Bijbel in Gewone Taal (BGT)
22

221Stel dat iemand ’s nachts die dief ziet stelen en hem doodt. Dan geldt dat niet als moord. 2Maar als iemand de dief overdag ziet stelen en hem doodt, dan geldt het als moord.

De dief moet terugbetalen wat hij gestolen heeft. Als hij daar te arm voor is, dan wordt hij zelf als slaaf verkocht. 3Als het gestolen dier nog leeft, dan moet de dief het teruggeven met nog een extra dier erbij.

Als je iemands oogst vernielt

4Stel dat iemand zijn dieren op zijn akker of in zijn wijngaard laat lopen. En stel dat zijn dieren ook het koren op de akker van iemand anders opeten. Dan moet hij die ander betalen. Hij moet hem de oogst van het beste stuk van zijn eigen akker of wijngaard geven.

5Stel dat iemand iets verbrandt en dat er droge struiken in brand vliegen. Stel dat er ook koren op de akker in brand vliegt, of koren dat al gemaaid is. Dan moet de man die de brand aangestoken heeft, alle schade betalen.

Als je op iemands spullen past

6Stel dat iemand aan een ander geld of spullen geeft om erop te passen. En stel dat alles dan uit het huis van die ander gestolen wordt. Als de dief gevonden wordt, moet hij het dubbele terugbetalen. 7Maar als de dief niet gevonden wordt, moet de eigenaar van het huis verklaren dat hij de spullen niet zelf gestolen heeft. Dat moet hij plechtig verklaren in de tempel.

8Stel dat twee mensen ruzie hebben over een koe, een ezel, een schaap of een geit, over een kledingstuk, of over iets anders. En ze zeggen allebei dat ze de eigenaar van het dier of het ding zijn. Dan moeten ze God om hulp vragen. Als God één van de twee als dief aanwijst, moet die aan de ander het dubbele terugbetalen.

Als je op iemands dier past

9Stel dat iemand aan een ander vraagt of hij op zijn dier wil passen. Maar stel dat het dier dan doodgaat, gewond raakt of gestolen wordt. En niemand heeft gezien wat er gebeurd is. 10En de man die op het dier paste, zegt dat hij het dier niets gedaan heeft. Dat verklaart hij plechtig voor God. Dan moet de eigenaar van het dier daar tevreden mee zijn. De man hoeft hem niets te betalen. 11Maar als de man het dier gestolen heeft, moet hij daarvoor betalen. 12En als het dier door een wild dier gedood is, moet de man het dode dier als bewijs aan de eigenaar geven. Maar dan hoeft hij niets te betalen.

13Stel dat iemand een dier van een ander leent, en dat het dier gewond raakt of doodgaat. Als de eigenaar er niet bij was, moet de ander het dier terugbetalen. 14Als de eigenaar er wel bij was, hoeft de ander niets te betalen. En als het dier gehuurd was, dan hoeft hij alleen de huurprijs te betalen.

Als je een meisje verleidt

15Stel dat een man een meisje verleidt en met haar naar bed gaat. Dan moet hij met haar trouwen en aan haar vader de prijs voor een bruid betalen. 16Maar stel dat haar vader haar niet wil laten trouwen. Dan moet die man toch de prijs voor een bruid betalen.

Regels over drie ernstige misdaden

17Iemand die geesten oproept, moet gedood worden.

18Iemand die seks heeft met een dier, moet gedood worden.

19Iemand die offers brengt aan andere goden, moet gedood worden. Er mogen alleen offers gebracht worden aan de Heer.’

Zorg voor arme mensen

20De Heer gaf ook de volgende regels: ‘Jullie mogen een vreemdeling niet onderdrukken of slecht behandelen. Want jullie zijn zelf ook vreemdelingen geweest, toen jullie in Egypte waren. 21Weduwen mag je niet slecht behandelen, en ook kinderen zonder vader niet. 22Als je dat toch doet en als ze mij dan om hulp vragen, zal ik naar hen luisteren. 23Dan zal ik kwaad worden en jullie doden. Dan hebben jullie eigen vrouwen geen man meer. En dan hebben jullie eigen kinderen geen vader meer.

24Als je geld leent aan een Israëliet die arm is, mag je er niet aan verdienen. Je mag geen rente vragen. 25Stel dat die arme zijn jas aan jou geeft als bewijs dat hij het geleende geld zal terugbetalen. Dan moet je zijn jas nog dezelfde dag teruggeven. 26Want hij heeft zijn jas nodig om onder te slapen. Hij heeft niets anders dat hij als deken kan gebruiken. Als hij mij om hulp vraagt, zal ik naar hem luisteren. Want ik ben een God die medelijden heeft met mensen.

Heb eerbied voor God

27Jullie moeten eerbied hebben voor mij en voor de leiders van het volk.

28Jullie beste koren en jullie beste druiven zijn voor mij. Ook je oudste zoon is voor mij. 29En ook het eerste kalf, lammetje of geitje dat geboren wordt, is voor mij. Het jonge dier mag zeven dagen bij zijn moeder blijven. Daarna moet je het aan mij geven.

30Jullie moeten leven als mensen die bij mij horen. Daarom moet je geen vlees eten van een dier dat door een roofdier gedood is. Dat vlees moet je aan de honden geven.

23

Spreek in een rechtszaak de waarheid

231Je mag in een rechtszaak iemand niet vals beschuldigen. En je mag niet liegen om een misdadiger te helpen. 2Je moet altijd de waarheid spreken in een rechtszaak. Als bijna alle andere mensen liegen, moet je toch de waarheid spreken. 3Je mag in een rechtszaak ook niet liegen om iemand te helpen die arm is.

Help de dieren van je vijand

4Stel dat de koe of de ezel van je vijand verdwaald is. En stel dat jij dat dier vindt. Dan moet je het terugbrengen.

5Stel dat een ezel in elkaar zakt onder zijn zware last. Dan mag je niet blijven toekijken, maar dan moet je meteen helpen. Ook al is de ezel van iemand met wie je ruzie hebt.

Wees eerlijk in een rechtszaak

6Je moet in een rechtszaak iemand die arm is, eerlijk behandelen. 7Luister niet naar leugens. Want misschien krijgt dan iemand die onschuldig is, de doodstraf. Als dat gebeurt, zul je door mij gestraft worden.

8Neem geen cadeaus aan in een rechtszaak. Want dat leidt tot oneerlijkheid en tot liegen.

9Je mag een vreemdeling niet slecht behandelen. Jullie weten wat het is om een vreemdeling te zijn. Want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte.

Werken en rusten

10-11Jullie mogen zes jaar achter elkaar zaaien en oogsten op je akkers, in je wijngaard en in je olijftuin. Maar het zevende jaar moet je het land met rust laten. Dan mag je niet zaaien en oogsten. Wat er dan nog groeit, mogen de arme Israëlieten opeten. En wat er daarna nog over is, is voor de dieren.

12Jullie mogen zes dagen werken. Maar op de zevende dag moet je rusten. Dan kunnen je koe en je ezel ook uitrusten. En ook je slaven en de vreemdelingen die voor je werken.

Drie feesten

13Jullie moeten je houden aan alle regels die ik jullie gegeven heb. Jullie mogen geen andere goden vereren. Je mag zelfs hun naam niet noemen.

14Drie keer per jaar moeten jullie een feest vieren voor mij.

15Ten eerste het Feest van het Brood zonder Gist. Vier dat in de maand dat jullie uit Egypte weggegaan zijn. Zeven dagen moet je dan brood zonder gist eten, zoals ik jullie eerder gezegd heb. Iedereen moet mij dan offers brengen.

16Ten tweede het oogstfeest in het begin van de zomer, als je de eerste oogst van het land haalt.

Ten derde het oogstfeest in de herfst, als je de hele oogst van het land gehaald hebt.

17Alle mannen moeten mij, de machtige Heer, dus drie keer per jaar vereren.

Andere regels

18Als je een dier aan mij offert, mag je geen brood met gist bij het offer doen. Het vet van het dier mag je niet bewaren tot de volgende dag.

19Het eerste koren dat je van het land haalt en de eerste vruchten die je plukt, moet je bij mij in de tempel brengen.

Je mag het vlees van een geitje niet koken in melk van de moedergeit.’

De engel van de Heer

20Daarna zei de Heer tegen Mozes: ‘Ik zal een engel sturen. Hij zal vooropgaan, en jou en het volk de weg wijzen. Hij zal jullie onderweg beschermen en jullie naar het land brengen dat ik aan jullie zal geven.

21Luister goed naar de engel en doe wat hij zegt. Hij komt namens mij. Als jullie je tegen hem verzetten, worden jullie gestraft. 22Maar als jullie naar hem luisteren en alles doen wat ik wil, dan zal ik tegen jullie vijanden vechten. Dan zijn jullie vijanden ook mijn vijanden.

23Mijn engel zal vooropgaan, en jullie de weg wijzen. Hij zal jullie brengen naar het land waar nu nog andere volken wonen: de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Kanaänieten, de Chiwwieten en de Jebusieten. Al die volken zal ik vernietigen.

24Jullie moeten niet met die volken meedoen. Vereer hun goden niet en kniel niet voor hun beelden. Ik wil dat jullie hun beelden en heilige stenen kapotslaan. 25Vereer alleen mij, de Heer, jullie God. Dan zal ik zorgen dat jullie eten en drinken hebben, en dat jullie gezond blijven. 26Dan zullen alle vrouwen gezonde kinderen krijgen. En jullie zullen lang leven.

God zal alle andere volken wegjagen

27Alle volken zullen in paniek raken als ze horen dat jullie eraan komen. Ze zullen bang zijn voor jullie, omdat ze bang zijn voor mij. Iedereen zal vluchten. 28Ze zullen voor jullie vluchten, zoals je voor een zwerm wespen vlucht.

Ik zal de Kanaänieten en de andere volken wegjagen. 29Maar ik zal ze niet allemaal in één jaar wegjagen. Want dan zou het land onbewoond zijn, en dan zouden er te veel wilde dieren komen. 30Ik zal die volken langzaamaan wegjagen. Totdat jullie zo veel nakomelingen hebben dat jullie in het hele land kunnen gaan wonen.

31Het land dat ik aan jullie geef, is het gebied van de Rietzee tot aan de Middellandse Zee, van de woestijn tot aan de rivier de Eufraat. Ik zal ervoor zorgen dat jullie machtiger worden dan iedereen die in dat gebied woont. Jullie zullen alle inwoners wegjagen.

32Sluit geen vriendschap met die volken en beloof niets aan hun goden. 33Zorg dat die volken niet in jullie land blijven wonen. Anders zouden zij jullie leren om hun goden te gaan vereren en een slecht leven te leiden. Dan zou het helemaal verkeerd met jullie gaan.’

24

Mozes moet de berg op gaan

241De Heer zei tegen Mozes: ‘Kom naar mij toe op de berg. Je moet Aäron meebrengen, en ook Nadab en Abihu en zeventig leiders van het volk. Op een afstand moeten jullie dan voor mij knielen.

2Mozes, jij mag dicht bij mij komen. Alleen jij, de anderen niet. En het volk moet helemaal beneden blijven.’

Het volk zal de Heer gehoorzamen

3Toen ging Mozes naar het volk toe. Hij vertelde hun welke wetten en regels de Heer gegeven had. Het volk antwoordde: ‘We zullen ons houden aan alle wetten en regels van de Heer.’ 4Toen schreef Mozes alles op wat de Heer gezegd had.

De volgende ochtend maakte Mozes onder aan de berg een altaar. Hij zette daar ook twaalf grote stenen rechtop, voor elke stam van Israël één. 5Hij gaf aan een paar jonge mannen opdracht om stieren te slachten. Die werden daarna geofferd aan de Heer. 6Mozes bewaarde de helft van het bloed van de dieren in schalen. De andere helft goot hij over het altaar.

7Daarna pakte hij het boek met de wetten en regels van de Heer, en hij las alles voor. Het volk zei: ‘We zullen de Heer gehoorzamen. We zullen ons houden aan alles wat hij gezegd heeft.’

8Toen nam Mozes de schalen met bloed, en hij spatte het bloed over het volk heen. Hij zei: ‘De Heer heeft jullie al deze wetten en regels gegeven, en jullie hebben beloofd je daaraan te houden. Dit bloed is het teken daarvan.’

Mozes gaat de berg op

9Toen ging Mozes de berg op, met Aäron, Nadab, Abihu en zeventig leiders van het volk. 10Ze zagen de God van Israël. Het leek alsof er onder Gods voeten een vloer was van prachtige blauwe steentjes. Die steentjes schitterden als de hemel.

11Die belangrijke Israëlieten zagen God, maar zij stierven niet. God liet hen verder leven.

Mozes blijft veertig dagen op de berg

12Opnieuw zei de Heer tegen Mozes: ‘Kom naar mij toe op de berg, en blijf daar wachten. Dan zal ik je twee stenen platen geven, waarop ik mijn wetten en regels geschreven heb. Jij moet het volk leren dat ze zich daaraan moeten houden.’

13Mozes ging de berg van God op. Zijn dienaar Jozua ging met hem mee. 14Tegen de leiders van het volk zei Mozes: ‘Wacht hier totdat wij terugkomen. Aäron en Chur blijven bij jullie. Als er problemen zijn, kunnen jullie hun om hulp vragen.’

15Terwijl Mozes de berg Sinai op ging, hing er een wolk boven de berg. 16De Heer was op de berg aanwezig in een stralend licht. Zes dagen lang was de berg bedekt door de wolk. Op de zevende dag riep de Heer Mozes vanuit de wolk. 17-18Mozes ging de wolk in. Hij klom verder omhoog, naar de top van de berg. Daar bleef hij veertig dagen en nachten. De Israëlieten zagen op de top van de berg een groot vuur. Ze begrepen dat de Heer in het vuur aanwezig was.