Bijbel in Gewone Taal (BGT)
16

De Israëlieten klagen

161Vanuit Elim reisden de Israëlieten weer verder. Op de vijftiende dag van de tweede maand na hun vertrek uit Egypte kwamen ze in de Sin-woestijn. Dat is tussen Elim en de berg Sinai.

2-3Daar in de woestijn begonnen de Israëlieten weer te protesteren. Ze riepen tegen Mozes en Aäron: ‘Had de Heer ons maar laten sterven in Egypte! Daar hadden we meer dan genoeg vlees en brood te eten. Waarom hebben jullie ons naar deze woestijn gebracht? Hier zullen we allemaal sterven van de honger!’

De Heer belooft brood

4-5Toen zei de Heer tegen Mozes: ‘Ik zal ervoor zorgen dat jullie weer brood krijgen. Het zal als regen uit de hemel komen. Elke dag moeten de mensen dan genoeg brood verzamelen voor één dag. Alleen op de zesde dag moeten ze twee keer zo veel verzamelen en klaarmaken. Zo kan ik zien of ze zich houden aan mijn regels en of ze mij vertrouwen.’

6Mozes en Aäron zeiden tegen de Israëlieten: ‘Vanavond zullen jullie begrijpen dat het de Heer is die jullie uit Egypte weggehaald heeft. 7-8En morgenochtend zullen jullie zien hoe machtig hij is. De Heer heeft jullie gehoord. Jullie klaagden tegen ons, maar wij zijn onbelangrijk. Eigenlijk hebben jullie tegen de Heer geklaagd. Vanavond zal de Heer ervoor zorgen dat er vlees te eten is. En morgen zal er meer dan genoeg brood zijn. Want de Heer heeft jullie gehoord.’

De Heer verschijnt in de woestijn

9Daarna zei Mozes tegen Aäron: ‘De Heer heeft gehoord hoe de mensen protesteerden. Zeg daarom tegen het volk dat iedereen nu moet knielen voor de Heer.’ 10Aäron zei dat tegen het volk.

Iedereen knielde, met zijn gezicht naar de woestijn. Toen verscheen de Heer in een wolk van stralend licht. 11Hij zei tegen Mozes: 12‘Ik heb gehoord hoe de Israëlieten protesteerden. Zeg tegen hen dat ze vanavond vlees zullen eten en morgen brood. Dan zullen ze begrijpen wie ik ben: de Heer, hun God.’

De Israëlieten krijgen eten

13Die avond kwamen er heel veel vogels aanvliegen. Ze kwamen in het kamp van de Israëlieten terecht.

De volgende ochtend regende het zachtjes. 14Toen het droog werd, was de grond in de woestijn bedekt met een dun wit laagje. Het leek net of het gevroren had. 15De Israëlieten zagen het, maar ze begrepen niet wat het was. ‘Wat is dat?’ zeiden ze tegen elkaar. Mozes zei: ‘Dat is het brood dat de Heer jullie te eten geeft. 16Hij wil dat je er zo veel van opraapt als je nodig hebt. Iedereen mag 2 kilo oprapen voor elke persoon die in zijn tent woont.’

17De Israëlieten deden wat Mozes gezegd had. Sommigen raapten meer op dan anderen, 18maar niemand had te veel of te weinig. Iedereen had genoeg.

Er is elke dag eten

19Mozes zei dat ze het eten niet mochten bewaren tot de volgende dag. 20Sommige mensen luisterden niet en bewaarden het toch. Maar de volgende ochtend zaten er wormen in het eten, en het stonk. Mozes werd kwaad op de mensen die het eten bewaard hadden.

21Elke ochtend raapte iedereen zo veel eten op als hij nodig had. Zodra de zon fel ging schijnen, begon het eten te smelten. 22Op de zesde dag van de week raapte iedereen twee keer zo veel op als anders: 4 kilo per persoon. Toen de leiders van het volk dat aan Mozes vertelden, 23zei hij: ‘Zo wil de Heer het. Morgen is het een bijzondere dag. Dan is het sabbat, een rustdag ter ere van de Heer. Jullie kunnen nu het eten voor vandaag klaarmaken. De rest moet je bewaren voor morgen.’

Op de zevende dag is er geen eten

24Iedereen bewaarde dus wat eten voor de volgende dag. En die dag ging het niet stinken, en er zaten ook geen wormen in. 25‘Dit kunnen jullie vandaag eten,’ zei Mozes. ‘Want vandaag zullen jullie buiten niets vinden. Vandaag is het sabbat, een rustdag ter ere van de Heer. 26Zes dagen kunnen jullie eten oprapen. Maar de zevende dag niet. Dan is het sabbat.’

27Sommige mensen gingen toch eten zoeken, maar ze vonden niets. 28Toen zei de Heer tegen Mozes: ‘Jullie willen niet luisteren naar mijn wetten en regels. Hoe lang blijft dat nog zo? 29Ik heb jullie de rustdag gegeven. Daarom is er op de zesde dag eten voor twee dagen. Op de zevende dag moet iedereen thuisblijven. Niemand mag dan het kamp uit.’

30Toen hield iedereen rust op de zevende dag.

Het eten wordt manna genoemd

31De Israëlieten noemden het eten ‘manna’. Het manna zag eruit als grote zaadkorrels. Het was wit en het smaakte net als honingkoek.

32Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘De Heer wil dat we 2 kilo manna bewaren voor de toekomst. Dan kan iedereen later het brood uit de woestijn zien. Dan weten ze wat de Heer ons te eten gaf toen hij ons uit Egypte weghaalde.’

33Daarna zei hij tegen Aäron: ‘Je moet 2 kilo manna in een kruik doen. Die kruik moet je neerzetten op de plek waar de Heer vereerd wordt. Daar zullen we het manna bewaren voor de mensen die na ons leven.’ 34Aäron deed wat de Heer tegen Mozes gezegd had. Hij zette de kruik met manna voor de heilige kist van de Heer.

35-36De Israëlieten hebben veertig jaar lang manna gegeten. Elke dag was er voor iedereen 2 kilo. Ze aten manna totdat ze weer in bewoond land kwamen, bij de grens van het land Kanaän.

17

De Israëlieten willen water

171Vanuit de Sin-woestijn gingen de Israëlieten weer verder. Ze reisden van de ene plaats naar de andere. De Heer zei steeds waar ze naartoe moesten gaan.

Zo kwamen ze in Refidim. Daar was geen water om te drinken. 2Toen begonnen de Israëlieten ruzie te maken met Mozes. ‘Geef ons te drinken,’ zeiden ze. ‘Vooruit, geef ons water!’ Mozes zei: ‘Waarom maken jullie ruzie met mij? Waarom vertrouwen jullie niet op de Heer?’

3Maar de Israëlieten bleven protesteren, omdat ze heel erge dorst hadden. Ze zeiden tegen Mozes: ‘Waarom hebt u ons uit Egypte gehaald? Wilt u ons hier laten sterven? En onze kinderen en ons vee ook?’

God zorgt voor water

4Toen vroeg Mozes hulp aan de Heer. Hij riep: ‘Wat moet ik met dit volk doen? Straks zullen ze me doden!’

5-6De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga met de Israëlieten naar de berg Horeb. Jij moet met een paar leiders van het volk vooruitlopen. Neem de stok mee waarmee je op het water van de Nijl geslagen hebt. Ik zal bij de berg Horeb op je wachten bij de rots. Als je op die rots slaat, zal er water uit stromen. En dan kan het volk drinken.’

Mozes sloeg op de rots, en de leiders van het volk zagen wat er gebeurde. 7Mozes noemde die plek ‘Massa en Meriba’. Daar hadden de Israëlieten ruziegemaakt met Mozes. Ze hadden niet op de Heer vertrouwd, maar gevraagd: ‘Is de Heer nu bij ons of niet?’

Israël verslaat de Amalekieten

8Toen de Israëlieten in Refidim waren, werden ze aangevallen door de Amalekieten. 9Mozes zei tegen Jozua: ‘Kies een aantal mannen uit. Met hen moet je morgen tegen de Amalekieten gaan vechten. Ik zal dan zelf boven op de heuvel gaan staan, met in mijn hand de stok die God mij gegeven heeft.’

10Jozua deed wat Mozes gezegd had en vocht tegen de Amalekieten. Mozes ging de heuvel op, samen met Aäron en Chur. 11Mozes hield zijn stok omhoog. Zolang hij dat deed, waren de Israëlieten het sterkst. Als hij zijn arm liet zakken, waren de Amalekieten het sterkst.

12Maar Mozes’ armen werden moe. Daarom pakten Aäron en Chur een grote steen waar Mozes op kon zitten. En ze gingen naast hem staan om zijn armen te ondersteunen. Daardoor kon Mozes zijn armen omhooghouden totdat de zon onderging. 13Zo kon Jozua het leger van de Amalekieten verslaan.

Mozes bouwt een altaar

14De Heer zei tegen Mozes: ‘Jullie moeten goed onthouden wat er gebeurd is. Daarom moet je het opschrijven. En zeg tegen Jozua dat er niets van de Amalekieten zal overblijven. Ik zal ervoor zorgen dat ze door iedereen vergeten worden.’

15Toen bouwde Mozes daar een altaar. Hij noemde het ‘De Heer heeft mij de overwinning gegeven’. 16En hij zei: ‘Er zal altijd oorlog zijn tussen de Heer en de Amalekieten. Want de Amalekieten hebben zich tegen de Heer verzet.’

18

Jetro gaat naar Mozes

181-4De schoonvader van Mozes heette Jetro. Jetro was priester en woonde in Midjan. Ook zijn dochter Sippora, de vrouw van Mozes, woonde daar. Want Mozes had haar weer naar haar vader gestuurd, met hun twee zonen.

Jetro hoorde wat God allemaal voor Mozes en het volk van Israël gedaan had. Hij hoorde dat God de Israëlieten uit Egypte weggehaald had. Hij besloot naar Mozes toe te gaan. Hij nam Sippora en haar zonen mee.

De ene zoon van Sippora heette Gersom. Toen hij geboren werd, had Mozes gezegd: ‘Ik ben een vreemdeling. Ik woon in een land dat ik niet ken.’ De andere zoon heette Eliëzer. Toen hij geboren werd, had Mozes gezegd: ‘De God van mijn vader heeft mij geholpen. Hij heeft mij gered van de farao.’

Jetro dankt God

5Jetro ging naar de woestijn en kwam bij de berg Horeb. Daar was het kamp van Mozes en de Israëlieten. 6Jetro stuurde iemand naar Mozes om te zeggen dat hij eraan kwam, samen met Sippora en haar zonen.

7Mozes ging Jetro tegemoet en begroette hem met een buiging en een kus. Ze vroegen aan elkaar of alles goed ging. Toen gingen ze de tent van Mozes in.

8Mozes vertelde aan Jetro wat de Heer allemaal gedaan had. Wat hij met de farao en de Egyptenaren gedaan had om de Israëlieten te bevrijden. En hoe hij het volk steeds weer gered had uit alle moeilijkheden onderweg. 9Jetro was blij dat de Heer zo goed geweest was voor het volk van Israël. 10-11Hij zei: ‘Ik dank de Heer! De Egyptenaren en de farao hebben jullie onderdrukt. Ze behandelden jullie heel slecht. Maar de Heer heeft jullie bevrijd. De Heer is machtiger dan alle andere goden. Dat weet ik nu!’

12Daarna dankte Jetro God met offers. En hij hield een feestmaal ter ere van God. Ook Aäron en alle leiders van het volk deden daaraan mee.

Mozes heeft het te druk

13De volgende dag ging Mozes rechtspreken over het volk. De hele dag kwamen er mensen bij hem met hun problemen. 14Jetro zag hoe druk Mozes het had. Hij zei: ‘Waarom doe je dit alleen? De hele dag staan er mensen te wachten en jij moet alles alleen doen.’

15Mozes zei: ‘Ze komen bij mij om te vragen wat God wil. 16Als ze ruzie hebben, vragen ze mij om raad. Ik beslis dan wie er gelijk heeft. En ik vertel hun wat er in de wetten en regels van God staat.’

17‘Je doet het niet goed,’ zei Jetro. 18‘Je wordt veel te moe. En ook de mensen die staan te wachten, worden moe. Dit werk is te zwaar voor je. Je kunt het niet alleen.

Jetro geeft Mozes raad

19Luister, God zal je helpen. Ik zal je een goede raad geven. Het is goed dat jij namens het volk met God spreekt. Jij moet hun problemen aan hem vertellen. 20En jij moet Gods wetten en regels uitleggen aan het volk. Je moet aan hen vertellen hoe ze moeten leven en wat ze moeten doen.

21Maar je moet mensen zoeken om je te helpen. Kies een paar verstandige mannen uit. Zij moeten eerbied voor God hebben. Ze moeten eerlijk zijn en niet voor geld iemand gelijk geven. Geef die mannen de leiding over het volk. Verdeel het volk in groepen van tien, van vijftig, van honderd en van duizend. Elke groep komt onder leiding van één van de mannen die jij uitgekozen hebt. 22Zij moeten dan rechtspreken over het volk. Grote problemen moeten ze aan jou vertellen, maar kleine problemen kunnen ze zelf oplossen. Zo wordt jouw werk makkelijker, omdat zij je helpen. 23Als je het zo doet, en als God het wil, kun je het werk volhouden. En alle mensen gaan dan tevreden naar huis.’

Mozes doet wat Jetro gezegd heeft

24Mozes luisterde naar zijn schoonvader en deed wat die gezegd had. 25Hij koos uit het volk een paar verstandige mannen. Die gaf hij de leiding over groepen van tien, van vijftig, van honderd en van duizend mensen. 26Die mannen waren ook rechters. Elke dag beslisten ze zelf over kleine problemen, en de grote problemen vertelden ze aan Mozes.

27Toen nam Mozes afscheid van zijn schoonvader. En Jetro ging terug naar zijn eigen land.