Bijbel in Gewone Taal (BGT)
11

We begrijpen niet alles

111Geef alles wat je hebt, maar weg. Want later krijg je het wel weer terug. 2Deel je bezit met veel anderen. Want je weet niet wat voor rampen er nog zullen komen.

3Als de wolken vol water zijn, dan weet je dat het gaat regenen. Als een boom omvalt, kan hij naar het noorden of naar het zuiden vallen. Maar hij blijft liggen waar hij gevallen is.

4Als je steeds maar op de wind let, kom je niet aan zaaien toe. Als je steeds maar op de wolken let, kom je niet aan maaien toe.

5Je weet niet in welke richting de wind gaat waaien. En je weet niet hoe een kind ontstaat in de buik van zijn moeder. Hoe weet je dan wat God doet, die alles gemaakt heeft?

6Je moet ’s ochtends zaaien. En je moet ook ’s avonds zaaien. Want je weet niet welk zaad het beste zal opkomen, het zaad van de ochtend of het zaad van de avond. Of misschien komen ze allebei goed op.

Geniet van het leven

Geniet van elke dag

7Wat is het licht van de zon heerlijk. Wat is het leven goed! 8Als je lang leeft, geniet dan van elke dag. Bedenk dat er nog veel donkere dagen zullen komen. En dat alles wat nog komt, snel voorbijgaat.

9Geniet van het leven zolang je nog jong bent! Wees gelukkig in je jeugd. Doe wat je hart je zegt. Kijk goed om je heen. En bedenk daarbij dat God je leven zal beoordelen. 10Houd verdriet en zorgen ver bij je vandaan, want je jeugd is snel voorbij.

12

Denk aan God die je gemaakt heeft

121Denk aan God die je gemaakt heeft. Denk aan hem zolang je nog jong bent. Want straks komen de slechte dagen. Dan komt de tijd dat je geen plezier meer in het leven hebt.

2Denk aan God die je gemaakt heeft. Straks wordt het donker. Dan verdwijnt het licht van de zon, van de maan en de sterren. Dan blijft het bewolkt, ook als de regen ophoudt.

3Straks ben je oud. Je handen gaan trillen en je benen gaan krom staan. Je tanden vallen uit je mond. Je ogen zien niets meer. 4Je oren horen niet meer wat er buiten gebeurt. Je stem is bijna niet meer te horen. Je hoort het geluid van de vogels niet meer. 5Je durft geen heuvel meer op te klimmen. Je vindt het gevaarlijk op de weg. Je haren zijn grijs geworden en je komt nog maar met moeite vooruit. Je verlangt nergens meer naar. En ten slotte ga je dood. Dan wordt er om je gehuild in de straten.

6Denk aan God die je gemaakt heeft. Straks wordt je leven afgebroken. Zoals een zilveren ketting breekt, of een gouden lamp. Zoals een waterkruik in stukken valt, of het touw breekt waaraan een emmer hangt. Zo wordt je leven afgebroken. 7Dan gaat je lichaam terug naar de aarde waaruit je gemaakt bent. Dan gaat je levensadem terug naar God die je het leven gegeven heeft.’

Alles gaat voorbij

8‘Alles gaat voorbij,’ zegt Prediker. ‘Er is niets dat blijft. Het is allemaal zinloos.’

Slot

9Prediker was een wijze man. Hij heeft de mensen veel geleerd. Hij heeft alles goed onderzocht, en hij heeft veel spreuken opgeschreven. 10Hij zocht steeds naar de juiste woorden. Alles wat hij schreef, is eerlijk en waar.

11De woorden van de wijzen zijn scherp, zo scherp als puntige stokken. De spreuken die de wijzen verzameld hebben, zijn zo scherp als spijkers. En alle wijze woorden komen van God.

12En dan nog één ding. Er worden steeds weer nieuwe boeken geschreven. En als je te veel in die boeken studeert, word je doodmoe. 13Nu komt het belangrijkste van alles wat je gehoord hebt: heb eerbied voor God en houd je aan zijn wetten. Dat geldt voor ieder mens. 14Want God beoordeelt alles wat je gedaan hebt. De goede en de slechte dingen. En ook de dingen die voor mensen verborgen zijn.