik ken dit volk, Mozes! Ik weet hoe ongehoorzaam de Israëlieten zijn. 10Ik ben woedend op hen. Ik zal hen allemaal vernietigen, het hele volk. En probeer me niet tegen te houden!

Maar van jou zal ik een groot volk maken.’

De Heer blijft niet kwaad

11Mozes probeerde de Heer, zijn God, op andere gedachten te brengen. Hij zei: ‘Natuurlijk bent u kwaad. Maar u hebt uw grote macht laten zien, toen u uw volk uit Egypte bevrijdde. 12Als u de Israëlieten nu vernietigt, zullen de Egyptenaren zeggen: ‘Hij heeft hen wel bevrijd, maar alleen om hun kwaad te doen. Hij wilde hen in de bergen doden en van de aarde laten verdwijnen!’

Dat wilt u toch niet? Wees toch niet boos meer! Doe uw volk toch geen kwaad! 13Denk aan uw dienaren Abraham, Isaak en Jakob. U hebt plechtig beloofd om hun zo veel nakomelingen te geven als er sterren aan de hemel zijn. En het land dat u hun beloofde, zou u voor altijd aan die nakomelingen geven.’

14Toen kreeg de Heer er spijt van dat hij zijn volk had willen vernietigen.

Mozes wordt woedend

15Mozes draaide zich om en ging de berg af. Hij had de twee stenen platen met de wet in zijn handen. Er was aan twee kanten op geschreven, aan de voorkant en aan de achterkant. 16God had de platen gemaakt, en God had er zelf op geschreven.

17Jozua, die bij Mozes was, hoorde het lawaai van de Israëlieten. Hij zei: ‘Ik hoor geschreeuw in het kamp. Het lijkt wel of er oorlog is.’ 18Mozes zei: ‘Het klinkt niet als juichen omdat ze gewonnen hebben. En ook niet als klagen omdat ze verloren hebben. Ze zijn hard aan het zingen, dat hoor ik.’

19Toen Mozes dichter bij het kamp was, zag hij het stierenbeeld. En hij zag de Israëlieten dansen. Hij werd woedend, en onder aan de berg gooide hij de stenen platen kapot. 20Daarna verbrandde hij het stierenbeeld. De resten sloeg hij kapot, en de as strooide hij op het water. Dat water moesten de Israëlieten drinken.

Mozes vraagt uitleg aan Aäron

21Mozes zei tegen Aäron: ‘Hoe kon zoiets verschrikkelijks gebeuren? Wat heeft het volk met je gedaan dat je dit goedvond?’

22Aäron antwoordde: ‘Wees alsjeblieft niet boos! Je weet hoe dit volk is. Ze willen altijd verkeerde dingen doen. 23Ze zeiden tegen mij: ‘Maak een god voor ons. Dan kan die ons door de woestijn leiden. Want we weten niet wat er met Mozes gebeurd is, die ons uit Egypte heeft weggehaald.’ 24Ik zei toen dat ik goud nodig had voor zo’n beeld. Meteen deden ze al hun sieraden af en gaven die aan mij. Ik heb het goud in het vuur gegooid, en toen werd het die stier.’

Mozes straft het volk

25Nu begreep Mozes het. Dat beeld was er gekomen omdat Aäron de Israëlieten niet tegengehouden had. En Mozes wist dat de vijanden de Israëlieten zouden uitlachen om hun gedrag.

26Hij ging bij de ingang van het kamp staan en zei: ‘Iedereen die voor de Heer is, moet hier komen.’ Alle mannen van de stam Levi kwamen bij Mozes staan.

27Mozes zei tegen hen: ‘De Heer, de God van Israël, wil dat jullie je zwaard pakken en door het kamp gaan. Ga van de ene kant naar de andere kant en dood iedereen die je tegenkomt. Ook als het je broer is, of je vriend, of iemand van je familie.’

28De Levieten deden wat Mozes gezegd had. Er werden die dag ongeveer drieduizend mensen gedood. 29Mozes zei tegen de Levieten: ‘Jullie hebben vandaag laten zien dat je bij de Heer hoort. Want jullie hebben voor hem zelfs je eigen familie gedood. De Heer zal jullie daarvoor belonen.’

Mozes vraagt de Heer om vergeving

30De volgende ochtend zei Mozes tegen de Israëlieten: ‘Jullie hebben verschrikkelijke dingen gedaan. Daarom zal ik de berg op gaan om met de Heer te spreken. Misschien wil hij jullie vergeven, als ik het vraag.’

31En Mozes ging terug naar de Heer. Hij zei: ‘Ach, Heer! De Israëlieten hebben iets verschrikkelijks gedaan. Ze hebben een god van goud gemaakt. 32Maar ik vraag u om hen te vergeven. En als u dat niet wilt, wilt u mij dan straffen in plaats van hen?’

33De Heer antwoordde: ‘Alleen de mensen die iets verkeerds gedaan hebben, zal ik straffen. Zij mogen niet meer bij mij horen. 34Reis nu maar verder met het volk. Ga naar de plaats die ik je genoemd heb. Mijn engel zal vooropgaan en jullie de weg wijzen. Maar ooit zal ik de Israëlieten straffen voor wat ze gedaan hebben.’

35Dat heeft de Heer later ook gedaan. Hij heeft de Israëlieten gestraft omdat ze Aäron een stierenbeeld hadden laten maken.