Bijbel in Gewone Taal (BGT)
17

De Israëlieten willen water

171Vanuit de Sin-woestijn gingen de Israëlieten weer verder. Ze reisden van de ene plaats naar de andere. De Heer zei steeds waar ze naartoe moesten gaan.

Zo kwamen ze in Refidim. Daar was geen water om te drinken. 2Toen begonnen de Israëlieten ruzie te maken met Mozes. ‘Geef ons te drinken,’ zeiden ze. ‘Vooruit, geef ons water!’ Mozes zei: ‘Waarom maken jullie ruzie met mij? Waarom vertrouwen jullie niet op de Heer?’

3Maar de Israëlieten bleven protesteren, omdat ze heel erge dorst hadden. Ze zeiden tegen Mozes: ‘Waarom hebt u ons uit Egypte gehaald? Wilt u ons hier laten sterven? En onze kinderen en ons vee ook?’

God zorgt voor water

4Toen vroeg Mozes hulp aan de Heer. Hij riep: ‘Wat moet ik met dit volk doen? Straks zullen ze me doden!’

5-6De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga met de Israëlieten naar de berg Horeb. Jij moet met een paar leiders van het volk vooruitlopen. Neem de stok mee waarmee je op het water van de Nijl geslagen hebt. Ik zal bij de berg Horeb op je wachten bij de rots. Als je op die rots slaat, zal er water uit stromen. En dan kan het volk drinken.’

Mozes sloeg op de rots, en de leiders van het volk zagen wat er gebeurde. 7Mozes noemde die plek ‘Massa en Meriba’. Daar hadden de Israëlieten ruziegemaakt met Mozes. Ze hadden niet op de Heer vertrouwd, maar gevraagd: ‘Is de Heer nu bij ons of niet?’

Israël verslaat de Amalekieten

8Toen de Israëlieten in Refidim waren, werden ze aangevallen door de Amalekieten. 9Mozes zei tegen Jozua: ‘Kies een aantal mannen uit. Met hen moet je morgen tegen de Amalekieten gaan vechten. Ik zal dan zelf boven op de heuvel gaan staan, met in mijn hand de stok die God mij gegeven heeft.’

10Jozua deed wat Mozes gezegd had en vocht tegen de Amalekieten. Mozes ging de heuvel op, samen met Aäron en Chur. 11Mozes hield zijn stok omhoog. Zolang hij dat deed, waren de Israëlieten het sterkst. Als hij zijn arm liet zakken, waren de Amalekieten het sterkst.

12Maar Mozes’ armen werden moe. Daarom pakten Aäron en Chur een grote steen waar Mozes op kon zitten. En ze gingen naast hem staan om zijn armen te ondersteunen. Daardoor kon Mozes zijn armen omhooghouden totdat de zon onderging. 13Zo kon Jozua het leger van de Amalekieten verslaan.

Mozes bouwt een altaar

14De Heer zei tegen Mozes: ‘Jullie moeten goed onthouden wat er gebeurd is. Daarom moet je het opschrijven. En zeg tegen Jozua dat er niets van de Amalekieten zal overblijven. Ik zal ervoor zorgen dat ze door iedereen vergeten worden.’

15Toen bouwde Mozes daar een altaar. Hij noemde het ‘De Heer heeft mij de overwinning gegeven’. 16En hij zei: ‘Er zal altijd oorlog zijn tussen de Heer en de Amalekieten. Want de Amalekieten hebben zich tegen de Heer verzet.’

18

Jetro gaat naar Mozes

181-4De schoonvader van Mozes heette Jetro. Jetro was priester en woonde in Midjan. Ook zijn dochter Sippora, de vrouw van Mozes, woonde daar. Want Mozes had haar weer naar haar vader gestuurd, met hun twee zonen.

Jetro hoorde wat God allemaal voor Mozes en het volk van Israël gedaan had. Hij hoorde dat God de Israëlieten uit Egypte weggehaald had. Hij besloot naar Mozes toe te gaan. Hij nam Sippora en haar zonen mee.

De ene zoon van Sippora heette Gersom. Toen hij geboren werd, had Mozes gezegd: ‘Ik ben een vreemdeling. Ik woon in een land dat ik niet ken.’ De andere zoon heette Eliëzer. Toen hij geboren werd, had Mozes gezegd: ‘De God van mijn vader heeft mij geholpen. Hij heeft mij gered van de farao.’

Jetro dankt God

5Jetro ging naar de woestijn en kwam bij de berg Horeb. Daar was het kamp van Mozes en de Israëlieten. 6Jetro stuurde iemand naar Mozes om te zeggen dat hij eraan kwam, samen met Sippora en haar zonen.

7Mozes ging Jetro tegemoet en begroette hem met een buiging en een kus. Ze vroegen aan elkaar of alles goed ging. Toen gingen ze de tent van Mozes in.

8Mozes vertelde aan Jetro wat de Heer allemaal gedaan had. Wat hij met de farao en de Egyptenaren gedaan had om de Israëlieten te bevrijden. En hoe hij het volk steeds weer gered had uit alle moeilijkheden onderweg. 9Jetro was blij dat de Heer zo goed geweest was voor het volk van Israël. 10-11Hij zei: ‘Ik dank de Heer! De Egyptenaren en de farao hebben jullie onderdrukt. Ze behandelden jullie heel slecht. Maar de Heer heeft jullie bevrijd. De Heer is machtiger dan alle andere goden. Dat weet ik nu!’

12Daarna dankte Jetro God met offers. En hij hield een feestmaal ter ere van God. Ook Aäron en alle leiders van het volk deden daaraan mee.

Mozes heeft het te druk

13De volgende dag ging Mozes rechtspreken over het volk. De hele dag kwamen er mensen bij hem met hun problemen. 14Jetro zag hoe druk Mozes het had. Hij zei: ‘Waarom doe je dit alleen? De hele dag staan er mensen te wachten en jij moet alles alleen doen.’

15Mozes zei: ‘Ze komen bij mij om te vragen wat God wil. 16Als ze ruzie hebben, vragen ze mij om raad. Ik beslis dan wie er gelijk heeft. En ik vertel hun wat er in de wetten en regels van God staat.’

17‘Je doet het niet goed,’ zei Jetro. 18‘Je wordt veel te moe. En ook de mensen die staan te wachten, worden moe. Dit werk is te zwaar voor je. Je kunt het niet alleen.

Jetro geeft Mozes raad

19Luister, God zal je helpen. Ik zal je een goede raad geven. Het is goed dat jij namens het volk met God spreekt. Jij moet hun problemen aan hem vertellen. 20En jij moet Gods wetten en regels uitleggen aan het volk. Je moet aan hen vertellen hoe ze moeten leven en wat ze moeten doen.

21Maar je moet mensen zoeken om je te helpen. Kies een paar verstandige mannen uit. Zij moeten eerbied voor God hebben. Ze moeten eerlijk zijn en niet voor geld iemand gelijk geven. Geef die mannen de leiding over het volk. Verdeel het volk in groepen van tien, van vijftig, van honderd en van duizend. Elke groep komt onder leiding van één van de mannen die jij uitgekozen hebt. 22Zij moeten dan rechtspreken over het volk. Grote problemen moeten ze aan jou vertellen, maar kleine problemen kunnen ze zelf oplossen. Zo wordt jouw werk makkelijker, omdat zij je helpen. 23Als je het zo doet, en als God het wil, kun je het werk volhouden. En alle mensen gaan dan tevreden naar huis.’

Mozes doet wat Jetro gezegd heeft

24Mozes luisterde naar zijn schoonvader en deed wat die gezegd had. 25Hij koos uit het volk een paar verstandige mannen. Die gaf hij de leiding over groepen van tien, van vijftig, van honderd en van duizend mensen. 26Die mannen waren ook rechters. Elke dag beslisten ze zelf over kleine problemen, en de grote problemen vertelden ze aan Mozes.

27Toen nam Mozes afscheid van zijn schoonvader. En Jetro ging terug naar zijn eigen land.

19

God komt naar de berg Sinai

Mozes gaat naar God toe

191-2De Israëlieten vertrokken uit Refidim en gingen naar de Sinai-woestijn. Toen ze daar aankwamen, was het precies twee maanden geleden dat ze uit Egypte vertrokken waren. Ze zetten hun tenten op vlak bij de berg Sinai.

3Mozes klom de berg op, naar God toe. De Heer gaf hem opdracht om namens hem tegen de Israëlieten te zeggen: 4‘Jullie hebben gezien wat ik, de Heer, met de Egyptenaren gedaan heb. En jullie hebben gemerkt dat ik jullie snel en veilig hier bij mij gebracht heb. 5Nu moeten jullie goed naar mij luisteren. En jullie moeten je houden aan de afspraken met mij. Dan zullen jullie een kostbaar bezit voor mij zijn. De hele aarde is van mij, en alle volken zijn van mij. 6Maar jullie zijn echt mijn volk. Jullie zijn heilig, jullie zullen mij dienen.’

Dat moest Mozes tegen de Israëlieten gaan zeggen.

Mozes vertelt wat God gezegd heeft

7Mozes ging terug. Toen hij weer bij de Israëlieten was, riep hij de leiders van het volk bij zich. Hij vertelde hun alles wat de Heer gezegd had. 8-9Toen antwoordde het hele volk: ‘We zullen alles doen wat de Heer gezegd heeft.’

Mozes ging terug naar de Heer. De Heer zei: ‘Ik zal dicht bij je komen, in een donkere wolk. Dan kan het volk het ook horen als ik met je spreek. En dan zullen ze voor altijd vertrouwen in jou hebben.’ Daarna vertelde Mozes aan de Heer wat het volk gezegd had.

God zal op de berg Sinai komen

10Toen zei de Heer tegen Mozes: ‘Ga terug naar het volk. De mensen moeten zich vandaag en morgen voorbereiden op een ontmoeting met mij. En ze moeten hun kleren wassen. Ga dat tegen ze zeggen.

11Over twee dagen moeten ze klaarstaan. Dan kom ik uit de hemel naar beneden, op de berg Sinai. Het hele volk zal dat zien. 12De mensen moeten om de berg heen gaan staan. Maar niemand mag de berg op gaan. Waarschuw de mensen om niet te dicht bij de berg te komen. Als iemand dat toch doet, moet hij gedood worden. 13Maar hij mag dan door niemand aangeraakt worden. Hij moet gedood worden met stenen of met pijlen. Dat geldt ook voor een dier dat de berg op gaat. Pas als het geluid van een trompet klinkt, mogen de mensen de berg op.’

14-15Mozes ging weer de berg af, naar het volk toe. Hij zei tegen de mensen: ‘De Heer zal dichtbij komen. Daarom moeten jullie je voorbereiden. Over twee dagen moeten jullie klaarstaan. Voor die tijd moet je je kleren wassen. En tot die tijd mag je niet met elkaar naar bed gaan.’

God daalt af naar de berg Sinai

16Twee dagen later begon het vroeg in de ochtend te onweren. Er hing een donkere wolk boven de berg. En er werd hard op een trompet geblazen. De mensen in het kamp beefden van schrik. 17Mozes ging met het volk het kamp uit, naar God toe. Onder aan de berg bleven ze staan.

18Om de berg Sinai heen was allemaal rook. Want de Heer kwam uit de hemel naar beneden in een vuur. De rook ging omhoog, en de hele berg schudde. 19Het geluid van de trompet klonk steeds harder. Mozes sprak, en God antwoordde hem met een geweldig geluid. 20De Heer was nu op de top van de berg. Hij riep dat Mozes naar hem toe moest komen.

Toen klom Mozes de berg op.

Mozes en Aäron mogen de berg op

21Op de berg zei de Heer tegen Mozes: ‘Ga naar beneden en waarschuw het volk. Ze mogen niet hierheen komen om mij te zien. Want dan zullen er veel mensen sterven. 22Ook de priesters, die anders altijd wel bij me mogen komen, moeten nu op een afstand blijven. Anders zal ik ze straffen.’

23Mozes zei tegen de Heer: ‘Maar de mensen zullen de berg helemaal niet op gaan! U hebt ons toch gewaarschuwd? U hebt gezegd dat de berg heilig is en dat we om de berg heen moeten gaan staan.’

24De Heer zei: ‘Ga naar beneden, en kom weer terug met Aäron. Zorg dat de priesters en de andere mensen niet omhoogklimmen. Als zij naar me toe komen, zal ik ze straffen.’

25Mozes ging terug naar het volk om dat te zeggen.