Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

De Israëlieten worden onderdrukt

Het aantal Israëlieten groeit

11-4Jakob was naar Egypte gegaan met zijn zonen en hun gezinnen. Die zonen heetten: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issachar, Zebulon, Benjamin, Dan, Naftali, Gad en Aser. 5In totaal waren er zeventig nakomelingen van Jakob met hem meegegaan naar Egypte. Zijn zoon Jozef woonde daar toen al.

6Na een tijd stierven Jozef en zijn broers, en alle mensen van die generatie. 7Maar hun nakomelingen kregen veel kinderen. Dat waren de Israëlieten. Er kwamen steeds meer Israëlieten, ze woonden overal in Egypte.

Het volk moet voor de farao werken

8Toen kwam er in Egypte een nieuwe farao. Die farao wist niets over Jozef. 9Hij zei tegen de Egyptenaren: ‘Er zijn te veel Israëlieten. En ze zijn sterker dan wij. 10We moeten verstandig zijn en zorgen dat er niet nog meer Israëlieten bij komen. Want stel dat er oorlog komt. Dan vechten ze misschien met onze vijanden mee, en daarna zouden ze weg kunnen vluchten uit ons land.’

11Toen moesten de Israëlieten voor de farao gaan werken. Ze moesten twee steden bouwen: Pitom en Raämses. Daar wilde de farao zijn voorraden bewaren. De Israëlieten werden gedwongen om heel hard te werken. En er kwamen bewakers die hen als slaven behandelden.

12Maar hoe hard de Israëlieten ook moesten werken, er werden toch steeds meer kinderen geboren. Er kwamen zo veel Israëlieten, dat de Egyptenaren een vreselijke hekel aan hen kregen. 13-14De Israëlieten moesten daarom steeds harder werken. Ze moesten stenen bakken van klei en zwaar werk doen op het land. Ze werden als slaven behandeld, en ze werden geslagen en geschopt.

De farao laat de jongetjes doden

15Op een dag liet de farao de Israëlitische vroedvrouwen bij zich komen. Zij heetten Sifra en Pua. 16Hij zei tegen hen: ‘Als een Israëlitische vrouw een kind krijgt, moet je goed opletten. Als het een jongetje is, moet je hem doden. Als het een meisje is, mag ze blijven leven.’

17Maar de vroedvrouwen deden niet wat de farao gezegd had. Ze lieten de jongetjes leven. Want ze hadden eerbied voor God.

18De farao liet de vroedvrouwen weer bij zich komen. Hij vroeg: ‘Waarom doen jullie niet wat ik wil? Waarom laten jullie de jongetjes leven?’ 19De vroedvrouwen antwoordden: ‘De Israëlitische vrouwen zijn anders dan de Egyptische vrouwen. Ze zijn zo sterk! Ze krijgen hun kind al voordat wij erbij zijn.’

20Zo kwamen er steeds meer Israëlieten. God zorgde ook goed voor de vroedvrouwen. 21Omdat ze eerbied voor hem hadden, gaf hij hun ook kinderen.

22Toen zei de farao tegen zijn hele volk: ‘Alle pasgeboren jongetjes van de Israëlieten moeten in de Nijl gegooid worden. De meisjes mogen blijven leven.’

2

De geboorte van Mozes

Een vrouw redt haar zoon

21Een man uit de stam Levi trouwde met een vrouw uit dezelfde stam. 2Zij werd zwanger en ze kreeg een zoon. Toen ze zag hoe mooi hij was, verstopte ze hem. Drie maanden lang hield ze hem verborgen.

3Toen de vrouw haar zoon niet langer kon verbergen, pakte ze een rieten mand. Die maakte ze waterdicht, en ze legde het kind erin. Daarna zette ze de mand in de rivier de Nijl, tussen het riet. 4De zus van het jongetje bleef in de buurt. Want ze wilde zien wat er verder met hem zou gebeuren.

Het kind wordt gevonden

5Even later kwam de dochter van de farao naar de Nijl. Ze ging een bad nemen in de rivier, terwijl haar slavinnen langs de kant heen en weer liepen. Opeens zag ze de mand tussen het riet. Ze liet hem halen door een slavin. 6Toen ze de mand opendeed, zag ze het kind. Het jongetje huilde, en de dochter van de farao kreeg medelijden. ‘Ach,’ zei ze, ‘het is een Israëlitisch jongetje.’

7Toen kwam de zus van het jongetje eraan. Ze zei: ‘Zal ik een Israëlitische vrouw zoeken die het kind de borst kan geven?’ 8‘Ja,’ zei de dochter van de farao, ‘doe dat maar.’

Het meisje ging haar moeder halen. 9De dochter van de farao zei tegen de moeder: ‘Neem dit kind mee en voed het voor me. Ik zal u ervoor betalen.’ De moeder nam haar kind mee en voedde het.

10Toen het jongetje groot genoeg was, bracht de moeder hem naar de dochter van de farao. Die adopteerde het kind en ze gaf hem een naam. Ze noemde hem Mozes. Ze zei: ‘Ik heb hem uit het water gehaald.’

Mozes vlucht

Mozes slaat een Egyptenaar dood

11Op een keer kwam Mozes bij de mensen van zijn eigen volk. Hij was toen al volwassen. Hij zag hoe hard de Israëlieten moesten werken. Hij zag ook dat een Israëliet geslagen werd door een Egyptenaar. 12Mozes keek om zich heen en zag dat er verder niemand in de buurt was. Toen sloeg hij de Egyptenaar dood. Hij verborg hem vlug onder het zand.

13De volgende dag zag Mozes twee Israëlieten met elkaar vechten. Hij vroeg aan de man die begonnen was: ‘Waarom sla je iemand van je eigen volk?’ 14De man zei: ‘Waar bemoei jij je mee? Wie zegt dat jij de baas bent over ons? Wil je mij soms ook doodslaan, net als die Egyptenaar?’ Mozes schrok. Hij dacht: De mensen weten dus wat ik gedaan heb.

15Toen de farao hoorde wat er gebeurd was, wilde hij Mozes laten doden. Maar Mozes vluchtte.

Mozes woont in Midjan

Mozes ging naar het land Midjan. Toen hij daar bij een waterput zat, 16kwamen de zeven dochters van de priester van Midjan eraan. Ze begonnen de schapen en geiten van hun vader water te geven. 17Toen kwamen er herders aan die hen weg wilden jagen. Maar Mozes ging eropaf om de meisjes te helpen. Daarna gaf hij hun dieren te drinken.

18Toen de meisjes thuiskwamen, vroeg hun vader: ‘Hoe komt het dat jullie vandaag zo vroeg terug zijn?’ 19Ze zeiden: ‘Een Egyptenaar heeft ons geholpen toen de herders ons weg wilden jagen. En hij heeft ook water voor ons gehaald en de dieren te drinken gegeven.’

20‘En waar is die man nu?’ vroeg hun vader. ‘Waarom hebben jullie hem bij de put achtergelaten? Ga hem halen, dan kan hij bij ons eten.’

21Mozes ging met de meisjes mee naar hun vader. Daarna bleef hij daar wonen. Eén van de dochters, Sippora, werd zijn vrouw. 22Toen zij een zoon kreeg, noemde Mozes hem Gersom. ‘Ik ben een vreemdeling hier,’ zei Mozes. ‘Ik woon in een land dat ik niet ken.’

God krijgt medelijden met zijn volk

23Jaren later stierf de farao. Maar de Israëlieten hadden het nog steeds erg moeilijk, omdat ze als slaven moesten werken. Ze schreeuwden om hulp, en God hoorde hen. 24Hij luisterde naar hen. Hij dacht aan wat hij beloofd had aan Abraham, Isaak en Jakob. 25Hij zag hoe moeilijk de Israëlieten het hadden, en hij kreeg medelijden met hen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]