Bijbel in Gewone Taal (BGT)
8

Mordechai krijgt een hoge functie

81-2Diezelfde dag nog liet de koning Mordechai bij zich in het paleis komen. Want Ester had hem verteld dat Mordechai haar neef was. De koning deed zijn ring af en gaf hem aan Mordechai. Het was dezelfde ring die hij eerst aan Haman gegeven had.

De koning gaf alle bezittingen van Haman, de vijand van de Joden, aan Ester. En Ester vroeg aan Mordechai of hij ervoor wilde zorgen.

De Joden mogen zich verdedigen

Ester vraagt de koning om hulp

3Toen liet Ester zich voor de voeten van de koning vallen. Ze huilde, en smeekte hem: ‘Alstublieft, doe iets tegen het vreselijke plan van Haman!’

4De koning wees met zijn gouden staf naar Ester. Ester raakte de staf aan en stond op. Ze ging voor de koning staan 5en zei: ‘Koning, als u echt van mij houdt, doet u dan het volgende. Als u het goedvindt, geef dan het bevel om een nieuwe brief te schrijven. Een brief waarin staat dat de brieven van Haman niet meer geldig zijn. Want in die brieven staat dat alle Joden in het hele land gedood moeten worden. 6Maar ik kan mijn volk niet laten vermoorden! Ik wil mijn familie niet zien sterven!’

Er moet een nieuwe brief komen

7De koning zei tegen Ester en Mordechai: ‘De bezittingen van Haman heb ik al aan Ester gegeven. En Haman zelf is aan een paal opgehangen omdat hij de Joden wilde doden. 8Maar ik kan een koninklijke brief niet zomaar ongeldig maken. Want die is namens mij geschreven. Het stempel van mijn ring staat erop.

Jullie moeten dus zelf een nieuwe brief schrijven. Schrijf daarin wat volgens jullie goed is voor de Joden. Zet er met mijn ring een stempel op. Dan is de brief geschreven namens mij.’

Mordechai en Ester schrijven een brief

9Meteen daarna lieten Ester en Mordechai de schrijvers van de koning komen. Dat was op de 23ste dag van de derde maand. De schrijvers schreven alles op, precies zoals Mordechai het hun zei. Ze schreven het in brieven voor de Joden en voor de bestuurders van alle steden en alle provincies. Dat waren in totaal 127 provincies, van India tot in Afrika. Elke provincie en elk volk kreeg een brief in zijn eigen taal. Ook de Joden kregen een brief in hun eigen taal.

De Joden mogen zich verdedigen

10-14Mordechai schreef de brieven namens koning Ahasveros. Hij zette er een stempel op met de koninklijke ring.

In de brieven stond het volgende: ‘Koning Ahasveros geeft de Joden in alle steden toestemming om zich te verzamelen en om te vechten tegen hun vijanden. Dat mag gebeuren op de dertiende dag van de twaalfde maand. Op die dag mogen de Joden zich verdedigen. Ze mogen iedereen doden die hun vrouwen en kinderen aanvalt. En ze mogen alle bezittingen van hun vijanden afpakken. Het maakt niet uit van welk volk die vijanden zijn, of uit welke provincie ze komen.’

Dit moest aan alle volken in alle provincies bekend worden gemaakt. En het moest opgeschreven worden als wet. Zo konden de Joden zich voorbereiden op die dag. Dan konden ze klaarstaan om hun vijanden te doden.

De koning liet de brieven rondbrengen door mannen op snelle koninklijke paarden. Ook in de stad Susa werd de wet bekendgemaakt.

De Joden vieren feest

15Toen liep Mordechai het paleis uit. Hij had prachtige kleren aan van blauw en wit linnen. Daaroverheen droeg hij een koninklijke mantel van witte en rode stof. En op zijn hoofd had hij een grote gouden kroon.

In de stad Susa werd gejuicht en gefeest. 16Er kwam nu een tijd van licht en vreugde voor de Joden. Ze waren blij. En iedereen in Susa had respect voor hen.

17In alle provincies en in alle steden werd de wet van de koning bekendgemaakt. Alle Joden hoorden de wet, en ze juichten van blijdschap. Ze maakten er een feestdag van, met lekker eten en drinken.

Veel mensen gingen de God van de Joden vereren, omdat ze bang geworden waren voor de Joden.

9

De Joden doden hun vijanden

91Het werd de dertiende dag van de twaalfde maand. Op die dag moest de wet van de koning uitgevoerd worden. De vijanden van de Joden hoopten dat ze zouden winnen. Maar dat gebeurde juist niet. Het waren de Joden die wonnen van hun vijanden.

2In alle steden van het koninkrijk verzamelden de Joden zich om hun vijanden te doden. Niemand kon van de Joden winnen. Dat kwam doordat iedereen bang voor ze was. 3En ook doordat alle belangrijke bestuurders en ambtenaren de Joden steunden. Die deden dat omdat ze bang waren voor Mordechai. 4Want Mordechai had een hoge functie in het paleis gekregen. Zijn naam was bekend in alle provincies en hij kreeg steeds meer macht.

Er worden veel mensen gedood

5-10De Joden konden met hun vijanden doen wat ze wilden. Ze doodden veel vijanden, maar van hun bezittingen bleven ze af. In de stad Susa doodden de Joden wel vijfhonderd mensen. Ook doodden ze de tien zonen van hun vijand Haman. Dat waren Parsandata, Dalfon, Aspata, Porata, Adalja, Aridata, Parmasta, Arisai, Aridai en Waizata.

11De koning hoorde hoeveel mensen er in Susa gedood waren. 12Hij zei tegen Ester: ‘Alleen al in de stad Susa hebben de Joden vijfhonderd mensen gedood. Ook de tien zonen van Haman. Hoeveel mensen zullen ze dan wel niet gedood hebben in alle andere provincies!’

Ester stelt nog twee vragen

Daarna vroeg de koning aan Ester: ‘Wat wilt u verder nog vragen? Ik zal het u geven. Wat is uw wens? U zult het krijgen.’ 13Ester antwoordde: ‘Als u het goedvindt, geef dan de Joden in Susa toestemming om ook morgen hun vijanden te doden. En geef ze toestemming om de lichamen van Hamans tien zonen aan een paal op te hangen.’

14De koning zei dat het zo moest gebeuren. Er werd in Susa een nieuwe wet gemaakt. En de lichamen van Hamans tien zonen werden aan een paal opgehangen.

15In Susa kwamen dus ook op de veertiende dag van de twaalfde maand de Joden bij elkaar. Ze doodden daar op die dag driehonderd mensen. Maar van de bezittingen van de doden bleven ze af.

De Joden vieren feest

Feest op de veertiende dag

16-17In de andere delen van het koninkrijk was hetzelfde gebeurd. Ook daar waren de Joden bij elkaar gekomen om te vechten voor hun leven. Op de dertiende dag van de twaalfde maand hadden ze 75.000 vijanden gedood. Maar van de bezittingen van de doden bleven ze af.

Op de veertiende dag van die maand hadden ze rust. Daarom maakten ze van die dag een feestdag, met lekker eten en drinken. 18-19Zo komt het dat de Joden buiten de steden nu nog steeds op de veertiende dag feestvieren. Ze sturen op die dag lekker eten naar elkaar toe.

Feest op de vijftiende dag

Maar de Joden in Susa vochten op de dertiende en op de veertiende dag. Zij hadden pas rust op de vijftiende dag van de twaalfde maand. Daarom maakten zij van die vijftiende dag een feestdag.

Mordechai geeft regels voor het feest

20Mordechai schreef al die gebeurtenissen op. Hij schreef brieven naar alle Joden in alle delen van het koninkrijk. 21Hij schreef over de veertiende en vijftiende dag van de twaalfde maand. Die twee dagen moesten voortaan elk jaar gevierd worden. 22Want op die dagen hadden de Joden rust gekregen. Op die dagen waren ze niet meer bang voor hun vijanden. In die maand was verdriet veranderd in vreugde, en was rouw veranderd in feest.

De Joden moesten op die dagen dus feestvieren, en lekker eten en drinken. Ze moesten elkaar dan ook lekkere dingen sturen, en cadeaus geven aan de arme mensen.

23Na hun overwinning waren de Joden zelf begonnen met feesten. Voortaan zouden ze dat elk jaar op die dagen doen. Want dat had Mordechai hun in zijn brief gezegd.

Waarom het feest Poeriem heet

24Zo was het gegaan: Haman, de zoon van Hammedata, uit de familie van Agag, was de vijand van de Joden. Hij had een plan bedacht om de Joden te doden. Hij wilde ze allemaal bang maken en vernietigen. Om daar de juiste dag voor te kiezen, had hij het lot laten werpen.

25Maar Ester was naar de koning gegaan. En die had toestemming gegeven om een nieuwe brief te schrijven. Het slechte plan van Haman ging niet door. In plaats van de Joden werd Haman zelf gedood. Hij en zijn zonen werden aan een paal opgehangen.

26-28Het lot wordt in het Hebreeuws ‘poer’ genoemd. Daarom heten die twee feestdagen Poeriem.

Het feest mag nooit vergeten worden

De Joden zouden die feestdagen elk jaar vieren, omdat Mordechai dat in zijn brief gezegd had. En ook omdat ze zo veel meegemaakt hadden en ze dat niet wilden vergeten.

De Joden wilden dat het feest altijd op dezelfde manier gevierd zou worden. Door henzelf en door hun nakomelingen. En ook door iedereen die zich bij hun godsdienst zou aansluiten. Deze feestdagen moesten gevierd worden door elke generatie en door elke familie. Ze moesten gevierd worden in elke provincie en in elke stad. De Joden en hun nakomelingen mochten het feest nooit vergeten.

Ester schrijft ook over het feest

29-30Koningin Ester schreef samen met Mordechai een tweede brief. Die schreef ze naar alle Joden in alle 127 provincies van het koninkrijk.

In die brief stond dat Ester haar volk altijd zou blijven steunen. 31Ook stond er dat Poeriem een verplicht feest was. En dat de Joden moesten doen wat Mordechai in zijn brief tegen hen gezegd had. Er waren ook dagen dat de Joden en hun nakomelingen moesten rouwen. Dan mochten ze niet eten en drinken.

32Met die regels bepaalde Ester wat er op het Poeriemfeest moest gebeuren. De regels werden opgeschreven in het wetboek.

10

Alles over Ahasveros staat in de jaarboeken

101Koning Ahasveros liet iedereen in zijn hele koninkrijk belasting betalen.

2Alles over Ahasveros staat opgeschreven in de jaarboeken van de koningen van Medië en Perzië. Al zijn machtige daden staan erin, en ook alles over de hoge functie die hij Mordechai gegeven had.

Mordechai is een held voor alle Joden

3De Jood Mordechai was na de koning de belangrijkste man. Hij was een held voor alle Joden. Iedereen hield van hem. Want hij deed alles om zijn volk gelukkig te maken. Hij wilde dat iedereen van zijn volk gelukkig was.