Bijbel in Gewone Taal (BGT)
26

De eerste oogst van het land

Verzamel de eerste vruchten

261Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Straks komen jullie in het land dat de Heer, jullie God, aan jullie zal geven. Dat land zullen jullie veroveren, en daar zullen jullie gaan wonen.

2Als je in dat land de eerste vruchten plukt, moet je die in een mand verzamelen. Neem de mand mee naar de plaats die de Heer zal uitkiezen, de plaats waar hij zal wonen. 3Ga dan naar de priester toe die op dat moment dienst heeft. Je moet tegen hem zeggen: ‘De Heer, mijn God, heeft dit land plechtig beloofd aan onze voorouders. Nu dank ik hem dat ik in het land aangekomen ben.’

4Dan zal de priester de mand aannemen en voor het altaar van de Heer neerzetten.

Dank de Heer voor de eerste oogst

5Daarna moet je bij het altaar de volgende woorden uitspreken:

‘Onze voorouders waren Arameeërs die van de ene plaats naar de andere zwierven. Ze gingen naar Egypte en woonden daar als vreemdelingen. Ons volk was eerst nog klein, maar het werd daar groot en sterk.

6De Egyptenaren behandelden ons slecht. Zij onderdrukten ons en lieten ons als slaven voor hen werken. 7Toen smeekten we de Heer, de God van onze voorouders, om hulp. En hij hoorde ons. Hij zag dat we onderdrukt werden. Hij zag hoe hard we moesten werken. 8Toen heeft hij ons bevrijd. Hij liet ons zijn grote macht zien en deed geweldige wonderen. 9Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land. Het is een prachtig land, waar meer dan genoeg te eten is.’

10Als je dat allemaal gezegd hebt, moet je knielen en zeggen: ‘Heer, ik breng u de eerste vruchten van het land dat u ons gegeven hebt.’

11Houd daarna een feestmaal, samen met de Levieten en de vreemdelingen die bij jullie wonen. Dank de Heer, je God, omdat hij jou en je familie een goede oogst gegeven heeft.

Geef een tiende deel van je oogst weg

12Elk derde jaar moet je een tiende deel van je oogst weggeven. Geef dat aan de Levieten, aan de vreemdelingen, aan de weduwen en aan de kinderen zonder vader. Dan hebben ze genoeg te eten.

13Als je dat tiende deel weggeeft, moet je het volgende zeggen:

‘Heer, mijn God, ik heb het heilige deel van de oogst aan de armen gegeven. Ik heb niets daarvan voor mezelf gehouden. Ik heb het gegeven aan de Levieten, aan de vreemdelingen, aan de weduwen en aan de kinderen zonder vader. Precies zoals u tegen mij gezegd hebt. Ik ben niets vergeten, ik heb alles gedaan wat u vroeg.

14Ik heb er niet van gegeten toen ik rouwde om een dode. Ik heb er niets van aangeraakt toen ik onrein was. En ik heb er ook niets van geofferd aan een dode. Ik heb steeds gedaan wat u vroeg. Ik heb me aan al uw regels gehouden.

15Heer, kijk naar ons vanuit uw heilige woning in de hemel. Zegen uw volk Israël en dit land dat u ons gegeven hebt. Doe wat u aan onze voorouders beloofd hebt. Zegen dit prachtige land, waar meer dan genoeg te eten is.’

Houd je aan de regels van God

16Vandaag geeft de Heer, jullie God, jullie een opdracht. Hij wil dat jullie je houden aan al zijn wetten en regels. Houd je er heel precies aan, met je hele hart en je hele ziel.

17Vandaag hebben jullie aan de Heer het volgende beloofd: ‘U bent onze God. We zullen naar u luisteren, en doen wat u vraagt. We zullen ons houden aan uw wetten en regels.’ 18En de Heer heeft vandaag aan jullie beloofd dat jullie zijn volk zullen zijn. Jullie zijn voor hem een kostbaar bezit. Hij wil dat jullie je aan zijn regels houden.

19De Heer heeft alle volken gemaakt. Maar jullie volk zal hij het belangrijkste maken. Jullie zullen beroemd zijn, alle volken zullen jullie eren. Jullie zullen heilig zijn, zoals de Heer beloofd heeft. Jullie zullen zijn volk zijn.’

27

Beloning en straf

Schrijf de wet op stenen

271Mozes stond samen met de leiders voor het volk. Hij gaf de Israëlieten de volgende opdracht: ‘Houd je aan alle regels die ik jullie vandaag gegeven heb. 2Binnenkort zullen jullie in het land komen dat de Heer, jullie God, aan jullie zal geven. Maar eerst moeten jullie de Jordaan oversteken. Als jullie aan de overkant zijn, moet je daar grote stenen rechtop zetten. Smeer een laag kalk op die stenen, 3en schrijf er de wetten op die ik jullie geleerd heb. Pas daarna mogen jullie het land binnengaan. Het land dat de Heer, de God van jullie voorouders, aan jullie beloofd heeft, en waar altijd meer dan genoeg te eten is.

4Als jullie de Jordaan overgestoken zijn, moeten jullie dus grote stenen rechtop zetten. Dat moet gebeuren bij de berg Ebal. Houd je daarbij precies aan wat ik zeg. Smeer een laag kalk op die stenen, 5-8en schrijf er heel duidelijk alle wetten op die je geleerd hebt.

Bouw op diezelfde plek ook een altaar voor de Heer, jullie God. Dat altaar moet gemaakt worden van stenen die niet bewerkt zijn met gereedschap van ijzer. Breng daar offers en houd er een feestmaal voor de Heer, jullie God.’

Israël is het volk van de Heer

9Toen kwamen de priesters uit de stam Levi bij Mozes staan. En Mozes zei tegen het volk: ‘Wees stil, en luister goed! Vandaag zijn jullie het volk geworden van de Heer, jullie God. 10Luister daarom steeds naar hem. En houd je aan zijn wetten en regels, die ik jullie vandaag gegeven heb.’

Opdracht voor de stammen

11Op diezelfde dag gaf Mozes het volk deze opdracht: 12‘Als jullie de rivier de Jordaan overgestoken zijn, moet een deel van het volk op de berg Gerizim gaan staan. Dat zijn de stammen Simeon, Levi, Juda, Issachar, Jozef en Benjamin. Zij moeten voor alle Israëlieten hardop uitspreken hoe de Heer hen zal belonen als ze hem gehoorzamen.

13De rest van het volk moet op de berg Ebal gaan staan. Dat zijn de stammen Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali. Zij moeten voor alle Israëlieten hardop uitspreken hoe de Heer hen zal straffen als ze hem niet gehoorzamen.

Als het volk ongehoorzaam is

14De priesters uit de stam Levi moeten elke straf luid en duidelijk uitspreken.

15De priesters moeten zeggen: ‘Het zal slecht aflopen met iemand die een godenbeeld maakt en dat beeld ergens in het geheim vereert. De Heer heeft een hekel aan zulke beelden, want ze zijn gemaakt door mensen.’ En het volk zegt dan: ‘Amen!’

16De priesters moeten zeggen: ‘Het zal slecht aflopen met iemand die geen respect heeft voor zijn vader en moeder.’ En het volk zegt dan: ‘Amen!’

17De priesters moeten zeggen: ‘Het zal slecht aflopen met iemand die de grenzen van een gebied verandert.’ En het volk zegt dan: ‘Amen!’

18De priesters moeten zeggen: ‘Het zal slecht aflopen met iemand die een blinde de verkeerde kant op stuurt.’ En het volk zegt dan: ‘Amen!’

19De priesters moeten zeggen: ‘Het zal slecht aflopen met iemand die geen respect heeft voor de rechten van vreemdelingen, van weduwen en van kinderen zonder vader.’ En het volk zegt dan: ‘Amen!’

20De priesters moeten zeggen: ‘Het zal slecht aflopen met iemand die naar bed gaat met een vrouw van zijn vader. Want dat is een schande voor zijn vader.’ En het volk zegt dan: ‘Amen!’

21De priesters moeten zeggen: ‘Het zal slecht aflopen met iemand die seks heeft met een dier.’ En het volk zegt dan: ‘Amen!’

22De priesters moeten zeggen: ‘Het zal slecht aflopen met iemand die naar bed gaat met zijn zus of halfzus.’ En het volk zegt dan: ‘Amen!’

23De priesters moeten zeggen: ‘Het zal slecht aflopen met iemand die naar bed gaat met zijn schoonmoeder.’ En het volk zegt dan: ‘Amen!’

24De priesters moeten zeggen: ‘Het zal slecht aflopen met iemand die in het geheim een ander vermoordt.’ En het volk zegt dan: ‘Amen!’

25De priesters moeten zeggen: ‘Het zal slecht aflopen met iemand die voor geld een ander vermoordt, terwijl die ander onschuldig is.’ En het volk zegt dan: ‘Amen!’

26De priesters moeten zeggen: ‘Het zal slecht aflopen met iemand die zich niet houdt aan deze wetten.’ En het volk zegt dan: ‘Amen!’’

28

Als het volk gehoorzaam is

281Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Jullie moeten gehoorzaam zijn aan de Heer, jullie God. Houd je precies aan alle regels die ik jullie vandaag gegeven heb. Als jullie dat doen, zal de Heer van jullie het belangrijkste volk op aarde maken. 2En dan zal hij jullie op de volgende manieren rijk en gelukkig maken:

3Het zal goed gaan met al jullie werk, in de steden en op de akkers.

4Het zal goed met jullie gaan, want jullie zullen veel nakomelingen krijgen. Er zal veel groeien op jullie akkers, en jullie koeien, schapen en geiten zullen veel jongen hebben.

5Het zal goed met jullie gaan, want jullie zullen veel graan oogsten en veel brood te eten hebben.

6Het zal overal en altijd goed met jullie gaan.

Nog meer beloningen

7-9Houd je aan de regels van de Heer en leef zoals hij het wil. Dan zal de Heer jullie op de volgende manieren belonen:

Hij zal ervoor zorgen dat jullie je vijanden verslaan. Als een grote groep soldaten jullie aanvalt, zullen ze naar alle kanten wegvluchten.

De Heer zal ervoor zorgen dat er veel graan in jullie schuren ligt. Hij zal jullie helpen bij al je werk. Hij zal jullie rijk en gelukkig maken in het land dat hij aan jullie geeft.

De Heer zal een heilig volk van jullie maken, zoals hij beloofd heeft. 10Alle volken zullen zien dat jullie bij de Heer horen, en ze zullen veel respect voor jullie hebben.

11De Heer zal jullie veel kinderen geven. Jullie dieren zullen veel jongen hebben. Jullie akkers zullen vruchtbaar zijn. Er zal veel geoogst worden in het land dat de Heer aan jullie zal geven, en dat hij aan jullie voorouders beloofd heeft.

12De Heer zal de hemel openen, zodat er op de juiste tijd regen op jullie akkers valt. Hij zal ervoor zorgen dat het goed gaat met al jullie werk op de akkers. Jullie zullen zo rijk zijn dat jullie aan veel volken geld kunnen lenen. En zelf hoeven jullie anderen niet om geld te vragen.

13-14De Heer zal van jullie het belangrijkste volk maken. Jullie zullen niet arm en zwak zijn, maar rijk en sterk. Maar alleen als jullie je houden aan de regels van de Heer, jullie God. Houd je heel precies aan alle regels die ik jullie vandaag gegeven heb. Ga geen andere goden dienen en vereren.

Als het volk ongehoorzaam is

15Wees gehoorzaam aan de Heer, jullie God. Houd je aan de wetten en regels die ik jullie vandaag gegeven heb. Anders zal de Heer jullie op de volgende manieren straffen:

16Het zal slecht gaan met al jullie werk, in de steden en op de akkers.

17Het zal slecht gaan met jullie oogst. Jullie zullen niet genoeg brood te eten hebben.

18Het zal slecht met jullie gaan, want jullie zullen niet veel nakomelingen krijgen. Jullie akkers zullen niet vruchtbaar zijn, en jullie koeien, schapen en geiten zullen weinig jongen hebben.

19Het zal overal en altijd slecht met jullie gaan.

Nog meer straffen

20Probeer dus goed te leven, en blijf trouw aan de Heer. Anders zal alles wat jullie doen, mislukken. Dan stuurt de Heer rampen op jullie af. Jullie zullen in paniek raken, en elkaar bedreigen. En dan is het snel afgelopen met jullie. Dan zal de Heer jullie op de volgende manieren straffen:

21Hij zal de pest laten uitbreken in het land dat jullie in bezit gaan nemen. Niemand van jullie zal in leven blijven.

22De Heer zal nog meer verschrikkelijke ziektes naar jullie toe sturen. Jullie worden getroffen door koorts en ontstekingen. Jullie oogst zal mislukken door hitte en droogte, en al het koren op het land gaat dood. Dat zal net zo lang doorgaan totdat er niemand meer in leven is. 23Dan zal er geen regen meer uit de hemel vallen, en brandt de zon zo fel dat het land verdroogt. 24Het zal stof regenen in plaats van water, er zal zand vallen op jullie akkers. En dan komt er een eind aan jullie leven.

25De Heer zal ervoor zorgen dat jullie leger door de vijanden verslagen wordt. Als jullie met z’n allen je vijanden aanvallen, zullen jullie zelf alle kanten op vluchten! Alle volken zullen schrikken als ze zien wat er met jullie gebeurt. 26De lichamen van jullie dode soldaten worden opgegeten door vogels en wilde dieren. Niemand zal die dieren wegjagen.

Nog meer rampen

27En dan zal de Heer jullie ook op de volgende manieren straffen:

Jullie krijgen zweren, net als in Egypte. En huidziektes en gevaarlijke wonden, die niet genezen.

28Jullie zullen je verstand verliezen en gek worden. Jullie zullen niet meer weten wat je doet. 29Midden op de dag zul je rondlopen als een blinde. Je ziet het verschil niet meer tussen dag en nacht. Alles wat je doet, zal mislukken. Je bezittingen worden gestolen, en iedere dag word je vernederd. En er is niemand die je komt redden.

30Je zult een meisje vinden om mee te trouwen, maar iemand anders zal met haar slapen. Je zult een huis bouwen, maar er niet in kunnen wonen. Je zult een wijngaard aanleggen, maar je zult er zelf geen druiven plukken.

31Je zult zien hoe anderen je koeien slachten, en je zult het vlees niet eten. Je ezel zal gestolen worden, en je zult hem niet meer terugzien. Vijanden zullen je schapen en geiten meenemen, en niemand komt je helpen.

32Je zult zien hoe je kinderen meegenomen worden door een ander volk. Je huilt iedere dag en hoopt steeds dat ze terugkomen. Maar je kunt niets doen, je bent machteloos.

33Je zult hard werken op je land. Maar volken die je niet kent, zullen je oogst opeten. En ze zullen je elke dag onderdrukken en mishandelen. 34Je zult gek worden van alle verschrikkelijke dingen die je ziet gebeuren.

Nog meer ellende

35De Heer straft jullie ook nog op de volgende manieren:

Jullie zullen zweren krijgen die nooit verdwijnen. Eerst alleen op je knieën en heupen, maar later over je hele lichaam.

36-37Jullie zullen worden meegenomen naar een ver land, samen met de koning die jullie zelf uitgekozen hebben. De bewoners van dat land zullen jullie beledigen, uitlachen en vernederen. Dat land is voor jullie onbekend, en ook jullie voorouders kenden het niet. Jullie zullen er andere goden gaan vereren, goden van hout en steen.

38Er zal weinig groeien op jullie akkers, ook al hebben jullie veel gezaaid. Want sprinkhanen zullen alles kaalvreten. 39Jullie zullen wijngaarden aanleggen en verzorgen, maar rupsen zullen alles opvreten. Dan zijn er geen druiven om te oogsten, en dan is er geen wijn om te drinken. 40Alle olijfbomen zullen hun vruchten te vroeg verliezen. Dan zijn er geen olijven om olie van te maken.

41Jullie zullen wel kinderen krijgen, maar je ziet ze niet opgroeien. Want ze worden als gevangenen meegenomen naar een ander land.

42Sprinkhanen zullen alles kaalvreten, alle bomen en alle akkers.

43-44De vreemdelingen in jullie land zullen belangrijker worden dan jullie. Zij worden steeds rijker en machtiger, en jullie worden steeds armer en zwakker. Zij zullen jullie nooit om geld hoeven te vragen, maar jullie moeten altijd geld van hen lenen.

De straffen zijn een waarschuwing

45Luister dus naar de Heer, jullie God, en houd je aan zijn wetten en regels. Anders zal hij al die straffen op jullie afsturen. Dan zullen jullie gestraft worden totdat er niemand meer in leven is. 46De straffen zijn een les en een waarschuwing voor jullie hele volk, voor altijd.

47Jullie moeten de Heer, jullie God, met vreugde dienen. Wees blij met alles wat je hebt. 48Anders stuurt de Heer vijanden naar jullie toe, en moet je gehoorzaam zijn aan hen. En dan zullen jullie geen eten, drinken of kleren hebben. Dan hebben jullie helemaal niets! De vijanden zullen jullie zwaar onderdrukken, en uiteindelijk is er niemand van jullie meer in leven.

Honger als straf

49Houd je aan de regels van de Heer. Anders zal hij een gevaarlijk volk naar jullie toe sturen. Dat volk komt van ver en zal jullie plotseling aanvallen. Die mensen spreken een taal die jullie niet verstaan. 50Ze hebben met niemand medelijden, zelfs niet met kinderen of oude mensen.

51Dat volk zal alles opeten, al jullie vee en heel jullie oogst. Er blijft niets over van jullie graan, wijn of olijfolie. En ook niet van jullie jonge koeien, schapen of geiten. Zo komt er een eind aan jullie bestaan.

52Dat volk zal al jullie steden aanvallen! Alle steden in het land dat jullie krijgen van de Heer, jullie God. Dat volk valt net zo lang aan totdat alle muren ingestort zijn. Dan zullen jullie merken dat jullie hoge, sterke muren niet zo veilig zijn als jullie dachten.

53Jullie zullen steeds wanhopiger worden. Jullie zullen zo’n honger krijgen dat jullie je eigen kinderen opeten. De kinderen die jullie van de Heer, jullie God, gekregen hebben!

54-55Zelfs de vriendelijkste man van jullie volk zal zijn eigen kinderen opeten. En hij zal het vlees met niemand willen delen. Hij houdt niets over voor zijn broer, voor de vrouw van wie hij houdt, of voor de kinderen die hij nog heeft. Hij zal het vlees zelf opeten. Want er is niets anders te eten. Zo erg zal het zijn als dat gevaarlijke volk jullie steden aanvalt.

56-57Zelfs de vriendelijkste en rijkste vrouw van jullie volk zal doen wat ze nooit eerder gedaan heeft. Ze zal haar eigen kinderen opeten. Als ze een kind krijgt, zal ze het meteen helemaal opeten. Ook zij zal het met niemand willen delen. Ze zal niets overhouden voor de man van wie ze houdt, of voor haar kinderen. Ze zal het zelf opeten, op een geheime plek. Want er is nergens meer iets te eten. Zo erg zal het zijn als dat volk jullie steden aanvalt.’

Wees gehoorzaam aan de Heer

Het volk moet de Heer eren

58Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Jullie moeten je houden aan de regels die ik jullie geleerd heb. Houd je aan de regels die in dit wetboek geschreven staan. Heb eerbied voor de Heer, jullie God. Want hij is groot en machtig.

Als jullie dat niet doen, 59zal hij jullie en jullie nakomelingen zwaar straffen. Dan stuurt hij grote rampen waar geen eind aan komt, en dodelijke ziektes. 60Ziektes die jullie nog kennen uit Egypte, en waar jullie zo bang voor waren. 61Maar ook ziektes en rampen die niet in dit wetboek staan. Die ziektes zullen niet verdwijnen. Jullie zullen er net zo lang last van hebben totdat er niemand meer in leven is.

Als het volk niet luistert

62Nu zijn jullie nog met ontelbaar veel mensen. Maar als jullie niet luisteren naar de Heer, jullie God, zullen er maar weinig mensen overblijven. 63De Heer is blij dat hij goed voor jullie kan zorgen. Hij wil graag een groot volk van jullie maken. Maar als jullie niet luisteren, maakt hij het liefst een eind aan jullie bestaan. Dan jaagt hij jullie weg uit het land dat jullie nu in bezit gaan nemen.

64Als jullie niet luisteren, zal de Heer jullie wegsturen naar andere landen. Dan worden jullie verspreid over de hele aarde. Daar zullen jullie andere goden gaan vereren, goden van hout en steen. Goden die onbekend waren voor jullie en voor jullie voorouders.

65Daar zullen jullie geen moment rust vinden, nergens is een plek om uit te rusten. Jullie zullen huilend rondlopen, bang en wanhopig. 66Jullie leven zal steeds in gevaar zijn. Dag en nacht zullen jullie bang zijn om te sterven. 67’s Ochtends denk je: Was het maar avond! En ’s avonds denk je: Was het maar ochtend! Zo bang zullen jullie zijn, zo verschrikkelijk is het wat jullie dan meemaken!

68Dan zal de Heer jullie op schepen terugsturen naar Egypte. Ook al heeft hij gezegd dat jullie nooit naar dat land terug hoefden te gaan. In Egypte zullen jullie het zo slecht krijgen, dat jullie jezelf proberen te verkopen als slaven. Maar niemand zal jullie willen hebben.’

Afspraken tussen de Heer en zijn volk

69Mozes heeft namens de Heer tegen het volk gezegd dat ze zich aan alle regels moesten houden. Zo werden er in Moab opnieuw afspraken gemaakt tussen de Heer en zijn volk. Net zoals er eerder afspraken gemaakt waren op de berg Horeb.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]