Bijbel in Gewone Taal (BGT)
19

God komt naar de berg Sinai

Mozes gaat naar God toe

191-2De Israëlieten vertrokken uit Refidim en gingen naar de Sinai-woestijn. Toen ze daar aankwamen, was het precies twee maanden geleden dat ze uit Egypte vertrokken waren. Ze zetten hun tenten op vlak bij de berg Sinai.

3Mozes klom de berg op, naar God toe. De Heer gaf hem opdracht om namens hem tegen de Israëlieten te zeggen: 4‘Jullie hebben gezien wat ik, de Heer, met de Egyptenaren gedaan heb. En jullie hebben gemerkt dat ik jullie snel en veilig hier bij mij gebracht heb. 5Nu moeten jullie goed naar mij luisteren. En jullie moeten je houden aan de afspraken met mij. Dan zullen jullie een kostbaar bezit voor mij zijn. De hele aarde is van mij, en alle volken zijn van mij. 6Maar jullie zijn echt mijn volk. Jullie zijn heilig, jullie zullen mij dienen.’

Dat moest Mozes tegen de Israëlieten gaan zeggen.

Mozes vertelt wat God gezegd heeft

7Mozes ging terug. Toen hij weer bij de Israëlieten was, riep hij de leiders van het volk bij zich. Hij vertelde hun alles wat de Heer gezegd had. 8-9Toen antwoordde het hele volk: ‘We zullen alles doen wat de Heer gezegd heeft.’

Mozes ging terug naar de Heer. De Heer zei: ‘Ik zal dicht bij je komen, in een donkere wolk. Dan kan het volk het ook horen als ik met je spreek. En dan zullen ze voor altijd vertrouwen in jou hebben.’ Daarna vertelde Mozes aan de Heer wat het volk gezegd had.

God zal op de berg Sinai komen

10Toen zei de Heer tegen Mozes: ‘Ga terug naar het volk. De mensen moeten zich vandaag en morgen voorbereiden op een ontmoeting met mij. En ze moeten hun kleren wassen. Ga dat tegen ze zeggen.

11Over twee dagen moeten ze klaarstaan. Dan kom ik uit de hemel naar beneden, op de berg Sinai. Het hele volk zal dat zien. 12De mensen moeten om de berg heen gaan staan. Maar niemand mag de berg op gaan. Waarschuw de mensen om niet te dicht bij de berg te komen. Als iemand dat toch doet, moet hij gedood worden. 13Maar hij mag dan door niemand aangeraakt worden. Hij moet gedood worden met stenen of met pijlen. Dat geldt ook voor een dier dat de berg op gaat. Pas als het geluid van een trompet klinkt, mogen de mensen de berg op.’

14-15Mozes ging weer de berg af, naar het volk toe. Hij zei tegen de mensen: ‘De Heer zal dichtbij komen. Daarom moeten jullie je voorbereiden. Over twee dagen moeten jullie klaarstaan. Voor die tijd moet je je kleren wassen. En tot die tijd mag je niet met elkaar naar bed gaan.’

God daalt af naar de berg Sinai

16Twee dagen later begon het vroeg in de ochtend te onweren. Er hing een donkere wolk boven de berg. En er werd hard op een trompet geblazen. De mensen in het kamp beefden van schrik. 17Mozes ging met het volk het kamp uit, naar God toe. Onder aan de berg bleven ze staan.

18Om de berg Sinai heen was allemaal rook. Want de Heer kwam uit de hemel naar beneden in een vuur. De rook ging omhoog, en de hele berg schudde. 19Het geluid van de trompet klonk steeds harder. Mozes sprak, en God antwoordde hem met een geweldig geluid. 20De Heer was nu op de top van de berg. Hij riep dat Mozes naar hem toe moest komen.

Toen klom Mozes de berg op.

Mozes en Aäron mogen de berg op

21Op de berg zei de Heer tegen Mozes: ‘Ga naar beneden en waarschuw het volk. Ze mogen niet hierheen komen om mij te zien. Want dan zullen er veel mensen sterven. 22Ook de priesters, die anders altijd wel bij me mogen komen, moeten nu op een afstand blijven. Anders zal ik ze straffen.’

23Mozes zei tegen de Heer: ‘Maar de mensen zullen de berg helemaal niet op gaan! U hebt ons toch gewaarschuwd? U hebt gezegd dat de berg heilig is en dat we om de berg heen moeten gaan staan.’

24De Heer zei: ‘Ga naar beneden, en kom weer terug met Aäron. Zorg dat de priesters en de andere mensen niet omhoogklimmen. Als zij naar me toe komen, zal ik ze straffen.’

25Mozes ging terug naar het volk om dat te zeggen.

20

Tien belangrijke regels

201God gaf de Israëlieten de volgende belangrijke regels.

Regels over het vereren van God

Hij zei: 2‘Ik ben de Heer, jullie God. Ik heb jullie uit Egypte weggehaald, en bevrijd uit de slavernij.

3Vereer geen andere goden. Vereer alleen mij.

4Maak geen beeld van een mens, of van een dier dat in de lucht, op het land of in het water leeft. 5Je mag geen beelden vereren of ervoor knielen. Want ik, de Heer, ben jullie God. Ik wil niet dat jullie andere goden dienen.

Als iemand mij ontrouw is en andere goden gaat dienen, zal ik hem straffen. Dan straf ik hem en ook zijn nakomelingen, tot en met de vierde generatie. 6Maar als iemand mij liefheeft en zich aan mijn regels houdt, zal ik goed voor hem zijn. Ik zal ook goed zijn voor zijn nakomelingen, zelfs voor de duizendste generatie.

7Spreek mijn naam niet zomaar uit, zonder nadenken. Als iemand dat toch doet, zal ik hem straffen.

8Vier de sabbat, want dat is een bijzondere dag. 9Zes dagen mogen jullie werken en bezig zijn met alles wat je moet doen. 10Maar de zevende dag is een dag die voor mij bestemd is. Dan mag je niet werken. Ook je zoon, je dochter, je slaaf en je slavin mogen niet werken. Je dieren mogen niet voor je werken. En ook de vreemdelingen die in jullie steden wonen, mogen niet werken. 11Ik heb in zes dagen de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat daar leeft. Maar ik rustte op de zevende dag. Daarom heb ik de zevende dag gezegend. Ik heb er een heilige dag van gemaakt.

Regels over het omgaan met anderen

12Heb respect voor je vader en je moeder. Dan zul je lang leven in het land dat ik je zal geven.

13Vermoord niemand.

14Ga niet vreemd.

15Steel niet.

16Vertel bij de rechter geen leugens over iemand.

17Verlang niet naar iets dat van een ander is. Blijf af van zijn huis, zijn vrouw, zijn slaaf of slavin, zijn koe of zijn ezel, en van al zijn bezit.’

De Israëlieten durven niet meer naar God te luisteren

18Het hele volk hoorde het geluid van de donder en van de trompet. Ze zagen de bliksem en de rokende berg. Ze beefden, gingen een eind achteruit en bleven op een afstand staan. 19Ze zeiden tegen Mozes: ‘Als u tegen ons spreekt, zullen we luisteren. Maar God moet niet meer tegen ons spreken. Want dan zullen we sterven.’

20Maar Mozes zei: ‘Jullie hoeven niet bang te zijn. God is gekomen om te zien of jullie hem vertrouwen. Hij wil dat jullie eerbied voor hem hebben. Want dan zullen jullie doen wat hij wil.’

21Toen ging Mozes naar de donkere wolk toe waar God in aanwezig was. Het volk bleef op een afstand staan.

God geeft nog andere regels

Regels voor het maken van een altaar

22De Heer zei tegen Mozes: ‘Zeg namens mij tegen de Israëlieten: ‘Jullie hebben nu meegemaakt dat ik vanuit de hemel met jullie gesproken heb. 23Jullie mogen geen andere goden maken, goden van goud of van zilver. Jullie moeten alleen mij vereren. 24Niet alleen hier, maar overal waar ik vereerd wil worden. Dan zal ik naar jullie toe komen en jullie zegenen.

Jullie moeten voor mij een altaar van aarde maken. Daarop moet je offers aan mij brengen: schapen, geiten en koeien. 25Jullie mogen ook een altaar van steen voor mij maken. Maar dan moet je de stenen niet bewerken met gereedschap van ijzer. Want dan is het altaar niet heilig meer. 26Maak geen trap naar het altaar. Want als de priester omhoog moet klimmen, kunnen de mensen onder zijn kleren kijken.’’

21

Regels over slaven

211De Heer zei: ‘Geef ook de volgende regels aan het volk.

2Als iemand een Israëlitische slaaf gekocht heeft, moet die slaaf zes jaar voor zijn meester werken. In het zevende jaar is de slaaf vrij. Hij hoeft niets te betalen, hij mag gewoon weggaan. 3Als de slaaf geen vrouw had toen hij kwam, moet hij ook zonder vrouw weggaan. Als hij getrouwd was, dan mag hij zijn vrouw meenemen.

4Stel dat zijn meester een vrouw aan de slaaf gegeven heeft. Dan blijft de vrouw slavin van zijn meester. Als ze kinderen gekregen heeft, blijven die ook slaven. De slaaf moet dan zonder zijn vrouw en kinderen weggaan.

5Maar stel dat de slaaf liever bij zijn meester blijft, en bij zijn vrouw en kinderen. Stel dat hij niet als vrij man weg wil gaan. 6Dan blijft hij voor altijd slaaf van zijn meester. Dan moet zijn meester hem meenemen naar de tent van God. Daar moet hij met een scherpe pin een gaatje maken in het oor van de slaaf.

Regels over slavinnen

7Een meisje dat door haar vader verkocht is als slavin, blijft haar hele leven slavin van haar meester. 8Maar stel dat haar meester haar als extra vrouw genomen heeft en niet meer van haar houdt. Dan moet hij vragen of haar familie haar terug wil kopen. Hij mag haar niet aan een vreemde verkopen. Want hij heeft haar als vrouw genomen en hij heeft beloofd haar trouw te blijven.

9-11Stel dat de meester er nog een vrouw bij neemt. Dan moet hij de slavin ook als zijn vrouw blijven behandelen. Hij moet haar eten en kleren geven, en met haar slapen. Als hij al die dingen niet doet, dan is ze vrij en mag ze bij hem weggaan.

Stel dat de meester de slavin die hij gekocht heeft, als vrouw aan zijn zoon geeft. Dan moet de meester haar net zo behandelen als een vrouw die geen slavin is.

Regels als iemand een ander doodt of ontvoert

12Iemand die een ander doodslaat, moet zelf gedood worden. 13Maar als het per ongeluk gebeurt, zonder dat hij het wilde, mag hij vluchten. Hij mag dan naar een plaats gaan die ik nog zal aanwijzen. 14Maar als iemand met opzet en heel bewust een ander doodt, moet hij zelf ook gedood worden. Zelfs als hij naar mijn altaar gevlucht is.

15-17Iemand die zijn vader of moeder mishandelt, moet gedood worden. Ook iemand die zijn vader of moeder vervloekt, moet gedood worden.

Iemand die een ander ontvoert, moet gedood worden. Het maakt niet uit of hij die ander verkocht heeft of hem als slaaf bij zich gehouden heeft.

Als iemand een ander slaat

18Stel dat twee mensen ruzie hebben. De één slaat de ander met zijn vuist of met een steen. De ander sterft niet, maar raakt wel gewond. 19Hij wordt weer beter en kan na een tijd met een stok lopen. Dan hoeft de dader niet gestraft te worden. Maar hij moet wel geld betalen. Want het slachtoffer kon een tijd niet werken, en moest ook de dokter betalen.

20Stel dat iemand zijn slaaf of slavin met een stok slaat. Als die slaaf of slavin direct sterft, dan moet de eigenaar van de slaaf gestraft worden. 21Maar dat hoeft niet als de slaaf of slavin nog een paar dagen leeft en dan pas sterft. Want de eigenaar is dan al genoeg gestraft, omdat hij zijn slaaf niet meer heeft.

Als een zwangere vrouw slachtoffer is

22Stel dat twee mannen vechten en dat één van hen per ongeluk een zwangere vrouw raakt. Stel dat de vrouw dan een miskraam krijgt, maar zelf niet gewond is. Dan moet de dader een boete betalen. De man van de vrouw moet zeggen hoe hoog die boete moet zijn. En de rechter moet opletten of de boete betaald wordt.

23Maar als er iets met die vrouw zelf gebeurt, dan geldt het volgende: de straf hangt af van wat er gebeurd is. Misschien sterft de vrouw. 24Misschien raakt ze een oog of een tand kwijt, of een hand of een voet. 25Misschien heeft ze een wond, een blauwe plek of een schram. Welke straf de dader dan krijgt, hangt af van wat er gebeurd is.

Als iemand zijn eigen slaaf slaat

26-27Stel dat iemand zijn slaaf of slavin slaat. En stel dat die slaaf of slavin een oog of een tand moet missen. Dan moet de dader voor straf zijn slaaf of slavin vrijlaten.

Als iemands stier gevaarlijk is

28Stel dat een stier een man of een vrouw doodt. Dan moet die stier gedood worden. Niemand mag het vlees van die stier eten. Maar de eigenaar van de stier wordt niet gestraft.

29Stel dat de eigenaar wist dat zijn stier gevaarlijk was, maar hem toch niet vastgezet heeft. Als de stier dan een man of een vrouw doodt, moet niet alleen de stier gedood worden, maar ook zijn eigenaar. 30Of de eigenaar moet een boete betalen. Hij moet alles betalen wat er gevraagd wordt.

31Die regels gelden ook als de stier een kind doodt. 32Maar als de stier een slaaf of een slavin doodt, dan moet de eigenaar van de stier 30 zilverstukken betalen. En de stier moet gedood worden.

Als een dier doodgaat

33Stel dat iemand een put graaft en er geen deksel op legt. En stel dat er dan een koe of een ezel in die put valt. 34Dan moet de eigenaar van de put een boete betalen aan de eigenaar van het dier. Het dode dier is voor de eigenaar van de put.

35Stel dat een stier een andere stier doodt. Dan moet de levende stier verkocht worden. Het geld moeten de eigenaars van de stieren delen. Ook het vlees van de dode stier moeten ze delen. 36Maar stel dat de eigenaar van de ene stier wist dat zijn stier gevaarlijk was, en dat hij hem toch niet vastgezet heeft. En stel dat de gevaarlijke stier een andere stier doodt. Dan moet die eigenaar de prijs van de dode stier betalen. Hij mag het dode dier houden.

Als je een dier steelt

37Stel dat iemand een koe, een schaap of een geit steelt. En stel dat hij het dier slacht of verkoopt. Dan moet die dief een boete betalen. Voor één koe moet hij vijf koeien terugbetalen. Voor één schaap of geit moet hij vier schapen of geiten terugbetalen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]