Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Haman wil de Joden laten doden

Mordechai knielt niet voor Haman

31In het paleis werkte een man die Haman heette. Hij was een zoon van Hammedata, uit de familie van Agag. Op een dag gaf koning Ahasveros hem een hoge functie. Hij maakte Haman de belangrijkste minister in het paleis.

2-3Elke keer als Haman voorbijkwam, knielde iedereen. En iedereen boog diep voorover. Dat moest van de koning. Maar Mordechai knielde niet.

De hoge ambtenaren bij de ingang van het paleis vroegen hem: ‘Waarom doe je niet wat de koning zegt?’ 4Mordechai luisterde niet. Maar ze vroegen het elke dag weer. Toen zei Mordechai: ‘Ik kniel niet voor Haman omdat ik een Jood ben.’ Dat gingen de hoge ambtenaren tegen Haman zeggen. Ze dachten: Misschien gaat Mordechai dan toch knielen.

Haman wil alle Joden laten doden

5Haman hoorde dat Mordechai niet voor hem wilde knielen. Hij werd woedend, 6en dacht: Mordechai moet dood. Maar toen hij hoorde dat Mordechai een Jood was, dacht hij: Nee, dat is niet genoeg. Zijn hele volk moet gedood worden, alle Joden in het hele koninkrijk.

7Haman wilde weten wanneer dat het beste kon gebeuren. Daarom liet hij het lot werpen. Dat deed hij toen Ahasveros twaalf jaar koning was, in de eerste maand van dat jaar. Het lot wees de twaalfde maand aan.

Haman doet de koning een voorstel

8Toen zei Haman tegen de koning: ‘Er is in uw koninkrijk een volk dat in verschillende provincies woont. Die mensen wonen tussen de andere volken, maar ze hebben hun eigen wetten. En aan uw wetten houden ze zich niet. Daar moet u iets aan doen. Want u bent de koning.

9Ik stel voor dat u een bevel laat schrijven. Daarin moet staan dat alle mensen van dat volk gedood moeten worden. Als u dat bevel laat schrijven, krijgt u 300.000 kilo zilver van mij.’

10De koning had een zegelring om zijn vinger. Met die ring zette hij een stempel op brieven, waardoor ze officieel werden. De koning gaf de ring aan Haman, de vijand van de Joden. 11En hij zei: ‘Dat zilver hoef ik niet, en met dat volk mag u doen wat u wilt.’

Het bevel wordt overal bekendgemaakt

12Op de dertiende dag van de eerste maand moesten alle schrijvers naar het paleis komen. Zij schreven het bevel van Haman op, precies zoals hij het wilde. Ze deden dat in alle talen van het land.

Ze schreven het bevel op in brieven. Die waren voor de bestuurders van alle steden en provincies, en voor de leiders van alle volken. Elke brief werd geschreven namens koning Ahasveros. Want op elke brief stond het stempel van zijn ring.

13De brieven werden snel naar alle provincies van het land gebracht. Dit stond er in elke brief: ‘Op de dertiende dag van de twaalfde maand moeten de Joden gedood worden. Dat moet gebeuren op die ene dag. Alle Joden moeten gedood worden, jong en oud. Ook alle vrouwen en alle kinderen. En al hun bezittingen moeten worden meegenomen.’

14-15Het bevel werd in alle provincies opgeschreven in het wetboek. En het werd aan alle volken bekendgemaakt. Zo konden ze zich voorbereiden op de dag dat de Joden gedood moesten worden.

Ook in de stad Susa werd het bevel bekendgemaakt. De inwoners werden bang en wisten niet wat ze moesten doen. Intussen zaten de koning en Haman rustig wat te drinken.

4

Ester wil haar volk redden

Alle Joden dragen rouwkleren

41Mordechai hoorde wat er allemaal gebeurd was. Van verdriet scheurde hij zijn kleren. Daarna deed hij rouwkleren aan, en hij gooide zand over zijn hoofd. Zo liep hij door de stad, terwijl hij huilde en schreeuwde. 2Voor de ingang van het paleis bleef hij staan. Want iemand die rouwkleren droeg, mocht het paleis niet in.

3Ook alle andere Joden die het bevel hoorden, werden heel verdrietig. In alle provincies deden ze rouwkleren aan. Ze stopten met eten, en ze huilden en schreeuwden. Ze gooiden zand over hun hoofd en gingen op de grond liggen.

Ester roept Mordechai bij zich

4Ester hoorde van haar dienaren en dienaressen dat Mordechai in rouwkleren door de stad liep. Ze schrok heel erg, en stuurde hem andere kleren. Maar Mordechai hield zijn rouwkleren aan en stuurde de kleren van Ester terug.

5Toen riep Ester Hatach bij zich. Hij was één van haar persoonlijke dienaren. Ester zei tegen hem: ‘Ga naar Mordechai toe. En vraag hem waarom hij in rouwkleren door de stad loopt.’

Mordechai wil dat Ester naar de koning gaat

6Hatach ging naar het plein voor de ingang van het paleis, want daar was Mordechai.

7-8Mordechai vertelde hem alles wat er gebeurd was. Ook dat Haman de koning 300.000 kilo zilver wilde geven als hij de Joden mocht doden. En Mordechai gaf Hatach de brief die in Susa voorgelezen was. Daarin stond het bevel om alle Joden te doden.

Mordechai vroeg Hatach om de brief aan Ester te laten zien en haar alles te vertellen. ‘En zeg haar dat ze naar de koning moet gaan,’ zei Mordechai. ‘Ze moet hem smeken om haar volk te redden.’

Ester is bang om gedood te worden

9Hatach ging terug naar Ester en vertelde wat Mordechai gezegd had. 10-12Maar Ester stuurde hem weer naar Mordechai met het volgende antwoord: ‘Het is nu al dertig dagen geleden dat ik bij de koning mocht komen. En er is één wet die iedereen in het hele koninkrijk kent. Daarin staat dat je nooit zomaar naar de koning mag gaan. Als je dat toch doet, word je gedood. Behalve als je de gouden staf van de koning mag aanraken. Dan blijf je in leven. Die wet geldt voor iedereen, voor alle mannen en alle vrouwen. Ik kan dus niet zomaar naar de koning toe gaan.’

13Toen Mordechai dat gehoord had, stuurde hij Hatach weer naar Ester met het volgende antwoord: ‘Jij woont in het paleis van de koning. Maar je moet niet denken dat jij daarom als enige van alle Joden gered zult worden. 14Als jij nu niet met de koning praat, zal er wel op een andere manier hulp komen. De Joden zullen dan gered worden, maar jij en je familie zullen sterven. En weet je wat ik denk? Misschien heeft het wel zo moeten zijn. Misschien moest jij koningin worden om je volk te redden.’

Ester belooft naar de koning te gaan

15Toen Ester dat gehoord had, stuurde ze Hatach naar Mordechai met het volgende antwoord: 16‘Roep alle Joden in Susa bij elkaar. Spreek af dat jullie niet meer eten en drinken, drie dagen lang. Doe dat voor mij. Eet niet en drink niet, overdag niet en ook ’s nachts niet. Mijn dienaressen en ik zullen ook niet meer eten en drinken. Daarna zal ik naar de koning gaan, ook al is dat tegen de wet. Als ik moet sterven, dan moet dat maar.’

17Mordechai ging weg en deed wat Ester gezegd had.

5

Ester gaat naar de koning

51Op de derde dag trok Ester haar koninklijke mantel aan. Ze ging naar het binnenplein van het paleis, en bleef daar staan. Ze stond voor de ingang van de zaal waar koning Ahasveros op zijn troon zat. 2Toen de koning Ester zag staan, voelde hij hoeveel hij van haar hield. Hij wees naar haar met de gouden staf die hij in zijn hand had. Ester liep naar de koning toe en raakte de staf aan.

Ester nodigt de koning en Haman uit

3Toen vroeg de koning: ‘Koningin Ester, wat is er? Wat is uw wens? Ik zal u alles geven, ook al is het de helft van mijn koninkrijk.’ 4Ester antwoordde: ‘Koning, ik heb een maaltijd klaargemaakt. Wilt u vandaag samen met Haman bij mij komen eten?’ 5De koning zei tegen zijn dienaren: ‘Haal Haman hier, zo snel mogelijk. We zullen doen wat Ester vraagt.’

Zo gingen de koning en Haman naar Ester, die een maaltijd voor hen had klaargemaakt. 6Toen de wijn ingeschonken werd, zei de koning tegen Ester: ‘Wat wilt u vragen? Ik zal het u geven. Wat is uw wens? U zult het krijgen, ook al is het de helft van mijn koninkrijk.’

7-8Ester zei: ‘Als u van mij houdt, dan wil ik u het volgende vragen. Als u mij iets wilt geven, dan is dit mijn wens: wilt u ook morgen met Haman bij mij komen eten? Bij die maaltijd zal ik mijn wens bekendmaken.’

Haman wil Mordechai doden

Haman haat Mordechai

9Die dag verliet Haman het paleis vrolijk en tevreden. Maar bij de ingang van het paleis zag hij Mordechai. Mordechai stond niet voor hem op en toonde geen enkel respect voor hem. Toen Haman dat zag, werd hij woedend. 10Maar hij hield zich in en ging naar huis.

Thuis liet hij zijn vrienden bij zich komen, en zijn vrouw Zeres. 11En hij sprak tegen hen over alles waar hij trots op was: zijn rijkdom, al zijn zonen en de hoge functie die de koning hem gegeven had.

‘Ik ben belangrijker dan alle ministers en hoge ambtenaren van de koning,’ zei Haman. 12‘En dat is nog niet alles. Koningin Ester heeft vandaag een maaltijd klaargemaakt voor de koning en mij alleen. Ook morgen mag ik samen met de koning bij haar komen eten.

13Maar dat is niet genoeg voor me. Want ik zie nog steeds die Jood Mordechai bij de ingang van het paleis zitten.’

Haman laat een paal in de grond zetten

14Hamans vrouw Zeres en al zijn vrienden zeiden toen tegen hem: ‘Laat een paal in de grond zetten, een paal van 25 meter. Zeg morgen tegen de koning dat Mordechai daaraan opgehangen moet worden. Dan kun je daarna vrolijk met de koning bij koningin Ester gaan eten.’

Haman vond dat een goed voorstel, en hij liet een paal in de grond zetten.