Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Er moet een nieuwe koningin komen

21Toen koning Ahasveros niet kwaad meer was, dacht hij de hele tijd aan Wasti. Hij dacht aan wat ze gedaan had, en aan wat er over haar besloten was.

2Zijn dienaren zeiden tegen hem: ‘Koning, wij hebben een plan. Er moeten meisjes voor u gezocht worden. Mooie, jonge meisjes die nog nooit met een man geslapen hebben. 3In alle provincies moeten zulke meisjes gezocht worden. Ze moeten allemaal naar het vrouwenhuis in het paleis in Susa gebracht worden. Daar moet Hegai hen bewaken. Want hij bewaakt de vrouwen van de koning. En daar krijgen ze dan een schoonheidsbehandeling. 4Daarna kunt u het mooiste meisje uitkiezen. Zij mag dan koningin worden in plaats van Wasti.’

De koning vond dat een goed plan, en zo gebeurde het.

Mordechai en Ester

5In die tijd woonde er in Susa een Joodse man. Hij heette Mordechai, en hij kwam uit de stam Benjamin. Mordechai was een zoon van Jaïr en een kleinzoon van Simi, die een zoon was van Kis.

6Mordechai kwam uit Jeruzalem, net als veel andere Joden in Susa. Zij waren samen met hun koning Jechonja weggehaald uit Jeruzalem. Dat had Nebukadnessar gedaan, de koning van Babylonië.

7Mordechai zorgde voor een nichtje van hem. Toen haar vader en moeder gestorven waren, had Mordechai haar in huis genomen. Ze heette Hadassa, maar iedereen noemde haar Ester. Ze was heel knap en had een mooi figuur.

Ester komt in het vrouwenhuis

8Het besluit van de koning werd overal bekendgemaakt. Er werden veel meisjes naar het vrouwenhuis gebracht. Daar werden ze door Hegai bewaakt. Eén van die meisjes was Ester.

9Hegai vond Ester een aardig en bijzonder meisje. Daarom zorgde hij ervoor dat ze meteen kon beginnen met de schoonheidsbehandeling. Hij gaf haar extra goed te eten, en ze kreeg de zeven beste dienaressen van het paleis. Ze woonde in de mooiste kamers van het vrouwenhuis, samen met haar dienaressen.

10Ester vertelde aan niemand uit welk volk en uit welke familie ze kwam. Want dat had Mordechai haar verboden.

11Mordechai wandelde elke dag langs het vrouwenhuis. Hij wilde weten hoe het met Ester ging, en wat er met haar zou gebeuren.

Wanneer mag een meisje naar de koning?

12De meisjes kregen een jaar lang een verplichte schoonheidsbehandeling. Het eerste halfjaar werden ze ingesmeerd met geurige olie. Het tweede halfjaar met dure crème en andere schoonheidsmiddelen.

Pas daarna was een meisje klaar om naar de koning te gaan. 13Ze mocht uit het vrouwenhuis alles meenemen wat ze wilde. 14’s Avonds ging ze naar de koning toe en ’s ochtends ging ze weer weg. Ze werd dan naar een ander vrouwenhuis gebracht, waar Saäsgaz bewaker was. Ze mocht niet zelf nog een keer naar de koning gaan. Alleen als de koning dat wilde en hij om haar vroeg.

Ester wordt koningin

15Op een dag was Ester aan de beurt, het meisje dat eerst bij Mordechai woonde. Zij was een dochter van Abichaïl, die een oom was van Mordechai.

Ester nam uit het vrouwenhuis niet veel mee. Alleen de dingen die de bewaker Hegai haar meegaf. Iedereen die haar zag, vond haar prachtig. 16Zo werd Ester bij de koning in zijn paleis gebracht. Dat gebeurde in de tiende maand van het jaar. Ahasveros was toen zeven jaar koning.

17De koning vond Ester de liefste van alle vrouwen. Hij vond haar liever en mooier dan alle andere meisjes. Daarom zette hij de koninklijke kroon op haar hoofd. Zo maakte hij haar koningin in plaats van Wasti.

18Toen gaf de koning een groot feest voor al zijn ministers en hoge ambtenaren, ter ere van Ester. Niemand hoefde te werken op de dag van het feest. En hij deelde cadeaus uit, zoals dat hoort bij een koning.

Mordechai waarschuwt de koning

19-21In die tijd werkte Mordechai in een gebouw bij de ingang van het paleis. Ester had nog steeds niet gezegd uit welk volk en uit welke familie ze kwam. Want dat had Mordechai haar verboden, en Ester luisterde goed naar hem. Net als vroeger, toen hij nog voor haar zorgde.

Mordechai werkte dus bij de ingang van het paleis. Toen er weer nieuwe meisjes gebracht werden, hoorde hij twee mannen met elkaar praten. Dat waren Bigtan en Teres, twee mannen van de koninklijke lijfwacht. Ze vonden dat de koning hen slecht behandeld had. Ze waren zo boos op hem, dat ze een plan bedachten om hem te doden.

22Mordechai hoorde wat ze van plan waren, en hij vertelde het aan koningin Ester. Daarna vroeg hij haar om het aan de koning te vertellen. Dat deed Ester.

23De koning liet de zaak onderzoeken en stelde vast dat het waar was. De twee mannen werden gedood en aan een paal opgehangen. En de koning liet in de jaarboeken opschrijven wat er gebeurd was.

3

Haman wil de Joden laten doden

Mordechai knielt niet voor Haman

31In het paleis werkte een man die Haman heette. Hij was een zoon van Hammedata, uit de familie van Agag. Op een dag gaf koning Ahasveros hem een hoge functie. Hij maakte Haman de belangrijkste minister in het paleis.

2-3Elke keer als Haman voorbijkwam, knielde iedereen. En iedereen boog diep voorover. Dat moest van de koning. Maar Mordechai knielde niet.

De hoge ambtenaren bij de ingang van het paleis vroegen hem: ‘Waarom doe je niet wat de koning zegt?’ 4Mordechai luisterde niet. Maar ze vroegen het elke dag weer. Toen zei Mordechai: ‘Ik kniel niet voor Haman omdat ik een Jood ben.’ Dat gingen de hoge ambtenaren tegen Haman zeggen. Ze dachten: Misschien gaat Mordechai dan toch knielen.

Haman wil alle Joden laten doden

5Haman hoorde dat Mordechai niet voor hem wilde knielen. Hij werd woedend, 6en dacht: Mordechai moet dood. Maar toen hij hoorde dat Mordechai een Jood was, dacht hij: Nee, dat is niet genoeg. Zijn hele volk moet gedood worden, alle Joden in het hele koninkrijk.

7Haman wilde weten wanneer dat het beste kon gebeuren. Daarom liet hij het lot werpen. Dat deed hij toen Ahasveros twaalf jaar koning was, in de eerste maand van dat jaar. Het lot wees de twaalfde maand aan.

Haman doet de koning een voorstel

8Toen zei Haman tegen de koning: ‘Er is in uw koninkrijk een volk dat in verschillende provincies woont. Die mensen wonen tussen de andere volken, maar ze hebben hun eigen wetten. En aan uw wetten houden ze zich niet. Daar moet u iets aan doen. Want u bent de koning.

9Ik stel voor dat u een bevel laat schrijven. Daarin moet staan dat alle mensen van dat volk gedood moeten worden. Als u dat bevel laat schrijven, krijgt u 300.000 kilo zilver van mij.’

10De koning had een zegelring om zijn vinger. Met die ring zette hij een stempel op brieven, waardoor ze officieel werden. De koning gaf de ring aan Haman, de vijand van de Joden. 11En hij zei: ‘Dat zilver hoef ik niet, en met dat volk mag u doen wat u wilt.’

Het bevel wordt overal bekendgemaakt

12Op de dertiende dag van de eerste maand moesten alle schrijvers naar het paleis komen. Zij schreven het bevel van Haman op, precies zoals hij het wilde. Ze deden dat in alle talen van het land.

Ze schreven het bevel op in brieven. Die waren voor de bestuurders van alle steden en provincies, en voor de leiders van alle volken. Elke brief werd geschreven namens koning Ahasveros. Want op elke brief stond het stempel van zijn ring.

13De brieven werden snel naar alle provincies van het land gebracht. Dit stond er in elke brief: ‘Op de dertiende dag van de twaalfde maand moeten de Joden gedood worden. Dat moet gebeuren op die ene dag. Alle Joden moeten gedood worden, jong en oud. Ook alle vrouwen en alle kinderen. En al hun bezittingen moeten worden meegenomen.’

14-15Het bevel werd in alle provincies opgeschreven in het wetboek. En het werd aan alle volken bekendgemaakt. Zo konden ze zich voorbereiden op de dag dat de Joden gedood moesten worden.

Ook in de stad Susa werd het bevel bekendgemaakt. De inwoners werden bang en wisten niet wat ze moesten doen. Intussen zaten de koning en Haman rustig wat te drinken.

4

Ester wil haar volk redden

Alle Joden dragen rouwkleren

41Mordechai hoorde wat er allemaal gebeurd was. Van verdriet scheurde hij zijn kleren. Daarna deed hij rouwkleren aan, en hij gooide zand over zijn hoofd. Zo liep hij door de stad, terwijl hij huilde en schreeuwde. 2Voor de ingang van het paleis bleef hij staan. Want iemand die rouwkleren droeg, mocht het paleis niet in.

3Ook alle andere Joden die het bevel hoorden, werden heel verdrietig. In alle provincies deden ze rouwkleren aan. Ze stopten met eten, en ze huilden en schreeuwden. Ze gooiden zand over hun hoofd en gingen op de grond liggen.

Ester roept Mordechai bij zich

4Ester hoorde van haar dienaren en dienaressen dat Mordechai in rouwkleren door de stad liep. Ze schrok heel erg, en stuurde hem andere kleren. Maar Mordechai hield zijn rouwkleren aan en stuurde de kleren van Ester terug.

5Toen riep Ester Hatach bij zich. Hij was één van haar persoonlijke dienaren. Ester zei tegen hem: ‘Ga naar Mordechai toe. En vraag hem waarom hij in rouwkleren door de stad loopt.’

Mordechai wil dat Ester naar de koning gaat

6Hatach ging naar het plein voor de ingang van het paleis, want daar was Mordechai.

7-8Mordechai vertelde hem alles wat er gebeurd was. Ook dat Haman de koning 300.000 kilo zilver wilde geven als hij de Joden mocht doden. En Mordechai gaf Hatach de brief die in Susa voorgelezen was. Daarin stond het bevel om alle Joden te doden.

Mordechai vroeg Hatach om de brief aan Ester te laten zien en haar alles te vertellen. ‘En zeg haar dat ze naar de koning moet gaan,’ zei Mordechai. ‘Ze moet hem smeken om haar volk te redden.’

Ester is bang om gedood te worden

9Hatach ging terug naar Ester en vertelde wat Mordechai gezegd had. 10-12Maar Ester stuurde hem weer naar Mordechai met het volgende antwoord: ‘Het is nu al dertig dagen geleden dat ik bij de koning mocht komen. En er is één wet die iedereen in het hele koninkrijk kent. Daarin staat dat je nooit zomaar naar de koning mag gaan. Als je dat toch doet, word je gedood. Behalve als je de gouden staf van de koning mag aanraken. Dan blijf je in leven. Die wet geldt voor iedereen, voor alle mannen en alle vrouwen. Ik kan dus niet zomaar naar de koning toe gaan.’

13Toen Mordechai dat gehoord had, stuurde hij Hatach weer naar Ester met het volgende antwoord: ‘Jij woont in het paleis van de koning. Maar je moet niet denken dat jij daarom als enige van alle Joden gered zult worden. 14Als jij nu niet met de koning praat, zal er wel op een andere manier hulp komen. De Joden zullen dan gered worden, maar jij en je familie zullen sterven. En weet je wat ik denk? Misschien heeft het wel zo moeten zijn. Misschien moest jij koningin worden om je volk te redden.’

Ester belooft naar de koning te gaan

15Toen Ester dat gehoord had, stuurde ze Hatach naar Mordechai met het volgende antwoord: 16‘Roep alle Joden in Susa bij elkaar. Spreek af dat jullie niet meer eten en drinken, drie dagen lang. Doe dat voor mij. Eet niet en drink niet, overdag niet en ook ’s nachts niet. Mijn dienaressen en ik zullen ook niet meer eten en drinken. Daarna zal ik naar de koning gaan, ook al is dat tegen de wet. Als ik moet sterven, dan moet dat maar.’

17Mordechai ging weg en deed wat Ester gezegd had.