Bijbel in Gewone Taal (BGT)
21

Regels in het beloofde land

Als er iemand vermoord is

211Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Straks wonen jullie in het land dat de Heer, jullie God, aan jullie geeft. Stel dat er ergens een lichaam wordt gevonden van iemand die vermoord is. Maar het is niet bekend wie de dader is. 2Dan moeten de leiders en rechters bepalen welke stad het dichtst bij de plek van de moord ligt. 3De leiders van die stad moeten een jonge koe uitkiezen. Dat moet een koe zijn die nog niet gebruikt is voor werk op het land. 4Ze moeten die koe naar een rivier brengen waar altijd water doorheen stroomt, en waar geen akkers zijn. Daar moeten ze de nek van de koe breken.

5De Levieten moeten daarbij aanwezig zijn. Want zij zijn de priesters die de Heer uitgekozen heeft om hem te dienen. Zij hebben de taak om namens de Heer de zegen uit te spreken. En zij moeten bepalen wie schuldig is bij ruzie of geweld.

6Daarna moeten de leiders van de stad hun handen wassen boven de koe. 7En dan moeten ze zeggen: ‘Heer, wij hebben deze moord niet gepleegd. En we weten ook niet wie de dader is. 8Wij zijn uw volk, u hebt ons bevrijd. Wij zijn niet verantwoordelijk voor de moord op dit onschuldige slachtoffer. U moet ons er niet van beschuldigen dat wij iemand vermoord hebben.’

Volk van Israël, als de leiders dat gezegd hebben, zullen jullie niet langer schuldig zijn aan die moord. 9Als jullie je aan deze regels houden, doen jullie wat de Heer wil. En dan zijn jullie niet meer schuldig aan moord.

Als iemand trouwt met een gevangene

10De volgende regel geldt als jullie oorlog voeren en de Heer ervoor zorgt dat jullie winnen. Dan kan het gebeuren dat jullie je vijanden gevangennemen.

11Stel nu dat één van jullie bij die gevangenen een mooie vrouw ontdekt. Hij wil met haar trouwen. 12Als hij haar dan meeneemt naar zijn huis, moet zij haar hoofd kaalscheren en haar nagels knippen. 13En ze moet andere kleren aantrekken. Een maand lang mag ze dan in zijn huis verdriet hebben omdat ze weg is bij haar ouders. Na die maand mag hij met haar slapen, en met haar trouwen. 14En als hij haar niet meer wil, moet hij haar vrijlaten. Hij mag haar beslist niet verkopen. En hij mag geen slavin van haar maken. Want hij is met haar getrouwd geweest.

Het recht van de oudste zoon

15Stel dat een man twee vrouwen heeft. Hij houdt meer van de ene vrouw dan van de andere. Bij beide vrouwen heeft hij een zoon. Zijn oudste zoon is van de vrouw van wie hij niet zo veel houdt. 16Stel nu dat de man besluit om zijn bezit als erfenis aan zijn zonen te geven. Mag hij dan het grootste deel geven aan de zoon van de vrouw van wie hij het meest houdt? En het kleinste deel aan de zoon van de vrouw van wie hij minder houdt? Nee. 17Hij moet altijd de oudste zoon dubbel zo veel geven als de andere zonen. Want die zoon is het eerst geboren, toen de man zelf nog jong en sterk was. De oudste zoon heeft de meeste rechten.

Als een zoon ongehoorzaam is

18Stel dat ouders een zoon hebben die ongehoorzaam is en zich steeds tegen hen verzet. Hij wil niet luisteren, ook niet nadat hij gestraft is. 19Dan moeten zijn ouders hem meenemen naar de leiders bij de stadspoort. 20En ze moeten zeggen: ‘Onze zoon is ongehoorzaam. Hij verzet zich steeds tegen ons. Hij luistert niet, hij denkt nergens over na en hij drinkt te veel.’

21De inwoners van de stad moeten hem dan met stenen doodgooien. Zo wordt het kwaad uit jullie volk verwijderd. Alle Israëlieten moeten weten hoe zo’n ongehoorzame zoon gestraft wordt.

Als iemand opgehangen wordt

22De volgende regel geldt als iemand van jullie volk een misdaad gepleegd heeft waarvoor hij gedood moet worden. Als hij opgehangen wordt, 23dan mag zijn dode lichaam niet de hele nacht blijven hangen. Het moet nog dezelfde dag begraven worden. Want zijn lichaam is door God vervloekt. Als het daar blijft hangen, wordt het land onrein, het land dat de Heer, jullie God, aan jullie zal geven.’